Verwardheid

Verwardheid als Symptoom

De meeste mensen komen wel eens verward over, bijvoorbeeld als ze net uit bed komen of als ze ‘te diep in het glaasje hebben gekeken’.

Verwardheid kan echter ook voorkomen als symptoom van een ziekte, of als bijwerking van medicijnen. Daarover gaat deze webpagina.

Aanhoudende verwardheid is altijd een reden om de (huis)arts te bezoeken. De arts kan onderzoeken wat de onderliggende oorzaak is.

Als iemand flink in de war raakt door een onderliggende ziekte spreken artsen vaak over een ‘delier’.

Oorzaken Verwardheid

Er zijn zeer veel verschillende oorzaken voor het optreden van verwardheid. De meeste oorzaken vallen onder één van de volgende groepen.

  • Gebruik van alchohol: dronkenschap of alcoholverslaving;
  • Verlaagd glucose gehalte in het bloed (hypoglycemie): dit kan voorkomen bij mensen met diabetes die insuline spuiten;
  • Aandoening van de hersenen: voorbeelden zijn de ziekte van Alzheimer, de ziekte van Parkinson, beroerte, hersenschudding, of een hersentumor;
  • Infectie met hoge koorts: bijvoorbeeld longontsteking of sepsis;
  • Gebruik van bepaalde geneesmiddelen: medicijnen die verwardheid kunnen veroorzaken zijn onder andere bepaalde antidepressiva en antipsychotica, slaapmiddelen en kalmerende middelen, en bepaalde middelen tegen hooikoorts;
  • Blaasretentie: ophoping van urine in een overvolle blaas kan ook leiden tot verwardheid.

Wat is de behandeling?

Er is geen algemene behandeling tegen ‘verwardheid’. Het is daarom van belang om de onderliggende oorzaak te achterhalen. Dit kan door meer informatie te krijgen over patiënt, lichamelijk onderzoek te doen, en eventueel aanvullend onderzoek aan te vragen.

Informatie over de patiënt

De arts heeft verschillende mogelijkheden om de oorzaak van de verwardheid te achterhalen. In de eerste plaats is het van belang om meer informatie te krijgen over de patiënt. Omdat de patiënt zelf verward is zal die informatie vaak van mensen uit de nabije omgeving van de patiënt moeten komen. Dat kan bijvoorbeeld een partner of familielid zijn.

De arts zal ook nagaan of bepaalde geneesmiddelen worden gebruikt die verwardheid kunnen veroorzaken.

Lichamelijk onderzoek

Bij lichamelijk onderzoek beoordeelt de arts of er afwijkingen zijn die op een bepaalde oorzaak van de verwardheid kunnen wijzen. Zo kunnen bij iemand met een aandoening van de hersenen bepaalde spieren of zenuwen uitgevallen zijn. En bij iemand met een longontsteking zullen meestal afwijkingen met de stethoscoop hoorbaar zijn.

Aanvullend onderzoek

Bloedonderzoek, urineonderzoek en beeldvormend onderzoek worden vaak aangevraagd bij patiënten die verward zijn.

Vaak zal bij een verward persoon bloed worden geprikt om het glucose gehalte van het bloed te bepalen. Een verlaagd glucose gehalte in het bloed komt namelijk regelmatig voor als oorzaak van verwardheid.

Behandeling verwardheid

Er bestaat geen geneesmiddel waarmee verwardheid wordt behandeld. Daarom wordt altijd eerst naar een oorzaak gezocht voordat behandeld kan worden. De behandeling is dus afhankelijk van de onderliggende oorzaak.


Synoniemen voor verwardheid zijn verward, verwarring, in de war zijn, in de war raken, delier, delirium, verwarring, incoherentie, confuus, confusie, in de war, mentale verwardheid, verstrooid, mentale verwardheid, verwardheidstoestand, verwarde toestand, verwarring, verstrooidheid


Verwardheid – Differentiaal Diagnose (DD)

Hieronder een uitgebreide differentiaaldiagnose van het symptoom ‘verwardheid’. Het getal achter de diagnose is een schatting van het aantal mensen dat jaarlijks in Nederland vanwege die oorzaak verward raakt.

Regelmatig voorkomende oorzaken van verwardheid: >100/jaar
Zeldzame oorzaken van verwardheid: <100/jaar
  • veteranenziekte (legionella-pneumonie) – 90
  • gebruik van Zaldiar (tramadol + paracetamol) – 90
  • gebruik van Zelitrex (valaciclovir) – 90
  • alcoholische leverziekte – 90
  • gebruik van claritromycine (Klacid) – 87
  • kraambedpsychose (postpartum psychose) – 86
  • te veel kooldioxide in het bloed (hypercapnie) – 84
  • cholesterolpropjes die vastlopen in de bloedvaten (cholesterolembolieën) – 84
  • onderkoeling (hypothermie) – 83
  • gebruik van venlafaxine (Efexor) – 83
  • syndroom van Cushing – 81
  • spierafbraak (rabdomyolyse) – 80
  • vitamine B1-tekort (thiaminedeficiëntie) – 76
  • gebruik van ibuprofen (Brufen) – 74
  • gebruik van angel dust (fencyclidine, PCP) – 72
  • koolmonoxidevergiftiging (acute koolmonoxideintoxicatie) – 70
  • kortdurende psychose (korte reactieve psychose) – 68
  • tekort aan foliumzuur (foliumzuurdeficiëntie) – 65
  • gebruik van imipramine – 63
  • sick sinus syndroom – 62
  • gebarsten aneurysma in de hersenen (geruptureerd intracranieel aneurysma) – 60
  • gebruik van bisoprolol (Emcor) – 60
  • verwonding aan de lever (leverletsel) – 59
  • gegeneraliseerde epileptische aanval (gegeneraliseerd tonisch-clonisch insult) – 58
  • ontsteking van het limbische systeem in de hersenen (limbische encefalitis) – 57
  • toxische-shocksyndroom – 55
  • reactieve hypoglycemie – 54
  • toediening van fentanyl – 54
  • hepatorenaal syndroom – 54
  • overdosis acetylsalicylzuur (salicylaatintoxicatie) – 52
  • bloeding tussen het zachte hersenvlies en het spinnewebvlies (subarachnoïdaal hematoom) – 51
  • ontsteking van de galblaas (acute cholecystitis) – 50
  • obstructieve uropathie – 50
  • steenharde bal ontlasting in de endeldarm (rectale fecoliet) – 50
  • verbranding van de luchtwegen (inhalatietrauma) – 50
  • anafylactische reactie (anafylactische reactie) – 48
  • metallose van de heup (metallose van het heupgewricht) – 48
  • gebruik van nitrofurantoïne (Furabid / Furadantine) – 45
  • gebruik van fentanyl tabletten of zuigtabletten (Abstral, Actiq, Breakyl, Effentora, Recivit) – 43
  • spontaan gescheurde milt (spontane miltruptuur) – 37
  • chronische koolmonoxidevergiftiging (chronische koolmonoxideintoxicatie) – 37
  • overgevoelig voor geneesmiddelen (geneesmiddelallergie) – 36
  • aantasting van de hersenen door ziekte van de lever (hepatische encefalopathie) – 35
  • methanolvergiftiging (methanolintoxicatie) – 35
  • gebruik van oxybutynine tabletten – 34
  • chronische traumatische encefalopathie (chronische traumatische encefalopathie) – 34
  • afsterven van de nierbuisjes (acute tubulusnecrose) – 33
  • bloedvergiftiging door Streptococcus pyogenes (Streptococcus pyogenes sepsis) – 32
  • ontsteking van de hersenen door herpes virus (herpes encefalitis) – 32
  • hoge bloeddruk door vernauwing van de nierslagaders (renovasculaire hypertensie) – 32
  • vastzittende ontlasting (fecale impactie) – 30
  • gebruik van spironolacton (Aldacton) – 28
  • ziekte van Moschcowitz (trombotische trombocytopenische purpura) – 27
  • methemoglobinemie (verworven methemoglobinemie) – 27
  • non-Hodgkin lymfoom – 26
  • reversibele posterieure-leukencefalopathiesyndroom – 25
  • subduraal hygroom – 25
  • ontsteking van het limbische systeem in de hersenen met antistoffen tegen VGKC (limbische encefalitis met anti-VGKC-antistoffen) – 25
  • gebruik van LSD – 23
  • verstopping van de bovenste holle ader (vena cava superior syndroom) – 22
  • chronisch nierfalen (chronische nierinsufficiëntie) – 21
  • syndroom van Waterhouse-Friderichsen – 21
  • gebruik van zopiclon (Imovane) – 21
  • bloeding tussen het harde hersenvlies en het spinnewebvlies (acuut subduraal hematoom) – 21
  • glioblastoom (glioblastoma multiforme) – 21
  • aseptische meningitis door geneesmiddelen (geneesmiddelen-geïnduceerde aseptische meningitis) – 20
  • reversibele cerebrale vasoconstrictiesyndroom – 19
  • Q-koorts (acute Q-koorts) – 19
  • gebruik van Xyrem (natriumoxybaat) – 19
  • sarcoïdose van het zenuwstelsel (neurosarcoïdose) – 18
  • bloeding tussen het harde hersenvlies en de schedel (epiduraal hematoom) – 18
  • gebruik van ethambutol – 18
  • gebruik van ranitidine (Zantac) – 18
  • aluminiumvergiftiging (aluminiumintoxicatie) – 18
  • familiaire hemiplegische migraine – 17
  • sporadische hemiplegische migraine – 17
  • electroconvulsieve therapie (ECT) – 16
  • myxoedeemcoma – 16
  • loodvergiftiging (chronische loodintoxicatie) – 16
  • gebruik van atenolol (Tenormin) – 16
  • overdosis fenytoïne (Diphantoïne) – 16
  • Stendhal-syndroom – 16
  • hemolytisch uremisch syndroom (typische HUS) – 16
  • gebruik van griseofulvine – 15
  • hersenvliesontsteking door stafylokokken (stafylokokken meningitis) – 15
  • insulinoom – 15
  • gescheurde baarmoeder (uterusruptuur) – 15
  • kalkneerslag in de nieren (nefrocalcinose) – 15
  • ontsteking van de hersenen met antistoffen tegen de NMDA-receptor (anti-NMDA-receptor encefalitis) – 15
  • verdrinking – 15
  • D-lactaatacidose – 15
  • digoxine overdosering (digoxine intoxicatie) – 14
  • ziekte van Marchiafava-Bignami (centrale demyelinisering van het corpus callosum) – 14
  • gebruik van lidocaïne – 14
  • mondbodemabces (angina van Ludwig) – 13
  • gebruik van alendroninezuur (Fosamax) – 13
  • gebruik van Sabril (vigabatrine) – 12
  • gebruik van tetrabenazine (Tetmodis, Xenazine) – 12
  • gebruik van memantine (Ebixa, Nemdatine en merkloos) – 11
  • verwijdering van de prostaat via de plasbuis (transurethrale prostatectomie) – 11
  • nierziekte door NSAID’s (NSAID nefropathie) – 10
  • amfetaminevergiftiging (amfetamine-intoxicatie) – 10
  • acute confusional migraine – 10
  • gebruik van zonisamide – 10
Zeer zeldzame oorzaken van verwardheid: <10/jaar
  • splijting van de wand van de grote lichaamsslagader (dissectie van de aorta) – 9
  • gebruik van gabapentine – 9
  • ziekte van Waldenström (macroglobulinemie van Waldenström) – 9
  • SLE (systemische lupus erythematodes) – 8
  • nicotinevergiftiging (nicotine-intoxicatie) – 8
  • progressieve multifocale leuko-encefalopathie – 8
  • gebruik van bumetanide (Burinex) – 8
  • gebruik van valproïnezuur (Depakine, Convulex) – 8
  • gebruik van pregabaline (Lyrica) – 8
  • gecombineerde strengziekte – 7
  • ontsteking van lendenwervel en tussenwervelschijf (lumbale spondylodiscitis) – 7
  • strychninevergiftiging (strychnine-intoxicatie) – 7
  • gebruik van baclofen – 7
  • gebruik van modafinil (Modiodal, Aspendos) – 7
  • schemertoestand (niet-convulsieve status epilepticus) – 7
  • nootmuskaatvergiftiging (nootmuskaat intoxicatie) – 6
  • vergiftiging met kamfer (kamferintoxicatie) – 6
  • aseptische meningitis – 6
  • lucht in de schedel met verhoging van de hersendruk (spanningspneumocefalie) – 6
  • meervoudige systeematrofie (multisysteematrofie) – 6
  • biperideen overdosis (biperideen intoxicatie) – 6
  • hersenabces (cerebraal abces) – 5
  • waterhoofd (hydrocefalus) – 5
  • organisch psychosyndroom (chronische toxische encephalopathie) – 5
  • gebruik van lormetazepam (Loramet) – 5
  • gebruik van nitrazepam (Mogadon) – 5
  • zuurstofvergiftiging (hyperoxie) – 5
  • tekenencefalitis (tekenencefalitis) – 5
  • gebruik van Prialt (ziconotide) – 5
  • overdosis cabergoline (cabergoline intoxicatie) – 5
  • blootstelling aan formaldehydedamp – 5
  • gebruik van Exelon (rivastigmine) – 5
  • ziekte van Huntington (chorea van Huntington) – 4
  • MELAS-syndroom – 4
  • tekort aan alfa-1-antitrypsine (alfa-1-antitrypsine deficiëntie) – 4
  • gebruik van Vimpat (lacosamide) – 4
  • buiktyfus – 4
  • progressieve supranucleaire verlamming (progressieve supranucleaire paralyse) – 4
  • ontsteking van borstwervel en tussenwervelschijf (thoracale spondylodiscitis) – 4
  • syfilis van het zenuwstelsel (neurosyfilis) – 4
  • blootstelling aan tolueen (blootstelling aan tolueen) – 3
  • hypofyse-infarct – 3
  • ziekte van Behçet – 3
  • hersenvliesontsteking door Streptococcus suis (Streptococcus suis-meningitis) – 3
  • nierabces – 3
  • ijzervergiftiging (acute ijzerintoxicatie) – 3
  • gebruik van Cymevene (ganciclovir) – 3
  • blauwzuurvergiftiging (cyanide intoxicatie) – 3
  • aconitine-vergiftiging (aconitine-intoxicatie) – 3
  • vitamine B3-tekort (pellagra) – 3
  • luchtembolie – 3
  • ziekte van Cushing – 3
  • gebruik van Trobalt (retigabine) – 3
  • ziekte van Wilson (hepatolenticulaire degeneratie) – 3
  • gebruik van voriconazol (Vfend) – 3
  • refeeding-syndroom – 3
  • lymfeklierkanker in de hersenen (primair lymfoom van de hersenen) – 3
  • gebruik van cyclizine – 3
  • gebruik van levofloxacine tabletten – 3
  • overdosis opiaten – 2
  • lidocaïneoverdosering (lidocaïne-intoxicatie) – 2
  • vetembolie syndroom – 2
  • cysticercose van het zenuwstelsel (neurocysticercose) – 2
  • ziekte van Creutzfeldt-Jakob – 2
  • syndroom van Reye – 2
  • gebruik van Toviaz (fesoterodine) – 2
  • gebruik van trazodon (Trazolan) – 2
  • maligne antipsychoticasyndroom – 2
  • gebruik van topiramaat – 2
  • misvormde bloedvaten in de hersenen (arterioveneuze malformatie in de hersenen) – 2
  • gebruik van butorfanol (Stadol) – 2
  • dumpingsyndroom (postgastrectomiesyndroom) – 2
  • ontsteking van nekwervel en tussenwervelschijf (cervicale spondylodiscitis) – 2
  • ontsteking van de hersenen door cryptokokken (cryptokokkenencefalitis) – 2
  • dementie door HIV-infectie (HIV-geassocieerde dementie) – 2
  • gebruik van cabergoline (Dostinex) – 2
  • nierfalen door bilirubine (bilirubine-geassocieerde acute nierinsufficiëntie) – 2
  • sponsnieren (medullaire cystenieren) – 2
  • gebruik van famciclovir – 2
  • gebruik van ifosfamide – 1
  • ziekte van Whipple – 1
  • gebruik van biperideen – 1
  • nierbekkenontsteking met gasvorming rond de nieren (emfysemateuze pyelonefritis) – 1
  • gebruik van tacrine – 1
  • gebruik van cyproheptadine – 1
  • gebruik van etacrynezuur (Edecrin) – 1
  • trombose van de sinus sagitalis in de hersenen (cerebrale trombose van de sinus sagittalis superior) – 1
  • proximale renale tubulaire acidose (type 2 renale tubulaire acidose) – 1
  • niercrisis bij sclerodermie (renale crise bij systemische sclerose) – 1
  • semantische dementie – 1
  • aangeboren tekort aan carnitine (primaire carnitinedeficiëntie) – 1
  • distale renale tubulaire acidose – 1
  • koolstofdioxidevergiftiging (exogene CO2-intoxicatie) – 1
  • koortsaanvallen na tekenbeet (febris recurrens door Borrelia recurrentis) – 1
  • MEN-syndroom type I – 1
  • syndroom van Kleine-Levin (recurrente primaire hypersomnia) – 1
  • gebruik van fosinopril (Monopril) – 1
  • Afrikaanse slaapziekte (trypanosomiasis) – 1
  • vergiftiging met absintolie (intoxicatie met absintolie) – 1
  • koortsaanvallen na luizenbeet (febris recurrens door Borrelia duttoni) – 1
  • acute intermitterende porfyrie – 1
  • toxoplasmose (systemische toxoplasmose) – 1
  • craniofaryngioom – 1
  • vislintworm (Diphyllobothrium latum-infectie) – 1
Extreem zeldzame oorzaken van verwardheid: <1/jaar
  • syndroom van Ganser – 0,6
  • tumefactieve demyeliniserende afwijking – 0,5
  • gebruik van famotidine – 0,5
  • gebruik van quinapril – 0,5
  • gebruik van ramipril – 0,5
  • mixed connective tissue disease – 0,5
  • gebruik van dexamfetamine (Amfexa) – 0,5
  • inname van bilzekruid (Hycoscyamus niger) – 0,4
  • cholera – 0,4
  • cryptokokkeninfectie van de longen (pulmonale cryptokokkeninfectie) – 0,4
  • ziekte van Hartnup – 0,3
  • gebruik van pembrolizumab (Keytruda) – 0,3
  • gebruik van roxitromycine – 0,3
  • aangeboren methemoglobinemie type II (congenitale methemoglobinemie type II) – 0,3
  • Japanse encefalitis – 0,3
  • parkinsonisme na een ontsteking aan de hersenen (postencefalitisch parkinsonisme) – 0,3
  • volwassen T-cel leukemie/lymfoom – acute vorm – 0,3
  • aantasting van de zenuwschede van zenuwcellen in de hersenstam (centrale pontiene myelinolyse) – 0,3
  • gebruik van doxylamine – 0,3
  • gebruik van levofloxacine infusievloeistof – 0,3
  • gebruik van NeoRecormon (epoëtine bèta) – 0,3
  • gebruik van Retrovir (zidovudine) – 0,3
  • gebruik van Yervoy (ipilimumab) – 0,2
  • murray-valley-encefalitis – 0,2
  • syndroom van Morvan – 0,2
  • anaplastische schildklierkanker (anaplastische schildkliercarcinoom) – 0,2
  • syndroom van Bing-Neel – 0,2
  • gebruik van zoledroninezuur (Aclasta) – 0,2
  • gebruik van zoledroninezuur (Zometa) – 0,2
  • essentiële cryoglobulinemische vasculitis – 0,2
  • duikersziekte (decompressieziekte) – 0,2
  • gebruik van Victrelis (boceprevir) – 0,2
  • West-Nijl koorts (West-Nijl virusinfectie) – 0,2
  • gebruik van midodrine (Gutron) – 0,2
  • lassakoorts – 0,2
  • aangeboren afwijking in de ureumcyclus (congenitaal defect in de ureumcyclus) – 0,2
  • ziekte van Dercum (lipomatosis dolorosa) – 0,2
  • infectie van de hersenen met Naegleria fowleri (primaire amoeben meningoencefalitis) – 0,1
  • syndroom van Crigler-Najjar – 0,1
  • syndroom van Crigler-Najjar type II – 0,1
  • citrullinemie type 2 – 0,1
  • zwelling van de hersenen door hoogteziekte (hoogte-hersenoedeem) – 0,1
  • syndroom van Susac (retinocochleacerebrale vasculopathie) – 0,1
  • tekort aan het enzym arginosuccinaatlyase (arginosuccinaatlyase deficiëntie) – 0,1
  • tekort aan het enzym arginosuccinaatsynthase (argininosuccinaatsynthase deficiëntie) – 0,1
  • Rocky Mountain spotted fever – 0,09
  • cryptokokkeninfectie door het lichaam (gedissemineerde cryptokokkeninfectie) – 0,07
  • eastern equine encephalitis – 0,06
  • ehrlichiose (humane monocytaire ehrlichiose) – 0,06
  • syndroom van Bartter – 0,04
  • gebruik van deptropine – 0,03
  • ontsteking van de hersenen door het Kunjin virus (Kunjin-encefalitis) – 0,03
  • ziekte van Günther (congenitale erythropoietische porfyrie) – 0,02
  • gebruik van nilotinib (Tasigna) – 0,01
  • gebruik van Leganto (rotigotine) – 0,01
  • gele koorts – 0,007
  • porfyrie door een tekort aan het enzym ALA dehydratase (porfyrie door ALA dehydratase deficiëntie) – 0,001
  • pokken (variola) – 0,0001

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 25 juli 2017
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 25 juli 2017

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *