Oorzaken rugpijn

Vrijwel iedereen heeft wel eens rugpijn gehad. Het is één van de meest voorkomende klachten waarvoor de huisarts wordt geraadpleegd. Vaak wordt niet duidelijk wat precies de oorzaak is van de pijn. Het kan een verrekt spiertje zijn, maar ook bijvoorbeeld een beknelde zenuw of een verschoven gewrichtje in de wervelkolom. Als de pijn in de rug aanhoudt kan onderzoek worden gedaan naar de onderliggende oorzaak. In de lijst onder aan deze pagina staan bijna vierhonderd verschillende oorzaken voor rugpijn.

rugpijn
rugpijn

Kijk voor oorzaken van pijn boven in de rug op de pagina over hoge rugpijn. Kijk voor oorzaken van pijn onder in de rug op de pagina over lage rugpijn.

Diagnostiek & Behandeling

Wat kun je zelf doen?

Vroeger werd geadviseerd om bij rugpijn bedrust te houden. Tegenwoordig is het advies om – op geleide van de pijn – juist in beweging te blijven. Eventueel kunnen pijnstillers worden gebruikt. Het is dan aan te raden om eerst paracetamol te nemen. Pas als paracetamol niet werkt kan een pijnstiller van de groep NSAID’s worden gebruikt. Voorbeelden van NSAID’s zijn ibuprofen, indometacine en diclofenac. NSAID’s kunnen meer en ernstiger bijwerkingen geven dan paracetamol.

Wat kan de arts doen?

De arts zal eerst willen weten wat de oorzaak is van de rugpijn. Om daarachter te komen worden vragen gesteld aan de patiënt. Waar zit de pijn? Boven in de rug? Of onder in de rug? Wanneer is het begonnen? Was er een bepaalde aanleiding voor het ontstaan van de pijn?

Vervolgens kan de arts lichamelijk onderzoek doen. Bij aanhoudende rugpijn zal de arts vaak aanvullende onderzoek aanvragen, bijvoorbeeld laboratoriumonderzoek of beeldvormend onderzoek.

Lichamelijk onderzoek

Bij het lichamelijk onderzoek kunnen aanwijzingen worden gevonden voor de oorzaak van de rugpijn. Zo zijn er bepaalde testen om beenlengteverschil, scoliose of een rughernia als oorzaak voor de pijn in de rug op het spoor te komen.

Laboratoriumonderzoek

Verhoging van de zogenaamde ontstekingsparameters (BSE en CRP) kunnen wijzen op nierbekkenontsteking, galblaasontsteking of longontsteking als oorzaak voor de rugpijn.

Bacteriën in de urine (bacteriurie) en witte bloedcellen in de urine (leukocyturie) kunnen wijzen op nierbekkenontsteking.

Beeldvormend onderzoek

Met behulp van een CT-scan of MRI-scan van de rug kunnen afwijkingen van de wervelkolom worden gezien.

Behandeling

De behandeling die de arts zal instellen is afhankelijk van de oorzaak die wordt gevonden. Vaak zal echter niet direct een oorzaak worden gevonden. In die gevallen is het advies meestal om te proberen in beweging te blijven. Dus GEEN bedrust.

Eventueel kan de arts pijnstillers of fysiotherapie voorschrijven tegen de rugpijn.

Engelse vertaling

back pain

ICD10-code

M54

Synoniemen van rugpijn zijn pijn in de rug, pijn aan de rug, pijn rug


Uitgebreide lijst met oorzaken van rugpijn

Hieronder een uitgebreide lijst met bijna vierhonderd verschillende oorzaken voor pijn in de rug. Het getal achter de oorzaak is een schatting van het aantal mensen dat jaarlijks in Nederland vanwege die oorzaak rugpijn heeft.

Zeer veel voorkomende oorzaken rugpijn: >10.000/jaar

  • lage rugpijn zonder duidelijke oorzaak (aspecifieke rugpijn) – 245.000
  • verrekt spiertje in de rug – 35.000
  • rughernia (hernia nuclei pulposi) – 18.596
  • gewrichtsslijtage (gegeneraliseerde artrose) – 15.000
  • onbegrepen klachten (functionele klachten) – 13.125

Veel voorkomende oorzaken rugpijn: >1.000/jaar

Minder vaak voorkomende oorzaken van rugpijn: <1.000/jaar

Zeldzame oorzaken van rugpijn: <100/jaar

Zeer zeldzame oorzaken van rugpijn: <10/jaar

Extreem zeldzame oorzaken van rugpijn: <1/jaar

  • biliaire pseudolithiasis – 0,9
  • aangeboren spondyloepifysaire dysplasie (congenitale spondyloepifysaire dysplasie) – 0,9
  • gebruik van mycofenolaatmofetil (CellCept) – 0,8
  • gebruik van mycofenolzuur (Myfortic) – 0,8
  • acute intermitterende porfyrie – 0,8
  • aneurysmatische botcyste – 0,8
  • gebruik van abciximab (ReoPro) – 0,8
  • gebruik van imiquimod (Aldara) – 0,8
  • gebruik van Relvar Ellipta (vilanterol + fluticasonfuroaat) – 0,8
  • West-Nijl koorts (West-Nijl virusinfectie) – 0,6
  • buiktyfus – 0,6
  • syndroom van Cushing door bijniertumor – 0,6
  • wondergezwel bij het staartbeen (sacrococcygeaal teratoom) – 0,6
  • syndroom van Sipple (MEN-syndroom type II) – 0,6
  • kinderverlamming (poliomyelitis) – 0,5
  • gebruik van Jevtana (cabazitaxel) – 0,5
  • gebruik van Tykerb (lapatinib) – 0,5
  • lymfeklierkanker achter het buikvlies (retroperitoneaal lymfoom) – 0,5
  • syndroom van Von Hippel-Lindau – 0,5
  • draaiing van de miltslagader (torsie van de arteria lienalis) – 0,5
  • gebruik van Yondelis (trabectedine) – 0,5
  • spinale spieratrofie type II (spinale musculaire atrofie type II) – 0,5
  • wondergezwel van de eierstok (dermoïdcyste van het ovarium) – 0,4
  • meningeoom van het ruggenmerg – 0,4
  • metaaldampkoorts – 0,4
  • aangeboren afwezigheid pedikel van een borstwervel (congenitale afwezigheid pedikel van thoracale wervel) – 0,4
  • bekkengordeldystrofie (limb-girdle dystrofie) – 0,4
  • gezwel van de wervelkolom (tumor van de wervelkolom) – 0,4
  • xiphoidalgie – 0,3
  • ross-river-virus infectie – 0,3
  • spondyloepifysaire dysplasie – late vorm (spondyloepifysaire dysplasie tarda) – 0,3
  • Ewing sarcoom van de rib – 0,3
  • gebruik van levofloxacine infusievloeistof – 0,3
  • cyste in de bijnier (adrenale cyste) – 0,3
  • chiari-misvorming type I met een syrinx – 0,3
  • gebruik van nilotinib (Tasigna) – 0,2
  • histiocytose (Langerhans-cel histiocytose) – 0,2
  • paraquat vergiftiging (paraquat intoxicatie) – 0,2
  • erfelijke alvleesklierontsteking (hereditaire pancreatitis) – 0,2
  • teflonkoorts (PTFE-toxicose) – 0,2
  • Argentijnse hemorragische koorts – 0,2
  • Boliviaanse hemorragische koorts – 0,2
  • Braziliaanse hemorragische koorts – 0,2
  • Ebola koorts (Ebola hemorrhagische koorts) – 0,2
  • pseudocyste in de bijnier (adrenale pseudocyste) – 0,13
  • abnormaal schildklierweefsel in de eierstok (struma ovarii) – 0,12
  • gezwel van de zwezerik (thymoom) – 0,12
  • ciguatera vergiftiging (ciguatera intoxicatie) – 0,11
  • apenmalaria (Plasmodium knowlesi infectie) – 0,10
  • tana-pokken (tana-pokken virusinfectie) – 0,09
  • xanthoma disseminatum – 0,08
  • tekort aan het enzym adenine fosforibosyltransferase (adenine fosforibosyltransferase deficiëntie) – 0,07
  • otospondylomegaepifysaire dysplasie – 0,06
  • gebruik van Arzerra (ofatumumab) – 0,05
  • gebruik van Bosulif (bosutinib) – 0,05
  • gebruik van Fampyra (fampridine) – 0,05
  • riftdalkoorts – 0,04
  • syndroom van Gorham (idiopathische progressieve osteolyse) – 0,04
  • Marburg hemorrhagische koorts – 0,03
  • gele koorts – 0,02
  • ziekte van Günther (congenitale erythropoietische porfyrie) – 0,01
  • porfyrie door een tekort aan het enzym ALA dehydratase (porfyrie door ALA dehydratase deficiëntie) – 0,001

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 3 april 2017
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 3 april 2017

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *