Oorzaken zwarte ontlasting

Zwarte verkleuring van de ontlasting kan veel verschillende oorzaken hebben. Daaronder zijn onschuldige oorzaken, zoals het gebruik van ijzersupplementen, maar zwarte ontlasting kan ook het gevolg zijn van bloedverlies in het maagdarmkanaal. Daarom is het altijd verstandig om de arts te raadplegen bij zwarte verkleuring van de ontlasting, zeker als er ook buikklachten zijn.

zwarte ontlasting
zwarte ontlasting

Als de oorzaak een bloeding in het maagdarmkanaal is zal de ontlasting meestal niet alleen zwartgekleurd zijn maar ook plakkerig als teer. Artsen spreken in dat geval van ‘melena‘ of ‘melaena’. De zwarte verkleuring ontstaat door afbraak van de rode bloedcellen. Omdat dit proces enige tijd in beslag neemt is de bloeding meestal hoger gelegen in het maagdarmkanaal, dus bijvoorbeeld een bloeding van het maagslijmvlies of van de dunne darm. Als de bloeding in de dikke darm gelegen is zal het bloed onvoldoende tijd hebben om zwart te kleuren en zal dus meestal gewoon rood of donkerrood zijn.

De meest voorkomende oorzaken van zwartverkleuring van de ontlasting zijn:

  • Zwarte verkleuring door bestanddelen in de voeding, bijvoorbeeld grote hoeveelheden drop;
  • Gebruik van bepaalde geneesmiddelen en voedingssupplementen, bijv. norit en ijzersupplementen;
  • Bloeding in het maagdarmkanaal, bijvoorbeeld slokdarmbloeding, maagbloeding of dunnedarmbloeding; zulke bloedingen kunnen zelf weer worden onderverdeeld naar oorzaak:

Wat doen bij zwarte verkleuring van de ontlasting?

Bij zwarte ontlasting is het altijd van belang om de huisarts te raadplegen, tenzij het overduidelijk is dat het wordt veroorzaakt door ijzertabletten of norit. De arts kan met een testje heel makkelijk controleren of de ontlasting bloed bevat. Hiervoor zal een beetje ontlasting moeten worden ingeleverd.

Uitgebreide lijst van oorzaken zwarte ontlasting

De onderstaande aandoeningen kunnen een zwarte verkleuring van de ontlasting veroorzaken. Het getal achter de oorzaak is een schatting van het aantal mensen dat jaarlijks zwarte ontlasting krijgt door die oorzaak.

Veel voorkomende oorzaken van zwarte ontlasting (>1.000/jaar)

Regelmatig voorkomende oorzaken van zwarte ontlasting (>100/jaar)

Zeldzame oorzaken van zwarte ontlasting (<100/jaar)

Zeer zeldzame oorzaken van zwarte ontlasting (<10/jaar)

Extreem zeldzame oorzaken van zwarte ontlasting (<1/jaar)

  • acute myeloïde leukemie – 0,9
  • ziekte van Werlhof (idiopathische trombocytopenische purpura) – 0,9
  • kanker van de twaalfvingerige darm (adenocarcinoom van het duodenum) – 0,9
  • ziekte van Hodgkin (Hodgkin-lymfoom) – 0,8
  • mixed connective tissue disease – 0,8
  • afsterven van weefsel in de milt door slechte doorbloeding (miltinfarct) – 0,7
  • HIV-infectie (acute HIV-infectie) – 0,7
  • essentiële trombocytemie – 0,7
  • lymfeklierkanker in de dunne darm (maligne lymfoom van de dunne darm) – 0,7
  • verbindweefseling van het beenmerg (primaire myelofibrose) – 0,6
  • polycytemie (polycytemia vera) – 0,6
  • carcinoïd – 0,6
  • MEN-syndroom type I  – 0,6
  • Krim-Congo hemorragische koorts – 0,6
  • syndroom van Guillain-Barré – 0,6
  • aangeboren cytomegalie – 0,5
  • grijze bloedplaatjes syndroom (gray platelet syndroom) – 0,5
  • gebruik van mesalazine (Asacol, Pentasa, Salofalk) – 0,5
  • gebruik van paclitaxel – 0,5
  • jeugdreuma (juveniele idiopathische artritis) – 0,5
  • koolmonoxidevergiftiging (acute koolmonoxideintoxicatie) – 0,5
  • leiomyoom van de slokdarm (leiomyoom van de oesofagus) – 0,5
  • overdosis acetylsalicylzuur (salicylaatintoxicatie) – 0,5
  • verstijving van de hartspier (restrictieve cardiomyopathie) – 0,5
  • chronische myeloïde leukemie – 0,5
  • duplicatiecyste van de maag – 0,5
  • malaria – 0,5
  • syndroom van Shwachman-Diamond – 0,4
  • verbindweefseling van de lever door verstopping in de galkanaaltjes (primaire biliaire cirrose) – 0,4
  • hemolytisch uremisch syndroom (typische HUS) – 0,4
  • rhesusziekte (rhesus antagonisme) – 0,4
  • knokkelkoorts (dengue) – 0,4
  • gastrinoom van de alvleesklier – 0,3
  • auto-immuun hemolytische anemie – 0,3
  • acute lymfatische leukemie – 0,3
  • gebruik van mycofenolaatmofetil (CellCept) – 0,3
  • gebruik van mycofenolzuur (Myfortic) – 0,3
  • polyarteritis nodosa van de huid (cutane polyarteritis) – 0,3
  • serumziekte door geneesmiddelen – 0,3
  • spataderen in de maag (fundusvarices) – 0,3
  • toxisch megacolon – 0,3
  • syndroom van Eisenmenger – 0,3
  • syndroom van Felty – 0,3
  • polyarteritis nodosa – 0,3
  • primaire amyloïdose – 0,3
  • syndroom van Peutz-Jeghers – 0,2
  • gastrointestinale stromatumor van de slokdarm (GIST van de oesofagus) – 0,2
  • POEMS syndroom – 0,2
  • syndroom van Ogilvie (idiopathische intestinale pseudo-obstructie) – 0,2
  • tekort aan bloedplaatjes bij pasgeborenen door antilichaamreactie (neonatale allo-immuuntrombocytopenie) – 0,2
  • tekort aan fosfaat in het bloed (hypofosfatemie) – 0,2
  • ziekte van Moschcowitz (trombotische trombocytopenische purpura) – 0,2
  • mantelcellymfoom – 0,2
  • purpura fulminans – 0,2
  • aangeboren toxoplasmose (congenitale toxoplasmose) – 0,2
  • erythroblastosis foetalis – 0,2
  • Middellandse zeekoorts (familiaire mediterrane koorts) – 0,2
  • nierbekkenontsteking met gasvorming rond de nieren (emfysemateuze pyelonefritis) – 0,2
  • ziekte van Waldenström (macroglobulinemie van Waldenström) – 0,2
  • sikkelcelziekte (sikkelcelanemie) – 0,1
  • gastrinoom van de dunne darm – 0,1
  • onyalai – 0,1
  • vernauwing van de mitraalklep (mitralisstenose) – 0,1
  • gebruik van Brilique (ticagrelor) – 0,1
  • antifosfolipidensyndroom – 0,1
  • bloeding in het ruggenmerg (hematorrachie) – 0,1
  • bloedvergiftiging door Streptococcus pyogenes (Streptococcus pyogenes sepsis) – 0,1
  • gebruik van ifosfamide – 0,1
  • gebruik van Rapamune (sirolimus) – 0,1
  • hart met onderontwikkelde linker kamer (hypoplastisch linkerhart syndroom) – 0,1
  • marginalezonelymfoom (milt-marginale zone B-cel lymfoom) – 0,1
  • syndroom van DiGeorge – 0,1
  • syndroom van Scott – 0,1
  • tekort aan bloedplaatjes door heparine (heparine-geïnduceerde trombocytopenie) – 0,1
  • tekort aan bloedplaatjes door infectie met de Helicobacter-bacterie (H. pylori-geïnduceerde trombocytopenie) – 0,1
  • toxoplasmose (systemische toxoplasmose) – 0,1
  • trombose in de lever (trombose in de lever) – 0,1
  • tropische splenomegalie-syndroom – 0,1
  • verbindweefseling van het spierweefsel van het hart (endomyocardiale fibrose) – 0,1
  • marmerbeenziekte (osteopetrose) – 0,1
  • asbestziekte (asbestose) – 0,1
  • Lady Windermere-syndroom (pulmonale Mycobacterium avium complex infectie) – 0,1
  • primaire scleroserende cholangitis – 0,1
  • ziekte van Weil (leptospirose) – 0,1
  • angioimmunoblastair T-cel lymfoom – 0,1
  • TAR-syndroom – 0,1
  • thyreotoxische crisis – 0,1
  • aplastische anemie – 0,1
  • atypisch hemolytisch uremisch syndroom (atypische HUS) – 0,1
  • ziekte van Chagas – 0,1
  • gastrointestinale stromatumor van de dikke darm (GIST van de dikke darm) – 0,1
  • haarcelleukemie (hairy-cell-leukemie) – 0,1
  • aangeboren herpesinfectie (congenitale herpes) – 0,1
  • aangeboren vernauwing van de grote lichaamsslagader (coarctatio aortae) – 0,1
  • alfa-thalassemie – 0,1
  • beta-thalassemie – 0,1
  • buiktyfus – 0,1
  • hantavirus-infectie – 0,1
  • hemangioom van de dikke darm (hemangioom van het colon) – 0,1
  • hemolytisch uremisch syndroom (volwassen vorm) – 0,1
  • overgevoelig voor heparine (allergische reactie op heparine) – 0,1
  • paratyfus – 0,1
  • spierdystrofie van Duchenne (musculaire dystrofie van Duchenne) – 0,1
  • syndroom van Budd-Chiari – 0,1
  • tekort aan het enzym alfa-mannosidase (alfa-mannosidose) – 0,1
  • histoplasmose – 0,05
  • zwarte koorts (viscerale leishmaniasis) – 0,04
  • aangeboren verbindweefseling van de lever (congenitale leverfibrose) – 0,04
  • babesiose – 0,04
  • cryoglobulinemie type II – 0,04
  • loopgravenkoorts (infectie met Bartonella quintana) – 0,04
  • lupussyndroom bij pasgeboren baby (neonataal lupussyndroom) – 0,04
  • ziekte van Castleman – 0,04
  • ziekte van Wilson (hepatolenticulaire degeneratie) – 0,04
  • mijnworminfectie (ancylostomiasis) – 0,04
  • hemofilie A (factor VIII-deficiëntie) – 0,03
  • aspirin-like defect – 0,03
  • cryoglobulinemie type III – 0,03
  • mestcelziekte (systemische mastocytose) – 0,03
  • promyelocytenleukemie – 0,03
  • syndroom van Bernard-Soulier – 0,03
  • syndroom van Lambert-Eaton – 0,03
  • ziekte van Glanzmann (Glanzmann-thrombastenie) – 0,03
  • aangeboren amegakaryocytaire trombocytopenie (congenitale amegakaryocytaire trombocytopenie) – 0,02
  • aangeboren syfilis (congenitale syfilis) – 0,02
  • aanvalsgewijze nachtelijke hemoglobinurie (paroxismale nachtelijke hemoglobinurie) – 0,02
  • Afrikaanse slaapziekte (trypanosomiasis) – 0,02
  • auto-immuun enteropathie – 0,02
  • chikungunya – 0,02
  • CREST-syndroom (limited cutaneous sclerosis) – 0,02
  • Langerhanscelhistiocytose – 0,02
  • leverbotinfectie (fascioliasis) – 0,02
  • eosinofiele fasciitis  – 0,02
  • gebruik van eptifibatide (Integrelin) – 0,02
  • gebruik van tirofiban (Aggrastat) – 0,02
  • HSE-syndroom (hemorragische shock encefalopathie-syndroom) – 0,02
  • IgD-multipel myeloom – 0,02
  • storage pool disease – 0,02
  • subcutaan panniculitis-achtig T-cellymfoom – 0,02
  • syndroom van Evans – 0,02
  • T-LGL-leukemie – 0,02
  • verworven hemofagocytair syndroom (secundaire hemofagocytaire lymfohistiocytose) – 0,02
  • ziekte van Whipple – 0,02
  • myeloproliferatieve ziekten – 0,02
  • syndroom van Schmidt (polyglandulair auto-immuunsyndroom type II) – 0,02
  • syndroom van Sézary – 0,02
  • gebruik van etacrynezuur (Edecrin) – 0,02
  • koortsaanvallen na tekenbeet (febris recurrens door Borrelia recurrentis) – 0,01
  • sarcoom van bloedvaten in de lever (hemangioendotheliaal sarcoom van de lever) – 0,01
  • ziekte van Niemann-Pick – 0,01
  • koortsaanvallen na luizenbeet (febris recurrens door Borrelia duttoni) – 0,01
  • acute erytremie en erytroleukemie – 0,01
  • endemische vlektyfus – 0,01
  • hersenvliesontsteking door Toscana-virus (meningitis door Toscana-virus) – 0,01
  • lymfeklierkanker in de bloedvaten (intravasculair lymfoom) – 0,01
  • megakaryoblastaire leukemie – 0,01
  • refeeding-syndroom – 0,01
  • syndroom van Kasabach-Merritt – 0,01
  • wandelende milt (ectopische milt) – 0,01
  • aangeboren tekort aan carnitine (primaire carnitinedeficiëntie) – 0,01
  • arseenvergiftiging (arsenicumintoxicatie) – 0,01
  • Fanconi anemie – 0,01
  • ross-river-virus infectie – 0,01
  • stralingsziekte (acute stralingsziekte) – 0,01
  • syndroom van Morquio (mucopolysacharidose IV) – 0,01
  • ziekte van Gaucher – 0,01
  • gele koorts (gele koorts) – 0,01
  • erytropoëtische protoporfyrie (erythropoëtische protoporfyrie) – 0,01
  • hemofilie B (factor IX-deficiëntie) – 0,01
  • syndroom van Sanfilippo (mucopolysacharidose III) – 0,01
  • aangeboren tekort aan transcobalamine-II (congenitale transcobalamine-II-deficientie) – 0,004
  • chronisch lijmsnuiven – 0,004
  • draaiing van de miltslagader (torsie van de arteria lienalis) – 0,004
  • dyskeratosis congenita – 0,004
  • ehrlichiose (humane monocytaire ehrlichiose) – 0,004
  • hemofilie C (factor XI-deficiëntie) – 0,004
  • hepatosplenaal gamma/delta-lymfoom (hepatosplenaal gamma/delta-lymfoom) – 0,004
  • NK-LGL-leukemie – 0,004
  • polyglandulair auto-immuunsyndroom type I – 0,004
  • syndroom van Hoyeraal-Hreidarsson (progressieve pancytopenie-immuundeficiëntie-cerebellaire hypoplasie) – 0,004
  • syndroom van Schnitzler – 0,004
  • tekort aan transcobalamine 2 (transcobalamine 2-deficiëntie) – 0,004
  • verbindweefseling van het beenmerg met verlaagd aantal bloedcellen (acute panmyelose met myelofibrose) – 0,004
  • ziekte van Keshan – 0,004
  • ziekte van Maroteaux-Lamy (mucopolysacharidose type VI) – 0,004
  • dyserytropoëtische anemie met trombocytopenie – 0,004
  • syndroom van Epstein – 0,003
  • Blackfan-Diamond-anemie (constitutionele aplastische anemie) – 0,003
  • syndroom van Hunter (mucopolysacharidose type II) – 0,003
  • ziekte van Sandhoff – 0,003
  • apenmalaria (Plasmodium knowlesi infectie) – 0,002
  • auto-immuun lymfoproliferatief syndroom type Ia – 0,002
  • auto-immuun lymfoproliferatief syndroom type II – 0,002
  • scrubtyfus – 0,002
  • sodoku (spirillose) – 0,002
  • syndroom van Axenfeld-Rieger – 0,002
  • syndroom van Barth (3-methylglutaconacidurie type 1) – 0,002
  • ziekte van Tangier (familiaire alfa-lipoproteïne deficiëntie) – 0,002
  • Argentijnse hemorragische koorts – 0,001
  • Boliviaanse hemorragische koorts – 0,001
  • lymfocytaire choriomeningitis – 0,001
  • syndroom van Hermansky-Pudlak – 0,001
  • syndroom van Alström – 0,001
  • leukocyte adhesion deficiency type 3 – 0,001
  • syndroom van Wiskott-Aldrich – 0,0004
  • SFTS-bunyavirus-infectie – 0,0002
  • fytosterolemie – 0,0001

Synoniemen zwarte ontlasting: zwarte verkleuring van de ontlasting, melena, melaena, zwartverkleuring van de ontlasting, zwarte poep, teerachtige ontlasting, zwartgekleurde ontlasting, zwartkleurige ontlasting, donkere ontlasting, heel donkere ontlasting, ontlasting kleurt zwart, zwarte feces, zwarte faeces


Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 6 april 2015
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 24 februari 2017

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *