Vaginaal bloedverlies

Wat is vaginaal bloedverlies?

Met vaginaal bloedverlies wordt bedoeld bloeding uit de vagina die niet wordt veroorzaakt door de menstruatie. Het gaat dus om abnormaal verlies van bloed uit de vagina. Dit kan voorkomen als symptoom van verschillende aandoeningen.

Bloedverlies uit de vagina is niet altijd als zodanig herkenbaar. Het kan namelijk zijn dat het gaat om bloedverlies vanuit de baarmoeder. Het bloed is dan vaak al verkleurd voordat het de vagina verlaat. Het is dan vaak zichtbaar als bruine afscheiding of bruine vlekken in de onderbroek.

Is het ernstig?

Bloedverlies uit de vagina (anders dan menstruatie) is altijd een reden om de huisarts te bezoeken. Het is namelijk onmogelijk om te beoordelen of het ernstig is zonder dat bekend is wat de oorzaak van het bloedverlies is.

De kans dat het vaginale bloedverlies door een kwaadaardige ziekte wordt veroorzaakt is bij jonge vrouwen ongeveer 10%. Na de overgang neemt die kans flink toe met de leeftijd. Bij vrouwen boven de 70 jaar is de kans dat het bloedverlies door een kwaadaardige ziekte wordt veroorzaakt ongeveer 75%.

Oorzaken vaginaal bloedverlies

Er zijn zeer veel verschillende oorzaken voor vaginaal bloedverlies. De meeste oorzaken vallen in één van de volgende categoriën:

  • Doorbraakbloedingen;
  • Afwijkingen tijdens de zwangerschap;
  • Hormoonziekten: bijvoorbeeld polycysteus ovarium syndroom;
  • Bloedstollingsstoornissen: voorbeelden zijn hemofilie, ziekte van Von Willebrand, en de ziekte van Werlhof.
  • Gebruik van bepaalde geneesmiddelen: voorbeelden van geneesmiddelen die vaginaal bloedverlies kunnen veroorzaken zijn bloedverdunners (anticoagulantia) en bepaalde hormonale middelen.
  • Kwaadaardige ziekten: voorbeelden zijn vaginakanker, kanker van het baarmoederslijmvlies (endometriumcarcinoom) en baarmoederhalskanker.

Soms wordt bloedverlies vanuit de plasbuis aangezien voor vaginaal bloedverlies.

Onderaan deze webpagina staat een uitgebreid overzicht van oorzaken voor bloedverlies vanuit de vagina.

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Bij vaginaal bloedverlies zal de arts willen weten wat de oorzaak is. Om daarachter te komen zal de arts vragen stellen aan de patiënt. Verder zal lichamelijk onderzoek met een inwendig onderzoek worden gedaan. Eventueel kan een uitstrijkje van de baarmoedermond worden gemaakt en/of beeldvormend onderzoek worden aangevraagd.

Als op grond van de resultaten wordt gedacht aan een ziekte van de vrouwelijke voortplantingsorganen zal vaak worden verwezen naar een gynecoloog. De gynecoloog zal uitgebreider inwendig onderzoek van de vagina doen. Dit wordt ‘colposcopie’ genoemd.

colposcopie bij vaginaal bloedverlies

Als tijdens colposcopie afwijkingen worden gezien kan de gynecoloog besluiten een stukje weefsel uit de afwijking weg te nemen. Dit wordt ‘biopsie’ genoemd. Het stukje weefsel – ‘biopt’ – wordt vervolgens door een patholoog-anatoom onder de microscoop bekeken. Op grond van de afwijkingen die daarbij worden gezien kan meestal een diagnose worden gesteld.

Ook kan de arts aanvullend onderzoek aanvragen, zoals bloedonderzoek, onderzoek van de urine en beeldvormend onderzoek.

Engelse vertaling

vaginal bleeding, vaginal blood loss

Synoniemen van vaginaal bloedverlies zijn bloed uit de vagina, bloedverlies uit de vagina, bloedverlies vagina, fluxus, bloeden uit de vagina, bloedverlies tussen de menstruaties, vaginale bloeding, vaginale bloedingen, en bloederige afscheiding uit de vagina.


Vaginaal Bloedverlies – Differentiaal Diagnose (DD)

Hieronder een overzicht van oorzaken voor bloedverlies uit de vagina. Het getal achter de oorzaak is een schatting van het aantal vrouwen dat jaarlijks in Nederland vanwege die oorzaak vaginaal bloedverlies heeft.

Vaak voorkomende oorzaken voor vaginaal bloedverlies: >1.000/jaar

Minder vaak voorkomende oorzaken van vaginaal bloedverlies: <1.000/jaar

  • doorbraakbloeding bij pilgebruik – 915
  • placentaloslating (abruptio placentae) – 775
  • ontsteking van het baarmoederslijmvlies (endometritis) – 760
  • kanker van het baarmoederslijmvlies (endometriumcarcinoom) – 754
  • voorliggende placenta (placenta previa) – 616
  • baarmoederpoliep (uteruspoliep) – 565
  • uitstulping van het baarmoederhalsslijmvlies (ectropion van de cervix) – 542
  • hyperplasie van het baarmoederslijmvlies (endometriumhyperplasie) – 475
  • vastzittende placenta (placenta accreta) – 470
  • gebruik van cyproteron met oestrogeen (Diane-35) – 450
  • ontsteking in het kleine bekken (acute pelvic inflammatory disease) – 380
  • zwangerschap (graviditeit) – 380
  • bloeding in de eileider (hematosalpinx) – 345
  • eierstokkanker (ovariumcarcinoom) – 321
  • gebruik van acetylsalicylzuur (Aspirine) – 320
  • ontsteking van de baarmoederhals (cervicitis) – 294
  • endometriose – 228
  • baarmoederhalskanker (cervixcarcinoom) – 208
  • gebruik van antikankermiddelen (chemotherapie) – 200
  • gebruik van ibuprofen (Brufen) – 148
  • gebruik van spiraaltje – 145
  • gebruik van oestrogenen (Dagynil, Premarin) – 135
  • gebruik van fyto-oestrogenen – 125
  • voorwerp in de vagina (corpus alienum in de vagina) – 120
  • kraamvrouwenkoorts (maternale sepsis) – 111
  • hoge bloeddruk (essentiële hypertensie) – 110
  • adenomateuze hyperplasie van endometrium – 107

Zeldzame oorzaken van vaginaal bloedverlies: <100/jaar

Zeer zeldzame oorzaken van vaginaal bloedverlies: <10/jaar

  • ziekte van Von Willebrand – type 3 – 9
  • levercirrose – 9
  • gebruik van Eliquis (apixaban) – 9
  • gebruik van fenytoïne (Diphantoïne) – 8
  • granulosaceltumor (granulosaceltumor) – 7
  • achterblijven van placenta-achtig weefsel in de baarmoeder (persisterende trofoblast) – 6
  • kanker van glad spierweefsel van de baarmoeder (leiomyosarcoom van de uterus) – 5
  • sarcoïdose – 5
  • gescheurde vagina (vaginaruptuur) – 5
  • HAIR-AN syndroom (hyperandrogene-insulineresistente-acanthosis nigricanssyndroom) – 5
  • inclusiecyste van de vagina (vaginale inclusiecyste) – 5
  • toxocariasis – 5
  • kanker van restantjes moederkoek (choriocarcinoom) – 5
  • ectopische HCG-productie – 5
  • vernauwing van de aortaklep (aortakleptstenose) – 4
  • gebruik van amiodaron (Cordarone) – 4
  • carcinosarcoom van de baarmoeder (carcinosarcoom van de uterus) – 4
  • maligne hypertensie – 3
  • aantasting van het hart door hoge bloeddruk (hypertensieve hartziekte) – 3
  • gebruik van Pradaxa (dabigatran) – 3
  • tekort aan het enzym glucose-6-fosfaat dehydrogenase (glucose-6-fosfaat dehydrogenase deficiëntie) – 3
  • gebruik van colchicine – 3
  • aanhoudende ontsteking van de alvleesklier (chronische pancreatitis) – 3
  • slecht werkende lever (acuut leverfalen) – 3
  • ontsteking van het hartzakje door bacterie (bacteriële pericarditis) – 2
  • overdosis XTC (ecstasy intoxicatie) – 2
  • trombose van de poortader (vena porta trombose) – 2
  • verhoogde druk in de longslagader veroorzaakt door andere ziekte (secundaire pulmonale hypertensie) – 2
  • gebruik van Arimidex (anastrozol) – 2
  • ziekte van Kahler (multipel myeloom) – 2
  • hemofilie A (factor VIII-deficiëntie) – 2
  • bloedvergiftiging door een katheter in een bloedvat (lijnsepsis) – 2
  • gebruik van leflunomide (Arava) – 2
  • gebruik van vincristine (Oncovin) – 2
  • hartaanval van de achterwand van het hart (achterwandinfarct) – 2
  • HELLP-syndroom – 2,0
  • tekort aan fosfaat in het bloed (hypofosfatemie) – 2,0
  • ijzerstapelingsziekte (hemochromatose) – 1,9
  • gebruik van Ammonaps (fenylbutyraat) – 1,6
  • chronische hepatitis C – 1,5
  • kattenkrabziekte – 1,5
  • syfilis (primaire syfilis) – 1,4
  • gestationeel choriocarcinoom – 1,4
  • SLE (systemische lupus erythematodes) – 1,3
  • syndroom van Wolff-Parkinson-White – 1,3
  • viskruikinfarct (takotsubo cardiomyopathie) – 1,3
  • abnormaal schildklierweefsel in de eierstok (struma ovarii) – 1,3
  • chronische lymfatische leukemie (chronische lymfatische B-celleukemie) – 1,3
  • gebruik van abciximab (ReoPro) – 1,3
  • syndroom van Sjögren (primair Sjögren-syndroom) – 1,2
  • vitamine B1-tekort (thiaminedeficiëntie) – 1,2
  • infectie in het hart (infectieuze endocarditis) – 1,1
  • myelodysplastisch syndroom – 1,1
  • wondergezwel van de eierstok (ovariumteratoom) – 1,1
  • folliculair lymfoom – 1,0
  • compartimentsyndroom van de buik (abdominaal compartimentsyndroom) – 1,0
  • gebruik van fentanyl tabletten of zuigtabletten (Abstral, Actiq, Breakyl, Effentora, Recivit) – 1,0
  • gebruik van sulfasalazine – 1,0
  • infectie door parvovirus B19 – 1,0

Extreem zeldzame oorzaken van vaginaal bloedverlies: <1/jaar

  • spataderen in de plasbuis (varices in de urethra) – 0,9
  • acute myeloïde leukemie – 0,9
  • ziekte van Werlhof (idiopathische trombocytopenische purpura) – 0,9
  • lymfeklierkanker (maligne lymfoom) – 0,8
  • ziekte van Hodgkin (Hodgkin-lymfoom) – 0,8
  • endometriumatrofie – 0,8
  • afsterven van weefsel in de milt door slechte doorbloeding (miltinfarct) – 0,7
  • gebruik van mesalazine (Asacol, Pentasa, Salofalk) – 0,7
  • HIV-infectie (acute HIV-infectie) – 0,7
  • essentiële trombocytemie – 0,7
  • verbindweefseling van het beenmerg (primaire myelofibrose) – 0,6
  • uitstulping van de plasbuis in de vagina (urethraprolaps) – 0,6
  • polycytemie (polycytemia vera) – 0,6
  • carcinoïd – 0,6
  • mixed connective tissue disease – 0,6
  • syndroom van Guillain-Barré – 0,6
  • aangeboren cytomegalie (congenitale cytomegalovirusinfectie (symptomatisch)) – 0,5
  • gebruik van paclitaxel – 0,5
  • jeugdreuma (juveniele idiopathische artritis) – 0,5
  • koolmonoxidevergiftiging (acute koolmonoxideintoxicatie) – 0,5
  • verstijving van de hartspier (restrictieve cardiomyopathie) – 0,5
  • huidbloedingen na bloedtransfusie (posttransfusie purpura) – 0,5
  • chronische myeloïde leukemie – 0,5
  • malaria – 0,5
  • syndroom van Shwachman-Diamond – 0,4
  • verbindweefseling van de lever door verstopping in de galkanaaltjes (primaire biliaire cirrose) – 0,4
  • hemolytisch uremisch syndroom (typische HUS) – 0,4
  • overdosis acetylsalicylzuur (salicylaatintoxicatie) – 0,4
  • rhesusziekte (rhesus antagonisme) – 0,4
  • knokkelkoorts (dengue) – 0,4
  • aspirin-like defect – 0,4
  • hemofilie B (factor IX-deficiëntie) – 0,4
  • vitamine E-vergiftiging (hypervitaminose E) – 0,4
  • auto-immuun hemolytische anemie – 0,3
  • acute lymfatische leukemie – 0,3
  • gebruik van Copaxone (glatirameer) – 0,3
  • gebruik van mycofenolaatmofetil (CellCept) – 0,3
  • gebruik van mycofenolzuur (Myfortic) – 0,3
  • polyarteritis nodosa van de huid (cutane polyarteritis) – 0,3
  • serumziekte door geneesmiddelen – 0,3
  • spataderen in de maag (fundusvarices) – 0,3
  • toxisch megacolon – 0,3
  • vernauwing van de mitraalklep (mitralisstenose) – 0,3
  • syndroom van Eisenmenger – 0,3
  • syndroom van Felty – 0,3
  • myeloproliferatieve ziekten – 0,3
  • erfelijke hypofibrinogenemie (hereditaire hypofibrinogenemie) – 0,3
  • polyarteritis nodosa – 0,3
  • primaire amyloïdose – 0,3
  • acute monocytaire leukemie – 0,3
  • hemofilie C (factor XI-deficiëntie) – 0,2
  • trombose van de miltader (vena lienalis trombose) – 0,2
  • grijze bloedplaatjes syndroom (gray platelet syndroom) – 0,2
  • POEMS syndroom – 0,2
  • syndroom van Ogilvie (idiopathische intestinale pseudo-obstructie) – 0,2
  • tekort aan bloedplaatjes bij pasgeborenen door antilichaamreactie (neonatale allo-immuuntrombocytopenie) – 0,2
  • ziekte van Moschcowitz (trombotische trombocytopenische purpura) – 0,2
  • mantelcellymfoom – 0,2
  • purpura fulminans – 0,2
  • aangeboren toxoplasmose (congenitale toxoplasmose) – 0,2
  • erythroblastosis foetalis – 0,15
  • gebruik van Brilique (ticagrelor) – 0,15
  • Middellandse zeekoorts (familiaire mediterrane koorts) – 0,15
  • nierbekkenontsteking met gasvorming rond de nieren (emfysemateuze pyelonefritis) – 0,15
  • ziekte van Waldenström (macroglobulinemie van Waldenström) – 0,15
  • aangeboren vernauwing van de grote lichaamsslagader (coarctatio aortae) – 0,13
  • sikkelcelziekte (sikkelcelanemie) – 0,13
  • antifosfolipidensyndroom – 0,10
  • bloedende spataderen in de maag (bloedende fundusvarices) – 0,10
  • bloeding in het ruggenmerg (hematorrachie) – 0,10
  • bloedvergiftiging door Streptococcus pyogenes (Streptococcus pyogenes sepsis) – 0,10
  • gebruik van ifosfamide – 0,10
  • gebruik van Rapamune (sirolimus) – 0,10
  • hart met onderontwikkelde linker kamer (hypoplastisch linkerhart syndroom) – 0,10
  • marginalezonelymfoom (milt-marginale zone B-cel lymfoom) – 0,10
  • syndroom van DiGeorge (22q11.2-deletiesyndroom) – 0,10
  • tekort aan bloedplaatjes door infectie met de Helicobacter-bacterie (H. pylori-geïnduceerde trombocytopenie) – 0,10
  • toxoplasmose (systemische toxoplasmose) – 0,10
  • tropische splenomegalie-syndroom – 0,10
  • verbindweefseling van het spierweefsel van het hart (endomyocardiale fibrose) – 0,10
  • ziekte van Rendu-Osler-Weber (hereditaire hemorrhagische teleangiëctasie) – 0,10
  • gebruik van hormoonvervangende middelen (HRT) – 0,09
  • gebruik van selective oestrogen receptor modulators – 0,09
  • asbestziekte (asbestose) – 0,08
  • haarcelleukemie (hairy-cell leukemie) – 0,08
  • Lady Windermere-syndroom (pulmonale Mycobacterium avium complex infectie) – 0,08
  • primaire scleroserende cholangitis – 0,08
  • syndroom van Heyde – 0,08
  • ziekte van Weil (leptospirose) – 0,08
  • angioimmunoblastair T-cel lymfoom – 0,08
  • thyreotoxische crisis – 0,08
  • mestcelziekte (systemische mastocytose) – 0,07
  • aplastische anemie – 0,07
  • atypisch hemolytisch uremisch syndroom (atypische HUS) – 0,07
  • ziekte van Chagas – 0,06
  • trombose van de leverader (vena hepatica trombose) – 0,06
  • embryonale cyste van ligamentum latum – 0,06
  • embryonale cyste van tuba Fallopii – 0,06
  • aangeboren herpesinfectie (congenitale herpes) – 0,05
  • alfa-thalassemie – 0,05
  • beta-thalassemie – 0,05
  • buiktyfus – 0,05
  • hantavirus-infectie – 0,05
  • hemangioom van de dikke darm (hemangioom van het colon) – 0,05
  • hemolytisch uremisch syndroom (volwassen vorm) – 0,05
  • overgevoelig voor heparine (allergische reactie op heparine) – 0,05
  • paratyfus – 0,05
  • spierdystrofie van Duchenne (musculaire dystrofie van Duchenne) – 0,05
  • syndroom van Budd-Chiari – 0,05
  • tekort aan bloedplaatjes door heparine (heparine-geïnduceerde trombocytopenie) – 0,05
  • tekort aan het enzym alfa-mannosidase (alfa-mannosidose) – 0,05
  • histoplasmose – 0,05
  • syndroom van Scott – 0,05
  • TAR-syndroom – 0,04
  • zwarte koorts (viscerale leishmaniasis) – 0,04
  • aangeboren verbindweefseling van de lever (congenitale leverfibrose) – 0,04
  • babesiose – 0,04
  • cryoglobulinemie type II – 0,04
  • loopgravenkoorts (infectie met Bartonella quintana) – 0,04
  • lupussyndroom bij pasgeboren baby (neonataal lupussyndroom) – 0,04
  • ziekte van Castleman (ziekte van Castleman) – 0,04
  • ziekte van Wilson (hepatolenticulaire degeneratie) – 0,04
  • mijnworminfectie (ancylostomiasis) – 0,04
  • congenital disorder of glycosylation type Ia – 0,04
  • dengue hemorrhagische koorts – 0,03
  • syndroom van McCune-Albright – 0,03
  • cryoglobulinemie type III – 0,03
  • promyelocytenleukemie – 0,03
  • ziekte van Glanzmann (Glanzmann-thrombastenie) – 0,03
  • syndroom van Bernard-Soulier – 0,03
  • onyalai) – 0,03
  • aangeboren amegakaryocytaire trombocytopenie (congenitale amegakaryocytaire trombocytopenie) – 0,02
  • aangeboren syfilis (congenitale syfilis) – 0,02
  • aanvalsgewijze nachtelijke hemoglobinurie (paroxismale nachtelijke hemoglobinurie) – 0,02
  • Afrikaanse slaapziekte (trypanosomiasis) – 0,02
  • auto-immuun enteropathie – 0,02
  • chikungunya – 0,02
  • CREST-syndroom (limited cutaneous sclerosis) – 0,02
  • histiocytose (Langerhans-cel histiocytose) – 0,02
  • leverbotinfectie (fascioliasis) – 0,02
  • syndroom van Lambert-Eaton (Lambert-Eaton myastheen syndroom) – 0,02
  • chronische myelomonocytaire leukemie – 0,02
  • eosinofiele fasciitis – 0,02
  • gebruik van eptifibatide (Integrelin) – 0,02
  • gebruik van tirofiban (Aggrastat) – 0,02
  • HSE-syndroom (hemorragische shock encefalopathie-syndroom) – 0,02
  • IgD-multipel myeloom – 0,02
  • storage pool disease – 0,02
  • subcutaan panniculitis-achtig T-cellymfoom – 0,02
  • syndroom van Evans – 0,02
  • T-LGL-leukemie – 0,02
  • verworven hemofagocytair syndroom (secundaire hemofagocytaire lymfohistiocytose) – 0,02
  • ziekte van Whipple – 0,02
  • lassakoorts – 0,02
  • syndroom van Sebastian – 0,016
  • syndroom van Schmidt (polyglandulair auto-immuunsyndroom type II) – 0,016
  • syndroom van Sézary – 0,016
  • mestcelleukemie (agressieve mastocytose) – 0,015
  • syndroom van Kasabach-Merritt – 0,015
  • koortsaanvallen na tekenbeet (febris recurrens door Borrelia recurrentis) – 0,014
  • sarcoom van bloedvaten in de lever (hemangioendotheliaal sarcoom van de lever) – 0,014
  • ziekte van Niemann-Pick – 0,014
  • koortsaanvallen na luizenbeet (febris recurrens door Borrelia duttoni) – 0,012
  • acute erytremie en erytroleukemie – 0,010
  • endemische vlektyfus – 0,010
  • hersenvliesontsteking door Toscana-virus (meningitis door Toscana-virus) – 0,010
  • lymfeklierkanker in de bloedvaten (intravasculair lymfoom) – 0,010
  • marmerbeenziekte (osteopetrose) – 0,010
  • megakaryoblastaire leukemie (acute megakaryoblastaire leukemie) – 0,010
  • refeeding-syndroom – 0,010
  • wandelende milt (ectopische milt) – 0,010
  • aangeboren tekort aan carnitine (primaire carnitinedeficiëntie) – 0,008
  • arseenvergiftiging (arsenicumintoxicatie) – 0,008
  • ross-river-virus infectie – 0,008
  • stralingsziekte (acute stralingsziekte) – 0,008
  • ziekte van Gaucher – 0,008
  • erytropoëtische protoporfyrie – 0,006
  • Fanconi anemie – 0,006
  • syndroom van Sanfilippo (mucopolysacharidose III) – 0,006
  • chronisch lijmsnuiven – 0,004
  • draaiing van de miltslagader (torsie van de arteria lienalis) – 0,004
  • dyskeratosis congenita – 0,004
  • ehrlichiose (humane monocytaire ehrlichiose) – 0,004
  • hepatosplenaal gamma/delta-lymfoom – 0,004
  • NK-LGL-leukemie – 0,004
  • polyglandulair auto-immuunsyndroom type I – 0,004
  • syndroom van Hoyeraal-Hreidarsson (progressieve pancytopenie-immuundeficiëntie-cerebellaire hypoplasie) – 0,004
  • syndroom van Morquio (mucopolysacharidose IV) – 0,004
  • syndroom van Schnitzler – 0,004
  • tekort aan transcobalamine-II (congenitale transcobalamine-II-deficientie) – 0,004
  • verbindweefseling van het beenmerg met verlaagd aantal bloedcellen (acute panmyelose met myelofibrose) – 0,004
  • ziekte van Keshan – 0,004
  • ziekte van Maroteaux-Lamy (mucopolysacharidose type VI) – 0,004
  • syndroom van Epstein – 0,003
  • Blackfan-Diamond-anemie (constitutionele aplastische anemie) – 0,003
  • syndroom van Hunter (mucopolysacharidose type II) – 0,003
  • ziekte van Sandhoff – 0,003
  • gele koorts – 0,002
  • apenmalaria (Plasmodium knowlesi infectie) – 0,002
  • auto-immuun lymfoproliferatief syndroom type Ia – 0,002
  • auto-immuun lymfoproliferatief syndroom type II – 0,002
  • Krim-Congo hemorragische koorts – 0,002
  • scrubtyfus – 0,002
  • sodoku (spirillose) – 0,002
  • syndroom van Axenfeld-Rieger – 0,002
  • syndroom van Barth (3-methylglutaconacidurie type 2) – 0,002
  • ziekte van Tangier (familiaire alfa-lipoproteïne deficiëntie) – 0,002
  • Argentijnse hemorragische koorts – 0,001
  • Boliviaanse hemorragische koorts – 0,001
  • lymfocytaire choriomeningitis – 0,001
  • syndroom van Hermansky-Pudlak – 0,001
  • syndroom van Alström – 0,001
  • leukocyte adhesion deficiency type 3 – 0,001
  • syndroom van Wiskott-Aldrich – 0,0004
  • SFTS-bunyavirus-infectie – 0,0002
  • fytosterolemie – 0,0001

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 2 juli 2017
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 2 juli 2017

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *