Spierzwakte – Oorzaken

Er zijn zeer veel verschillende oorzaken voor het symptoom ‘spierzwakte’. De meeste oorzaken kunnen worden onderverdeeld in de volgende groepen:

  • Aandoening van de spieren zelf, bijvoorbeeld dunner worden van spieren (spieratrofie), ontsteking van de spieren (myositis), of aangeboren spierziekte (spierdystrofie);
  • Aandoening in de hersenen, bijvoorbeeld beroerte (herseninfarct of hersenbloeding), hersenkneuzing, of hersenabces;
  • Aandoening van de zenuwen die de spieren aansturen, bijvoorbeeld multiple sclerose;
  • Aandoening van de overgang van zenuwen naar spieren, bijvoorbeeld myasthenia gravis;
  • Onvoldoende bloedtoevoer naar de spieren, bijvoorbeeld shock en bloedarmoede (anemie);
  • Hormonale aandoening, bijvoorbeeld een te laag testosteron gehalte in het bloed;
  • Aandoening van elektrolyten, bijvoorbeeld een te laag kalium gehalte in het bloed (hypokaliëmie) of een te laag calcium gehalte in het bloed (hypocalciëmie).

Kijk voor een uitgebreid overzicht van oorzaken voor spierzwakte onderaan deze webpagina.

De medische term voor spierzwakte is ‘myastenie’.

Engelse vertaling

muscle weakness, myasthenia

Duitse vertaling

Muskelschwäche

ICD10-code

M62.8


Spierzwakte (Myasthenie) – Differentiaal Diagnose (DD)

Zeer vaak voorkomende oorzaken van spierzwakte: >10.000/jaar

Vaak voorkomende oorzaken van spierzwakte: >1.000/jaar

Minder vaak voorkomende oorzaken van spierzwakte: <1.000/jaar

Zeldzame oorzaken van spierzwakte: <100/jaar

Zeer zeldzame oorzaken van spierzwakte: <10/jaar

  • spierdystrofie van Duchenne (musculaire dystrofie van Duchenne) – 9
  • syfilis van het zenuwstelsel (neurosyfilis) – 9
  • ziekte van Steinert (myotone dystrofie type 1) – 9
  • ziekte van Danon (glycogeenstapelingsziekte type IIb) – 9
  • aangeboren sferocytaire anemie (congenitale sferocytose) – 9
  • paradichloorbenzeen vergiftiging (paradichloorbenzeen intoxicatie) – 9
  • spinale spieratrofie type II (spinale musculaire atrofie type II) – 8
  • aangeboren hypothyreoïdie (congenitale hypothyreoïdie) – 8
  • te langzaam werkende schildklier door geneesmiddel (geneesmiddelen-geïnduceerde hypothyreoïdie) – 7
  • ziekte van Wegener (granulomatose met polyangiitis) – 7
  • vislintworm (Diphyllobothrium latum-infectie) – 7
  • nicotinevergiftiging (nicotine-intoxicatie) – 7
  • gebruik van fluvastatine – 6
  • syndroom van Reye – 6
  • haarcelleukemie (hairy-cell leukemie) – 6
  • soja intolerantie – 6
  • tekort aan het enzym alfa-mannosidase (alfa-mannosidose) – 6
  • hersenabces (cerebraal abces) – 5
  • gebruik van pembrolizumab (Keytruda) – 5
  • ruimteziekte (gewichtloosheidsyndroom) – 5
  • gebruik van fosinopril (Monopril) – 5
  • gebruik van nitrazepam (Mogadon) – 5
  • vitamine B3-tekort (pellagra) – 5
  • ruggenmergabces (intraspinaal abces) – 5
  • gebruik van neostigmine – 5
  • acute intermitterende porfyrie – 5
  • MELAS-syndroom – 5
  • sarcoïdose van het zenuwstelsel (neurosarcoïdose) – 5
  • aangeboren myasthenie (congenitale myasthenie) – 4
  • sponsnieren (medullaire cystenieren) – 4
  • loodvergiftiging (chronische loodintoxicatie) – 4
  • tubulointerstitiële nefritis met uveïtis – 4
  • chronische myeloïde leukemie – 4
  • hemolytisch uremisch syndroom (typische HUS) – 4
  • proximale myotone myopathie (myotone dystrofie type 2) – 4
  • juveniele dermatomyositis – 4
  • ziekte van Takayasu (takayasu-arteriitis) – 4
  • D-lactaatacidose – 4
  • spierdystrofie van Becker (musculaire dystrofie van Becker) – 4
  • tekort aan het enzym myoadenylate deaminase (myoadenylate deaminase deficiëntie) – 4
  • hyperkaliëmische periodieke paralyse – 4
  • familiair hyperaldosteronisme type 1 – 4
  • ziekte van Wilson (hepatolenticulaire degeneratie) – 4
  • hypokaliëmische periodieke paralyse – 4
  • primaire amyloïdose – 4
  • aanvalsgewijze nachtelijke hemoglobinurie (paroxismale nachtelijke hemoglobinurie) – 3
  • proximale renale tubulaire acidose (type 2 renale tubulaire acidose) – 3
  • misvormde bloedvaten in de hersenen (arterioveneuze malformatie in de hersenen) – 3
  • sclerodermie (systemische sclerose) – 3
  • bijnierinfarct – 3
  • inademing van tetrachloorethyleen (inhalatie van tetrachloorethyleen) – 3
  • tekort aan het enzym VLCAD (VLCAD-deficiëntie) – 3
  • gebruik van hydroxychloroquine (Plaquenil) – 3
  • glioom – type oligodendroglioom – 3
  • syndroom van Nelson – 3
  • tropische malaria (malaria door Plasmodium falciparum) – 3
  • Engelse ziekte (rachitis door vitamine D-deficiëntie) – 3
  • brozebottenziekte (osteogenesis imperfecta) – 3
  • inclusion body myositis – 3
  • aangeboren hypomyeliniserende neuropathie (congenitale hypomyeliniserende neuropathie) – 2
  • syndroom van Goodpasture – 2
  • aangeboren tekort aan intrinsic factor (congenitale intrinsic factor deficiëntie) – 2
  • distale renale tubulaire acidose – 2
  • syndroom van Isaac (neuromyotonie) – 2
  • serumneuropathie – 2
  • gebruik van lenalidomide (Revlimid) – 2
  • botulisme – 2
  • aconitine-vergiftiging (aconitine-intoxicatie) – 2
  • toxoplasmose (systemische toxoplasmose) – 2
  • zwarte koorts (viscerale leishmaniasis) – 2
  • syndroom van Déjerine Sottas (hereditaire motorische en sensorische polyneuropathie type III) – 2
  • lymfocytaire hypofysitis – 2
  • multipele epifysaire dysplasie – 2
  • gebruik van pyridostigmine (Mestinon) – 2
  • syndroom van Fanconi – 2
  • adderbeet – 2
  • schildklierontsteking van Riedel (chronische fibreuze thyreoïditis van Riedel) – 2
  • syndroom van Fukuyama (congenitale musculaire dystrofie type II) – 1
  • syndroom van Morvan – 1
  • blikseminslag – 1
  • Hymenolepis infectie (hymenolepiasis) – 1
  • mixed connective tissue disease – 1
  • cerebellaire ataxie – 1
  • syndroom van Schwartz-Jampel type IA – 1
  • buiktyfus – 1
  • gebruik van Victrelis (boceprevir) – 1
  • hemolytisch uremisch syndroom (volwassen vorm) – 1
  • ziekte van Werdnig-Hoffmann (spinale musculaire atrofie type I) – 1
  • aangeboren tekort aan carnitine (primaire carnitinedeficiëntie) – 1
  • te snel werkende schildklier door gebruik van schildklierhormoontabletten (exogene hyperthyreoïdie door schildklierhormoontabletten) – 1
  • artrogrypose (multipele congenitale contracturen) – 1
  • chorea-acanthocytose – 1
  • adrenoleukodystrofie – 1
  • ziekte van Whipple – 1
  • cri-du-chat syndroom – 1
  • gebruik van doxylamine – 1
  • gebruik van fentanyl tabletten of zuigtabletten (Abstral, Actiq, Breakyl, Effentora, Recivit) – 1
  • porphyria variegata – 1
  • MEN-syndroom type I – 1
  • brucellose – 1
  • syndroom van Plummer-Vinson – 1
  • ziekte van Kennedy (spinobulbaire musculaire atrofie) – 1
  • ataxie van Friedreich – 1
  • lokale spierontsteking in het bovenbeen (focale myositis van de M. quadriceps) – 1
  • lokale spierontsteking van de adductor (focale myositis van de Mm. adductores) – 1
  • lepra (infectie met Mycobacterium leprae) – 1
  • brozebottenziekte type 5 (osteogenesis imperfecta type 5) – 1
  • ophoping van pus tussen hersenen en hersenvliezen (subduraal empyeem) – 1
  • te snel werkende schildklier door eten van met schildklier verontreinigd vlees (exogene hyperthyreoïdie door eten van met schildklier verontreinigd vlees) – 1
  • cryptokokkeninfectie van de longen (pulmonale cryptokokkeninfectie) – 1

Extreem zeldzame oorzaken van spierzwakte: <1/jaar

  • atypisch hemolytisch uremisch syndroom (atypische HUS) – 0,8
  • tekort aan koper (koperdeficiëntie) – 0,8
  • ziekte van Dercum (lipomatosis dolorosa) – 0,8
  • aantasting van de zenuwschede van zenuwcellen in de hersenstam (centrale pontiene myelinolyse) – 0,8
  • los botje op de plaats van de dens van de tweede halswervel (os odontoideum) – 0,8
  • syndroom van Wolf-Hirschhorn – 0,8
  • gebruik van levofloxacine tabletten – 0,8
  • syndroom van Barth (3-methylglutaconacidurie type 2) – 0,7
  • tekort aan het enzym carnitine palmitoyltransferase IA – 0,7
  • autosomaal dominante myotubulaire myopathie – 0,7
  • cysticercose – 0,7
  • ziekte van Von Gierke (glycogeenstapelingsziekte type I) – 0,7
  • ziekte van Pompe (glycogeenstapelingsziekte type II) – 0,7
  • autosomaal recessieve myotubulaire myopathie – 0,7
  • te snel werkende schildklier door andere oorzaak van buitenaf (exogene hyperthyreoïdie) – 0,7
  • kinderverlamming (poliomyelitis) – 0,6
  • MEN-syndroom type IIA – 0,6
  • syndroom van Allgrove (triple-A syndroom) – 0,6
  • ziekte van Tay-Sachs – 0,6
  • tekort aan het enzym carnitine palmitoyltransferase II (carnitine palmitoyltransferase deficiëntie type II) – 0,6
  • ontwrichting van de eerste halswervel (atlanto-axiale dislocatie) – 0,6
  • syndroom van Sturge-Weber – 0,6
  • lokale spierontsteking in de hals (focale myositis van de M. sternocleidomastoïdeus) – 0,6
  • lokale spierontsteking in de kuit (focale myositis van de M. gastrocnemius) – 0,6
  • syndroom van Lambert-Eaton (Lambert-Eaton myastheen syndroom) – 0,6
  • bekkengordeldystrofie (limb-girdle dystrofie) – 0,6
  • syndroom van Gitelman – 0,5
  • syndroom van Camurati-Engelmann (progressieve diafysaire dysplasie) – 0,5
  • cryptokokkeninfectie door het lichaam (gedissemineerde cryptokokkeninfectie) – 0,5
  • vergiftiging met seleen (seleniumintoxicatie) – 0,5
  • ziekte van Thomsen (autosomaal dominante congenitale myotonie van Thomsen) – 0,5
  • ziekte van Cori (glycogeenstapelingsziekte type III) – 0,5
  • gebruik van Adenuric® (febuxostat) – 0,5
  • ziekte van Krabbe – 0,4
  • zuigelingenbotulisme (infantiel botulisme) – 0,4
  • syndroom van Grisel (atlanto-axiale dislocatie door ontstekingsproces) – 0,4
  • syndroom van Lewis-Sumner (multifocale verworven demyeliniserende sensorische en motorische neuropathie) – 0,4
  • voedselvergiftiging door eten van schaaldieren (voedselvergiftiging door eten van schaaldieren) – 0,4
  • ziekte van Ullrich (congenitale musculaire dystrofie type Ullrich) – 0,4
  • West-Nijl koorts (West-Nijl virusinfectie) – 0,4
  • eosinofiele fasciitis – 0,4
  • hypermethioninemie – 0,4
  • syndroom van Andersen-Tawil (cardiodysritmische kalium-gevoelige periodieke paralyse) – 0,4
  • tekort aan het enzym biotinidase (biotinidasedeficiëntie) – 0,3
  • syndroom van Leigh – 0,3
  • syndroom van Bruck – 0,3
  • ziekte van Niemann-Pick – 0,3
  • GM2 activator deficiëntie – 0,3
  • tekort aan het enzym guanidinoacetate methyltransferase (guanidinoacetate methyltransferase deficiëntie) – 0,3
  • syndroom van Bannayan Zonana – 0,3
  • gebruik van lovastatine (Mevacor) – 0,3
  • gebruik van roxitromycine – 0,3
  • metatrofische kleingroei – 0,3
  • syndroom van Schwartz-Jampel type II – 0,3
  • ciguatera vergiftiging (ciguatera intoxicatie) – 0,3
  • spierdystrofie van Emery-Dreifuss – geslachtsgebonden vorm (X-gebonden Emery-Dreifuss musculaire dystrofie) – 0,3
  • brozebottenziekte type 1 (osteogenesis imperfecta type 1) – 0,3
  • brozebottenziekte type 2 (osteogenesis imperfecta type 2) – 0,3
  • brozebottenziekte type 3 (osteogenesis imperfecta type 3) – 0,3
  • brozebottenziekte type 4 (osteogenesis imperfecta type 4) – 0,3
  • brozebottenziekte type 6 (osteogenesis imperfecta type 6) – 0,3
  • ziekte van Tangier (familiaire alfa-lipoproteïne deficiëntie) – 0,3
  • koortsaanvallen na tekenbeet (febris recurrens door Borrelia recurrentis) – 0,3
  • tekort aan het enzym aldosteron synthase (aldosteron synthase deficiëntie) – 0,3
  • gebruik van Inegy (ezetimibe + simvastatine) – 0,3
  • ziekte van Bethlem (Bethlem myopathie) – 0,2
  • VIPoom – 0,2
  • ziekte van Andersen (glycogeenstapelingsziekte type IV) – 0,2
  • ziekte van Maroteaux-Lamy (mucopolysacharidose type VI) – 0,2
  • gebruik van Bosulif (bosutinib) – 0,2
  • koortsaanvallen na luizenbeet (febris recurrens door Borrelia duttoni) – 0,2
  • tekort aan het enzym pyruvaatcarboxylase (pyruvaatcarboxylase deficiëntie) – 0,2
  • gebruik van Revolade (eltrombopag) – 0,2
  • glutaaracidurie type 2 – 0,2
  • syndroom van Alpers – 0,2
  • paramyotonia congenita – 0,2
  • familiair hyperaldosteronisme type 3 – 0,2
  • myoclonus epilepsie met ragged red fibers (MERRF-syndroom) – 0,1
  • vergiftiging met ricine (orale ricine intoxicatie) – 0,1
  • ziekte van Hallervorden-Spatz – 0,1
  • ziekte van Salla (siaalzuurstapelingsziekte) – 0,1
  • syndroom van McLeod (McLeod neuroacanthocytosissyndroom) – 0,1
  • gebruik van paricalcitol (Zemplar) – 0,1
  • tekort aan het enzym MCC (MCC deficiëntie) – 0,1
  • ophoping van het aminozuur cystine in de cellen (cystinose) – 0,1
  • metachromatische leukodystrofie – 0,1
  • trichinose – 0,1
  • syndroom van Alström – 0,1
  • gebruik van nilotinib (Tasigna) – 0,1
  • gebruik van demeclocycline – 0,1
  • tekort aan het enzym carnitine-acylcarnitine translocase (carnitine-acylcarnitine translocase deficientie) – 0,1
  • syndroom van Bassen-Kornzweig (abetalipoproteïnemie) – 0,1
  • syndroom van Chédiak–Higashi – 0,1
  • syndroom van Morquio (mucopolysacharidose IV) – 0,1
  • ziekte van McArdle (glycogeenstapelingsziekte type V) – 0,1
  • ziekte van Tarui – late vorm (glycogeenstapelingsziekte type VII – late vorm) – 0,1
  • syndroom van Abderhalden–Kaufmann–Lignac – 0,1
  • wondbotulisme – 0,1
  • syndroom van Woodhouse–Sakati – 0,1
  • reuzengroei (gigantisme) – 0,1
  • gebruik van levofloxacine infusievloeistof – 0,1
  • Emery-Dreifuss musculaire dystrofie – 0,1
  • ziekte van Sandhoff – 0,06
  • syndroom van Chanarin-Dorfman – 0,06
  • GM1 gangliosidose – vroeg infantiele vorm – 0,06
  • syndroom van Schwartz-Jampel type IB – 0,05
  • syndroom van Shapiro (spontane periodieke hypothermie) – 0,05
  • craniodiafysaire dysplasie – 0,05
  • gebruik van Yervoy (ipilimumab) – 0,04
  • ziekte van Degos (maligne atrofische papulose) – 0,04
  • nefrogene systemische fibrose – 0,04
  • syndroom van Bartter – 0,04
  • tekort aan het enzym fosfoglyceraatmutase (fosfoglyceraatmutase deficiëntie) – 0,03
  • familial isolated vitamin E deficiency – 0,03
  • fucosidose type I – 0,03
  • fucosidose type II – 0,03
  • ziekte van Tarui – kinderlijke vorm (glycogeenstapelingsziekte type VII – infantiele vorm) – 0,03
  • self-healing cutaneous mucinosis (juveniele vorm) – 0,03
  • syndroom van Liddle – 0,03
  • tekort aan het enzym SCAD (short-chain acyl-coenzyme A dehydrogenase deficiëntie) – 0,02
  • hondsdolheid (rabies) – 0,02
  • ziekte van Günther (congenitale erythropoietische porfyrie) – 0,02
  • neuropathie met reuzenaxonen (giant axonal neuropathy) – 0,01
  • porfyrie door een tekort aan het enzym ALA dehydratase (porfyrie door ALA dehydratase deficiëntie) – 0,004

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 4 november 2017
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 4 november 2017


Synoniemen voor spierzwakte zijn parese, myasthenie, krachtverlies, zwakke spieren, krachteloosheid, spierslapte, verminderde spierkracht, afname spierkracht, verlies van spierkracht, minder spierkracht, afnemende spierkracht, en minder kracht.