Stuiptrekkingen

Wat zijn stuiptrekkingen?

Stuiptrekkingen zijn trekkende bewegingen van armen, benen, hoofd of romp. De bewegingen worden niet bewust gemaakt, maar gebeuren vanzelf. Dus zonder dat de patiënt dat wil. Dan wordt gesproken van ‘onwillekeurige bewegingen’. Stuiptrekkingen zijn dus onwillekeurige schokkende bewegingen.

Bij stuiptrekkingen wordt vaak meteen gedacht aan epilepsie. Inderdaad gaan veel epileptische aanvallen gepaard met onwillekeurige schokkende bewegingen. Er zijn echter nog veel andere aandoeningen die kunnen leiden tot stuiptrekkingen. Op deze webpagina vind je een uitgebreid overzicht van mogelijke oorzaken.

Oorzaken stuiptrekkingen

Hieronder een uitgebreid overzicht met bijna 500 verschillende oorzaken voor ‘stuiptrekkingen’. Het getal achter de oorzaak geeft een schatting van het aantal mensen dat jaarlijks vanwege die oorzaak stuiptrekkingen heeft.

Vaak voorkomende oorzaken van stuiptrekkingen: >1.000/jaar

  • epilepsie (epileptisch insult) – 6.313
  • koortsstuipen (koortsconvulsie) – 5.395
  • status epilepticus – 2.397
  • alcoholverslaving (chronisch alcoholisme) – 2.069
  • uitzaaiingen in de hersenen (hersenmetastasen) – 1.611
  • familiaire koortsstuipen (familiaire koortsconvulsie) – 1.079

Minder vaak voorkomende oorzaken van stuiptrekkingen: <1.000/jaar

Zeldzame oorzaken van stuiptrekkingen: <100/jaar

Zeer zeldzame oorzaken van stuiptrekkingen: <10/jaar

  • toxische-shocksyndroom – 9
  • gebruik van fenelzine (merknaam: Nardil) – 9
  • hersenverlamming (infantiele encefalopathie) – 9
  • methemoglobinemie (verworven methemoglobinemie) – 9
  • hersenvliesontsteking door virussen (virale meningitis) – 9
  • gebruik van venlafaxine (Efexor) – 8
  • ijzervergiftiging (acute ijzerintoxicatie) – 8
  • gebruik van flucloxacilline (Floxapen) – 8
  • ziekte van Strümpell (hereditaire spastisch parese) – 8
  • gebruik van gabapentine – 8
  • Rolandic epilepsy – 7
  • misvormde bloedvaten in de hersenen (arterioveneuze malformatie in de hersenen) – 7
  • gebruik van imipramine – 7
  • strychninevergiftiging (strychnine-intoxicatie) – 7
  • syndroom van Rett – 7
  • vergiftiging met kamfer (kamferintoxicatie) – 7
  • familiaire hemiplegische migraine – 7
  • sporadische hemiplegische migraine – 7
  • chronische subdurale bloeding (chronisch subduraal hematoom) – 7
  • CSWS-syndroom – 6
  • amfetaminevergiftiging (amfetamine-intoxicatie) – 6
  • infectie van het zenuwstelsel door de Borrelia bacterie (neuroborreliose) – 6
  • ziekte van Unverricht Lundborg (progressieve myoclonus epilepsie type 1) – 6
  • ontsteking van de hersenen door herpes virus (herpes encefalitis) – 6
  • hersenvliesontsteking door bacteriën (bacteriële meningitis) – 6
  • gebruik van varenicline (Champix) – 6
  • gebruik van chloroquine (Nivaquine) – 6
  • nicotinevergiftiging (nicotine-intoxicatie) – 5
  • 1p36-deletie syndroom – 5
  • atypisch hemolytisch uremisch syndroom (atypische HUS) – 5
  • gegeneraliseerde epilepsie met koortsconvulsies plus (gegeneraliseerde epilepsie met koortsconvulsies plus) – 5
  • syndroom van Ohtahara – 5
  • syndroom van Landau-Kleffner (verworven epileptische afasie) – 5
  • abdominale epilepsie – 5
  • lidocaïneoverdosering (lidocaïne-intoxicatie) – 5
  • ziekte van Von Recklinghausen (neurofibromatose type 1) – 4
  • syndroom van Klippel-Trénaunay – 4
  • insulinoom – 4
  • gebruik van ciclosporine (Sandimmune, Neoral) – 4
  • gebruik van fomepizol (intraveneus) – 4
  • autonome hyperreflexie – 4
  • digoxine overdosering (digoxine intoxicatie) – 4
  • gebruik van desmopressine (Minrin) – 4
  • moyamoya syndroom – 4
  • moyamoya ziekte – 4
  • autosomal dominant nocturnal frontal lobe epilepsy – 4
  • benign occipital epilepsy of childhood – 4
  • interictal dysphoric disorder – 4
  • Ohtahara syndrome (Ohtahara syndrome) – 4
  • progressive myoclonic epilepsy – 4
  • reflex epilepsy – 4
  • hemolytisch uremisch syndroom (volwassen vorm) – 4
  • migraine – 4
  • syndroom van Sturge-Weber – 4
  • stuiptrekkingen veroorzaakt door migraine aanval (migraine-geïnduceerde convulsies) – 4
  • aseptische meningitis door geneesmiddelen (geneesmiddelen-geïnduceerde aseptische meningitis) – 4
  • aantasting van de hersenen door ziekte van de lever (hepatische encefalopathie) – 3
  • tekort aan het enzym arginase I (argininemie) – 3
  • loodvergiftiging (chronische loodintoxicatie) – 3
  • syndroom van Angelman – 3
  • gebruik van Mimpara (cinacalcet) – 3
  • gebruik van topiramaat – 3
  • reactie na inenting – 3
  • blauwzuurvergiftiging (cyanide intoxicatie) – 3
  • fistel tussen halsslagader en sinus cavernosus (caroticocaverneuze fistel) – 3
  • luchtembolie – 3
  • syndroom van Morgagni-Morel – 3
  • zuurstofvergiftiging (hyperoxie) – 3
  • organisch psychosyndroom (chronische toxische encephalopathie) – 3
  • ophoping van pus tussen hersenen en hersenvliezen (subduraal empyeem) – 3
  • hypofyse-infarct – 3
  • aluminiumvergiftiging (aluminiumintoxicatie) – 3
  • trichorrhexis nodosa – 3
  • syndroom van Kleefstra – 3
  • schistosomiasis van het zenuwstelsel (neuroschistosomiasis) – 3
  • HSE-syndroom (hemorragische shock encefalopathie-syndroom) – 2
  • gebruik van hydroxychloroquine (Plaquenil) – 2
  • gebruik van praziquantel (Biltricide) – 2
  • syndroom van Reye – 2
  • progressieve multifocale leuko-encefalopathie – 2
  • gebruik van voriconazol (Vfend) – 2
  • craniofaryngioom – 2
  • syndroom van DiGeorge (22q11.2-deletiesyndroom) – 2
  • gebruik van propofol (Diprivan) – 2
  • vetembolie syndroom – 2
  • gebruik van Levitra (vardenafil) – 2
  • gebruik van levofloxacine tabletten – 2
  • aantasting van de hersenen door te hoog glycine-gehalte (non-ketotische hyperglycinemie) – 2
  • ziekte van Marchiafava-Bignami (centrale demyelinisering van het corpus callosum) – 2
  • syndroom van De Morsier (septo-optische dysplasie) – 2
  • kernicterus (bilirubine-encefalopathie) – 2
  • syndroom van Sotos – 2
  • lymfeklierkanker in de hersenen (primair lymfoom van de hersenen) – 2
  • vergiftiging met fenol (fenol intoxicatie) – 2
  • gebruik van gentamicine – 2
  • hersentrombose (cerebrale veneuze trombose) – 2
  • sponsnieren (medullaire cystenieren) – 2
  • lucht in de schedel met verhoging van de hersendruk (spanningspneumocefalie) – 2
  • tekort aan het enzym adenylsuccinaatlyase (adenylsuccinaatlyase deficiëntie) – 2
  • ketotische glycinemie – 2
  • gebruik van Cymevene (ganciclovir) – 2
  • ring chromosome 20 syndrome – 1
  • syndroom van Dandy-Walker (Dandy-Walker malformatie) – 1
  • CDKL5-epilepsie – 1
  • ziekte van Bergeron (chorea van Bergeron) – 1
  • syndroom van Worster-Drought (congenitaal perisylvian syndroom) – 1
  • tekort aan het enzym MCAD (MCAD-deficiëntie) – 1
  • ziekte van Rendu-Osler-Weber (hereditaire hemorrhagische teleangiëctasie) – 1
  • vruchtwaterembolie – 1
  • aangeboren syfilis (congenitale syfilis) – 1
  • syndroom van Phelan-McDermid (22q13.3-deletie) – 1
  • tropische malaria (malaria door Plasmodium falciparum) – 1
  • ziekte van Menkes – 1
  • desequilibriumsyndroom (VLDLR-gebonden cerebellaire hypoplasie) – 1
  • papilloom van de plexus chorioïdeus (plexuspapilloom) – 1
  • De Vivo-ziekte (GLUT-1-deficiëntiesyndroom) – 1
  • ziekte van Whipple – 1
  • tuberculeuze meningitis (meningitis tuberculosa) – 1
  • toxische encefalopathie bij buikgriep (toxische encefalopathie bij gastroenteritis) – 1
  • aseptische meningitis (acute aseptische meningitis) – 1
  • gebruik van fentanyl tabletten of zuigtabletten (Abstral, Actiq, Breakyl, Effentora, Recivit) – 1
  • gebruik van memantine (Ebixa, Nemdatine en merkloos) – 1
  • geslachtsgebonden hypofosfatemie (X-gebonden hypofosfatemie) – 1
  • gebruik van chloorpromazine zetpil – 1
  • syndroom van Dravet (gegeneraliseerde epilepsie met koortsconvulsies plus) – 1
  • aangeboren herpesinfectie (congenitale herpes) – 1
  • syndroom van Fukuyama (congenitale musculaire dystrofie type II) – 1
  • tekort aan het enzym arginosuccinaatsynthase (argininosuccinaatsynthase deficiëntie) – 1
  • tekort aan het enzym succinyl-semialdehyde dehydrogenase (succinyl-semialdehyde dehydrogenase deficiëntie) – 1
  • tekort aan het enzym biotinidase (biotinidasedeficiëntie) – 1
  • gebruik van Copaxone (glatirameer) – 1

Extreem zeldzame oorzaken van stuiptrekkingen: <1/jaar

  • ziekte van Niemann-Pick – 0,9
  • syndroom van Aicardi – 0,9
  • ziekte van Lafora (progressieve myoclonus epilepsie type 2) – 0,9
  • syndroom van Mowat-Wilson – 0,8
  • refeeding-syndroom – 0,8
  • aangeboren tekort aan carnitine (primaire carnitinedeficiëntie) – 0,8
  • hyperlysinemie – 0,8
  • marmerbeenziekte (osteopetrose) – 0,8
  • syndroom van Wolf-Hirschhorn – 0,8
  • overgevoelig voor gluten (coeliakie) – 0,8
  • tekort aan het enzym fumarase (fumarase deficiëntie) – 0,7
  • gebruik van Aranesp (darbepoëtine) – 0,7
  • acute intermitterende porfyrie – 0,7
  • ziekte van Creutzfeldt-Jakob – 0,7
  • Kabuki syndroom – 0,7
  • homocystinurie – 0,7
  • ziekte van Hartnup – 0,7
  • aangeboren rode hond (congenitale rubellavirusinfectie) – 0,7
  • tekort aan het enzym pyruvaatdecarboxylase – 0,6
  • 3-methylglutaconacidurie type 4 – 0,6
  • ziekte van Batten (juveniele neuronale ceroïdlipofuscinose) – 0,6
  • nootmuskaatvergiftiging (nootmuskaat intoxicatie) – 0,6
  • toxoplasmose (systemische toxoplasmose) – 0,6
  • adderbeet – 0,6
  • hyper-IgD syndroom – 0,6
  • hyperprolinemie type I – 0,6
  • tekort aan het enzym HMG-CoA-lyase (HMG-CoA-lyasedeficiëntie) – 0,6
  • trisomie 4p – 0,6
  • bilaterale perisylvische polymicrogyrie – 0,6
  • ziekte van Wilson (hepatolenticulaire degeneratie) – 0,6
  • tekort aan het enzym pyruvaatdehydrogenase (pyruvaatdehydrogenase deficiëntie) – 0,6
  • gebruik van isoniazide – 0,6
  • hypofysesteelonderbrekingsyndroom (ectopische neurohypofyse) – 0,5
  • syndroom van Cayler – 0,5
  • ziekte van Urbach-Wiethe (lipoïd proteïnose) – 0,5
  • te langzaam werkende schildklier door bestraling in het halsgebied (radiotherapie-geïnduceerde hypothyreoïdie) – 0,5
  • ziekte van Canavan (spongiforme leukodystrofie van Canavan) – 0,5
  • gebruik van norfloxacine – 0,5
  • gebruik van Retrovir (zidovudine) – 0,5
  • ziekte van Gaucher – 0,5
  • herpes bij pasgeborenen (neonatale herpes) – 0,5
  • styreenvergiftiging (styreenintoxicatie) – 0,5
  • gebruik van dexamfetamine (Amfexa) – 0,5
  • ziekte van Krabbe – 0,4
  • syndroom van Alpers – 0,4
  • febrile infection-related epilepsy syndrome – 0,4
  • idiopathic childhood occipital epilepsy of Gastaut – 0,4
  • juvenile myoclonic epilepsy – 0,4
  • Panayiotopoulos syndrome – 0,4
  • mixed connective tissue disease – 0,4
  • syndroom van Leigh – 0,4
  • zoutverlies door aandoening van de hersenen (syndroom van cerebraal zoutverlies) – 0,4
  • syndroom van Coffin-Lowry – 0,4
  • aangeboren verhoging van het insulinegehalte in het bloed (congenitaal hyperinsulinisme) – 0,4
  • vergiftiging met absintolie (intoxicatie met absintolie) – 0,4
  • syndroom van Cornelia de Lange – 0,4
  • syndroom van De Grouchy 2 – 0,4
  • tekort aan het enzym 3-fosfoglyceraatdehydrogenase (3-fosfoglyceraatdehydrogenase deficiëntie) – 0,4
  • ziekte van Huntington (chorea van Huntington) – 0,4
  • syndroom van Laron (Laron-type dwerggroei) – 0,4
  • tekort aan het enzym carbamoylfosfaatsyntethase I (carbamoylfosfaatsyntethase I-deficiëntie) – 0,4
  • adrenoleukodystrofie – 0,4
  • ziekte van Albright (pseudohypoparathyreoïdie) – 0,3
  • infantiele NCL – 0,3
  • rhizomelic chondrodysplasia punctata – 0,3
  • syndroom van Zellweger – 0,3
  • argininobarnsteenzuur acidurie (argininosuccinase deficiëntie) – 0,3
  • gebruik van baclofen – 0,3
  • hamartoom van de hypothalamus – 0,3
  • syndroom van Miller-Dieker – 0,3
  • tekort aan molybdeen cofactor (molybdeencofactor deficiëntie) – 0,3
  • syndroom van Barakat (hypoparathyroïdie – doofheid – nierziekte syndroom) – 0,3
  • syndroom van Neuhäuser (megalocornea-mentale retardatie-syndroom) – 0,3
  • hyperprolinemie type II – 0,3
  • gebruik van Exelon (rivastigmine) – 0,3
  • fenylketonurie – 0,3
  • syndroom van Vici – 0,3
  • gebruik van chloorpromazine (Largactil) – 0,3
  • galactosemie (klassieke galactosemie) – 0,3
  • ziekte van Jansky-Bielschowsky (laat infantiele NCL) – 0,3
  • gebruik van Xyrem (natriumoxybaat) – 0,3
  • tekort aan het enzym D-2-hydroxyglutaraatdehydrogenase (D-2-hydroxyglutaaracidurie) – 0,2
  • maple syrup urine disease – 0,2
  • hypomelanose van Ito (incontinentia pigmenti achromians) – 0,2
  • murray-valley-encefalitis – 0,2
  • ontsteking van de hersenen door het St.-Louis-encefalitis virus (St.-Louis-encefalitis) – 0,2
  • syndroom van McLeod (McLeod neuroacanthocytosissyndroom) – 0,2
  • syndroom van Walker-Warburg – 0,2
  • adulte NCL – 0,2
  • West-Nijl koorts (West-Nijl virusinfectie) – 0,2
  • gebruik van cabozantinib (Cabometyx) – 0,2
  • tekort aan het enzym PTPS (PTPS deficiëntie) – 0,2
  • gebruik van cyproheptadine – 0,2
  • tekort aan het enzym ornithine transcarbamylase (ornithine transcarbamylase deficiëntie) – 0,2
  • cysticercose – 0,2
  • incontinentia pigmenti – 0,2
  • EAST syndroom – 0,2
  • childhood absence epilepsy – 0,2
  • Rasmussen’s encephalitis – 0,2
  • niercrisis bij sclerodermie (renale crise bij systemische sclerose) – 0,2
  • lange-QT-tijdsyndroom type 5 – 0,2
  • gebruik van pentamidine – 0,2
  • tekort aan het enzym guanidinoacetate methyltransferase (guanidinoacetate methyltransferase deficiëntie) – 0,2
  • ziekte van Alexander (dysmyelogenetische leukodystrofie) – 0,2
  • gebruik van levofloxacine infusievloeistof – 0,2
  • gebruik van oxybutynine tabletten – 0,2
  • myoclonus epilepsie met ragged red fibers (MERRF-syndroom) – 0,2
  • te langzaam werkende schildklier door geneesmiddel (geneesmiddelen-geïnduceerde hypothyreoïdie) – 0,2
  • tekort aan coenzym Q10 (coenzym Q10 deficiëntie) – 0,2
  • CLOVES syndroom – 0,2
  • syndroom van Haberland (encefalocraniocutane lipomatose) – 0,2
  • tumefactieve demyeliniserende afwijking – 0,2
  • syndroom van Aicardi–Goutières – 0,2
  • aangeboren methemoglobinemie type II – 0,2
  • syndroom van Beckwith-Wiedemann – 0,2
  • gebruik van zoledroninezuur (Aclasta) – 0,2
  • gebruik van zoledroninezuur (Zometa) – 0,2
  • gebruik van epoëtine-alfa (Abseamed, Binocrit, Eprex) – 0,2
  • syndroom van Galloway Mowat – 0,1
  • syndroom van Pallister-Killian (tetrasomie 12p mosaïcisme) – 0,1
  • ziekte van Hallervorden-Spatz – 0,1
  • methylmalonzuur in het bloed (methylmalonacidemie) – 0,1
  • tekort aan BH4 (BH4-deficiëntie) – 0,1
  • syndroom van Lowe (oculocerebrorenaal syndroom van Lowe) – 0,1
  • syndroom van Romberg (progressieve faciale hemiatrofie) – 0,1
  • koolstofdioxidevergiftiging (exogene CO2-intoxicatie) – 0,1
  • syndroom van Sandifer – 0,1
  • epidemische vlektyfus – 0,1
  • ziekte van Brill-Zinsser – 0,1
  • ataxia teleangiectasia – 0,1
  • D-2-hydroxyglutaaracidurie type I – 0,1
  • D-2-hydroxyglutaaracidurie type II – 0,1
  • tekort aan het enzym fosfoglyceraatkinase (fosfoglyceraatkinase deficiëntie) – 0,1
  • tekort aan het enzym glutathion synthetase (glutathion synthetase deficiëntie) – 0,1
  • zwelling van de hersenen door hoogteziekte (hoogte-hersenoedeem) – 0,1
  • thanatofore dysplasie – 0,1
  • syndroom van Simpson-Golabi-Behmel – 0,1
  • DOOR syndroom – 0,1
  • gebruik van Adasuve (loxapine) – 0,1
  • Afrikaanse slaapziekte (trypanosomiasis) – 0,1
  • duikersziekte (decompressieziekte) – 0,1
  • Langerhanscel histiocytose – 0,1
  • tekort aan het enzym acetoacetyl-CoA thiolase (acetoacetyl-CoA thiolase deficiëntie) – 0,1
  • gebruik van pregabaline (Lyrica) – 0,1
  • GM1 gangliosidose – vroeg infantiele vorm (GM1 gangliosidose – vroeg infantiele vorm) – 0,1
  • los botje op de plaats van de dens van de tweede halswervel (os odontoideum) – 0,1
  • tekort aan het enzym pyruvaatcarboxylase (pyruvaatcarboxylase deficiëntie) – 0,1
  • ringchromosoom 18 – 0,1
  • porphyria variegata – 0,1
  • infectie van de hersenen met Naegleria fowleri (primaire amoeben meningoencefalitis) – 0,1
  • syndroom van Pallister-Hall – 0,1
  • glutaaracidurie type 2 – 0,1
  • metachromatische leukodystrofie – 0,09
  • tekort aan het enzym MTHFR (MTHFR deficiëntie) – 0,09
  • congenital disorder of glycosylation type IIc – 0,09
  • erfelijke fructose-intolerantie (hereditaire fructose-intolerantie) – 0,09
  • koortsaanvallen na tekenbeet (febris recurrens door Borrelia recurrentis) – 0,08
  • infectie van de hersenstam door Listeria bacterie (rombencefalitis door Listeria monocytogenes) – 0,08
  • tekort aan het enzym aldosteron synthase (aldosteron synthase deficiëntie) – 0,08
  • gebruik van doxylamine – 0,08
  • syndroom van Baraitser-Winter – 0,07
  • koortsaanvallen na luizenbeet (febris recurrens door Borrelia duttoni) – 0,07
  • lange-QT-tijdsyndroom type 9 – 0,07
  • syndroom van Fountain – 0,07
  • isovaleriaanacidemie – 0,07
  • infantiele siaalzuur stapelingsziekte (infantile free sialic acid storage disease) – 0,07
  • syndroom van Ramon (cherubisme – gingivale fibromatose – verstandelijke beperking) – 0,07
  • tekort aan het enzym malonyl-CoA decarboxylase (malonyl-CoA decarboxylase deficiëntie) – 0,06
  • vergiftiging met ricine (orale ricine intoxicatie) – 0,06
  • tekort aan het enzym carnitine-acylcarnitine translocase (carnitine-acylcarnitine translocase deficientie) – 0,06
  • gebruik van Caprelsa (vandetanib) – 0,06
  • gebruik van pembrolizumab (Keytruda) – 0,06
  • gebruik van Zyvoxid (linezolid) – 0,06
  • hartritmestoornis – 0,06
  • syndroom van Joubert – 0,06
  • tekort aan het enzym carnitine palmitoyltransferase II (carnitine palmitoyltransferase deficiëntie type II) – 0,06
  • primaire alveolaire hypoventilatie – 0,06
  • tekort aan het enzym MCC (MCC deficiëntie) – 0,06
  • gebruik van Synagis (palivizumab) – 0,06
  • gebruik van tacrine – 0,06
  • gebruik van Xtandi (enzalutamide) – 0,06
  • citrullinemie type 2 – 0,05
  • macrocefalie-capillaire malformatie syndroom – 0,05
  • stralingsziekte (acute stralingsziekte) – 0,05
  • ethylmalon encephalopathie – 0,05
  • craniodiafysaire dysplasie – 0,05
  • Japanse encefalitis – 0,05
  • syndroom van Susac (retinocochleacerebrale vasculopathie) – 0,05
  • schildklierontsteking van Riedel (chronische fibreuze thyreoïditis van Riedel) – 0,05
  • voedselvergiftiging door eten van schaaldieren – 0,05
  • tekort aan het enzym carnitine palmitoyltransferase IA (carnitine palmitoyltransferase deficiëntie type IA) – 0,05
  • ziekte van Salla (siaalzuurstapelingsziekte) – 0,04
  • neonatal-onset multisystem inflammatory disease – 0,04
  • syndroom van Chédiak–Higashi – 0,04
  • isobutyryl-coenzyme A dehydrogenase deficiency (IBD-deficiëntie) – 0,04
  • ziekte van Sandhoff – 0,04
  • 3-methylglutaconacidurie type 1 – 0,03
  • Ebola koorts (Ebola hemorrhagische koorts) – 0,03
  • syndroom van Greig (cefalopolysyndactylie syndroom van Greig) – 0,03
  • neuropathie met reuzenaxonen (giant axonal neuropathy) – 0,03
  • fucosidose type I – 0,03
  • fucosidose type II – 0,03
  • syndroom van Zunich–Kaye – 0,03
  • gebruik van tranylcypromine (merknaam: Tracydan) – 0,03
  • gebruik van ofloxacine (Tarivid) – 0,03
  • aangeboren tekort aan het enzym lysosomaal beta-mannosidase (beta-mannosidose) – 0,03
  • ontsteking van de hersenen door het Kunjin virus (Kunjin-encefalitis) – 0,03
  • ziekte van Günther (congenitale erythropoietische porfyrie) – 0,03
  • Marburg hemorrhagische koorts – 0,03
  • sarcosinemie (sarcosine dehydrogenase deficiëntie) – 0,03
  • verlaagd calcium gehalte door een erfelijke afwijking (autosomal dominant hypocalcemia) – 0,03
  • ziekte van Tay-Sachs – 0,03
  • lysine proteïne-intolerantie – 0,03
  • tekort aan het enzym SCAD (short-chain acyl-coenzyme A dehydrogenase deficiëntie) – 0,03
  • C-trigonocefalie syndroom – 0,03
  • syndroom van Goldberg (galactosialidose) – 0,02
  • eastern equine encephalitis – 0,02
  • PEHO-syndroom – 0,02
  • spinocerebellaire ataxie type 13 – 0,02
  • aspartylglucosaminurie – 0,02
  • syndroom van Emanuel (partiële trisomie 11,22) – 0,02
  • syndroom van Riley-Day (familiaire dysautonomie) – 0,02
  • tekort aan het enzym VLCAD (VLCAD-deficiëntie) – 0,02
  • lassakoorts – 0,02
  • pseudo-Zellweger syndroom (ACAA1 deficiëntie) – 0,02
  • infantiele neuroaxonale dystrofie – 0,02
  • tekort aan het enzym holocarboxylase synthetase (holocarboxylase synthetase deficiëntie) – 0,02
  • syndroom van Floating-Harbor – 0,02
  • tyrosinemie type III – 0,01
  • ziekte van Tarui – kinderlijke vorm (glycogeenstapelingsziekte type VII – infantiele vorm) – 0,01
  • gebruik van Fampyra (fampridine) – 0,01
  • gebruik van Firdapse (amifampridine) – 0,01
  • hondsdolheid (rabies) – 0,01
  • tekort aan het enzym alfa-keto-glutaraatdehydrogenase (alfa-keto-glutaraatdehydrogenase deficiëntie) – 0,009
  • mazelenencefalitis (subacute scleroserende panencefalitis) – 0,008
  • builenpest (Yersinia pestis-infectie) – 0,005
  • gele koorts – 0,003
  • porfyrie door een tekort aan het enzym ALA dehydratase (porfyrie door ALA dehydratase deficiëntie) – 0,002

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 19 november 2017
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 19 november 2017


Synoniemen voor stuiptrekkingen zijn stuipen, schokken, schokkende bewegingen, trekkende onwillekeurige bewegingen en convulsies.