Overgeven als symptoom bij ziekte

Overgeven – of ‘braken’ – is het krachtig uitwerpen van de onverteerde maaginhoud. Het is een van de meest voorkomende symptomen. Braken wordt meestal voorafgegaan door misselijkheid.

Er zijn meer dan duizend verschillende oorzaken voor braken. Deze webpagina gaat over oorzaken, diagnose en behandeling van braken.

overgeven (braken)

De medische term voor overgeven is ’emesis’ of ‘vomeren’.

Welke oorzaken zijn er?

Er zijn ontzettend veel verschillende oorzaken voor overgeven. De meeste oorzaken zijn onder te verdelen in één van de onderstaande groepen.

  • Ontsteking of infectie in het maagdarmkanaal, bijvoorbeeld buikgriep en voedselvergiftiging;
  • Bijwerking van geneesmiddelen, bijvoorbeeld chemotherapie, ijzertabletten, en morfine;
  • Vergiftiging, bijvoorbeeld alcoholvergiftiging (dronkenschap), koolmonoxidevergiftiging en antivriesvergiftiging;
  • Aandoening van het evenwichtsorgaan, bijvoorbeeld wagenziekte, ontsteking van het evenwichtsorgaan en de ziekte van Ménière;
  • Aandoening van de hersenen, bijvoorbeeld hersenschudding, hersenbloeding, hersentumor, en/of een verhoogde druk in de hersenen;
  • Stofwisselingsstoornis;
  • Operatie met narcose;
  • Psychische aandoening, bijvoorbeeld eetstoornissen zoals anorexia nervosa en boulimia;
  • Zwangerschap.

Aansturing vanuit de hersenen

Overgeven wordt geregeld vanuit de hersenen. Daar waar de hersenen overgaan in het ruggenmerg zit het zogenaamde ‘braakcentrum’. De wetenschappelijk naam hiervoor is ‘area postrema’. Vanuit het braakcentrum wordt braken dus geregeld.

deel van de hersenen waar overgeven wordt geregeld (braakcentrum, area postrema)
Bron: Patrick J. Lynch

Behandeling van overgeven

In principe zal een arts eerst de oorzaak van het overgeven willen weten. Dan is het namelijk mogelijk om de onderliggende oorzaak te behandelen.

Soms is het echter nodig om het braken zelf te behandelen. Dat kan met geneesmiddelen tegen misselijkheid en braken. Dit worden antibraakmiddelen of anti-emetica genoemd. Een veel gebruikt anti-emeticum is bijvoorbeeld metoclopramide.

medicijnen tegen braken

Welke complicaties kunnen optreden?

Overgeven kan een aantal nadelige bijwerkingen geven. De volgende complicaties kunnen optreden:

Uitdroging

Als iemand langere tijd braakt zonder veel te (kunnen) drinken kan uitdroging ontstaan. Vanwege het braken is het vaak lastig om genoeg te drinken. Daarom kan het soms nodig zijn om iemand via een infuus vocht toe te dienen. In dergelijke omstandigheden kan aanhoudend braken dus een reden zijn voor een ziekenhuisopname.

Aspiratie

Met ‘aspiratie’ wordt bedoeld het zich verslikken in opgebraakte of opgegeven maaginhoud. De zure maaginhoud kan hierdoor in de luchtwegen terechtkomen. In sommige gevallen kan dat leiden tot het ontstaan van een longontsteking. Dan wordt gesproken van een ‘aspiratiepneumonie‘.

Mallory-Weiss scheurtjes

Aanhoudend krachtig overgeven kan leiden tot scheurtjes in het slijmvlies van de slokdarm. Dit worden ‘Mallory-Weiss scheurtjes’ genoemd. Het gevolg is dat het braaksel bloed kan bevatten.

Aantasting van het gebit

Aanhoudend braken kan ook het gebit aantasten. Doordat braaksel maagzuur bevat kan het tandglazuur van het gebit worden aangetast.

Engelse vertaling

vomiting

ICD10-code

R11


Overgeven – Differentiaal Diagnose (DD)

Hieronder een uitgebreide lijst met oorzaken van overgeven. Het getal achter de oorzaak geeft een schatting van het aantal mensen in Nederland dat jaarlijks vanwege die oorzaak moet overgeven.

Zeer vaak voorkomende oorzaken van overgeven: >10.000/jaar

  • buikgriep door norovirus (norovirusinfectie) – 323.550
  • dronkenschap (alcoholintoxicatie (intentioneel)) – 179.750
  • wagenziekte – 162.250
  • buikgriep door rotavirus (rotavirusinfectie) – 157.325
  • voedselvergiftiging (enteritis) – 106.000
  • griep (influenza) – 101.150
  • zwangerschap (graviditeit) – 71.060
  • blaasontsteking (acute cystitis) – 41.650
  • zeeziekte – 32.450
  • gebruik van een nieuw geneesmiddel – 30.000
  • narcose (algehele anesthesie) – 28.600
  • infectie van de darm door Campylobacter-bacterie (Campylobacter enteritis) – 26.320
  • infectie van de darm door astrovirus (astrovirusinfectie) – 22.450
  • ontstoken keelamandelen (acute tonsillitis) – 20.825
  • chronische hyperventilatie (chronische hyperventilatie syndroom) – 19.140
  • luchtziekte – 16.225
  • operatie – 13.500
  • ruggenprik (lumbaalpunctie) – 13.275
  • boulimie (bulimia nervosa) – 13.178
  • longontsteking (pneumonie) – 11.896
  • galsteenaanval (galsteenkoliek) – 11.165
  • infectie van het maagdarmkanaal door E. coli (E.coli enteritis) – 10.782

Vaak voorkomende oorzaken van overgeven: >1.000/jaar

Minder vaak voorkomende oorzaken van overgeven: <1.000/jaar

Zeldzame oorzaken van overgeven: <100/jaar

Zeer zeldzame oorzaken van overgeven: <10/jaar

Extreem zeldzame oorzaken van overgeven: <1/jaar

  • MEN-syndroom type I – 0,9
  • Rocky Mountain spotted fever – 0,9
  • cysticercose – 0,9
  • babesiose – 0,9
  • gebruik van chloorpromazine (Largactil) – 0,9
  • foie appendiculaire (pyleflebitis bij appendicitis) – 0,9
  • erfelijk angio-oedeem (hereditair angio-oedeem) – 0,9
  • syndroom van Zuelzer-Wilson – 0,8
  • afsluiting van de alvleeskliergang (obstructie van de ductus pancreaticus) – 0,8
  • zikakoorts (Zika-virus infectie) – 0,8
  • syndroom van Gitelman – 0,8
  • histoplasmose – 0,8
  • tekort aan het enzym N-acetylglutamaatsynthetase (NAGS-deficiëntie) – 0,8
  • gebruik van Alvesco (ciclesonide) inhalator – 0,8
  • gebruik van duloxetine (Cymbalta) – 0,8
  • gebruik van fenofibraat – 0,8
  • gebruik van Invega® (paliperidon) – 0,8
  • gebruik van norfloxacine – 0,8
  • gebruik van theofylline (Theolair) – 0,8
  • idiopathic functional dyspepsia / post-prandial distress syndrome – 0,7
  • aceetaldehyde syndroom – 0,7
  • gebruik van Janumet (sitagliptine / metformine) – 0,7
  • notenkraker syndroom (compressie van de linker v. renalis tussen de a. mesenterica superior en de aorta) – 0,7
  • gebruik van tranylcypromine (merknaam: Tracydan) – 0,7
  • tekort aan het enzym carbamoylfosfaatsyntethase I (carbamoylfosfaatsyntethase I-deficiëntie) – 0,7
  • kinderverlamming (poliomyelitis) – 0,7
  • gebruik van Ventavis (iloprost) – 0,7
  • syndroom van Peutz-Jeghers – 0,6
  • ontsteking van de hersenen met antistoffen tegen de NMDA-receptor (anti-NMDA-receptor encefalitis) – 0,6
  • chikungunya – 0,6
  • gebruik van Xeplion® (paliperidon) – 0,6
  • te langzaam werkende schildklier door geneesmiddel (geneesmiddelen-geïnduceerde hypothyreoïdie) – 0,6
  • adderbeet – 0,6
  • dijbreuk van De Garengeot (De Garengeot hernia) – 0,6
  • voedselvergiftiging door eten van schaaldieren (voedselvergiftiging door eten van schaaldieren) – 0,6
  • syndroom van Von Hippel-Lindau – 0,6
  • secondary pseudo-obstruction – 0,6
  • trichinose – 0,6
  • luchtembolie – 0,6
  • syndroom van Lemierre – 0,6
  • erythroblastosis foetalis – 0,5
  • episodische spontane hypothermie met hyperhidrose – 0,5
  • pseudomyxoom van het buikvlies (pseudomyxoma peritonei) – 0,5
  • terugkerende kraakbeenontsteking (recidiverende polychondritis) – 0,5
  • kanker van restantjes moederkoek (choriocarcinoom) – 0,5
  • gebruik van Daliresp / Libertek (roflumilast) – 0,5
  • gebruik van deferoxamine (Desferal) – 0,5
  • gebruik van doxylamine – 0,5
  • gebruik van voriconazol (Vfend) – 0,5
  • gnathostomiasis – 0,5
  • tekort aan transcobalamine-II (congenitale transcobalamine-II-deficientie) – 0,5
  • OPSI – 0,5
  • chorioncarcinoom van de zaadbal (testiculair chorioncarcinoom) – 0,5
  • mixed connective tissue disease – 0,5
  • spontane lekkage van hersenvocht (spontane liquor hypotensie syndroom) – 0,5
  • Kunjin virusziekte – 0,5
  • hyperlysinemie – 0,5
  • galbulten door blootstelling aan zonlicht (urticaria solaris) – 0,5
  • gebruik van ketoconazol tabletten – 0,5
  • granulomateuze ontsteking van de hypofyse (granulomateuze hypofysitis) – 0,5
  • infectie met het Oropouche-virus (Oropouche-virusziekte) – 0,5
  • gebruik van suramine (Germanin) – 0,5
  • sarcoïdose van de maag – 0,5
  • atypical gastroesophageal reflux – 0,5
  • gebruik van amikacine injectie/infuus – 0,5
  • buikvliesontsteking door tuberculose (peritonitis tuberculosa) – 0,5
  • gewone variabele immuundeficiëntie (common variable immunodeficiency) – 0,4
  • ophoping van pus tussen hersenen en hersenvliezen (subduraal empyeem) – 0,4
  • syndroom van Allgrove (triple-A syndroom) – 0,4
  • haringwormziekte (anisakiasis) – 0,4
  • Marburg hemorrhagische koorts – 0,4
  • MERS (MERS-CoV infectie) – 0,4
  • gebruik van Buccolam (midazolam) – 0,4
  • gebruik van cyproheptadine – 0,4
  • gebruik van metamizol – 0,4
  • hypofosfatasie – vroeg-infantiele vorm – 0,4
  • lassakoorts – 0,4
  • histiocytose (Langerhans-cel histiocytose) – 0,4
  • ehrlichiose (humane monocytaire ehrlichiose) – 0,4
  • erfelijke alvleesklierontsteking (hereditaire pancreatitis) – 0,4
  • vergiftiging met ricine (orale ricine intoxicatie) – 0,4
  • cadmiumvergiftiging (cadmiumintoxicatie) – 0,3
  • liposarcoom van het retroperitoneum (liposarcoom van het retroperitoneum) – 0,3
  • syndroom van Foster-Kennedy – 0,3
  • tekort aan het enzym arginosuccinaatsynthase (argininosuccinaatsynthase deficiëntie) – 0,3
  • zwelling van de hersenen door hoogteziekte (hoogte-hersenoedeem) – 0,3
  • vergiftiging door Dieffenbachia plant (intoxicatie door Dieffenbachia plant) – 0,3
  • VIPoom – 0,3
  • wondergezwel van de eierstok (ovariumteratoom) – 0,3
  • epidemische vlektyfus – 0,3
  • infectie van de hersenstam door Listeria bacterie (rombencefalitis door Listeria monocytogenes) – 0,3
  • tekort aan het enzym valine transaminase (hypervalinemie) – 0,3
  • ziekte van Brill-Zinsser – 0,3
  • infectie met de kleine leverbot (opisthorchiasis) – 0,3
  • scleroserende mesenteritis – 0,3
  • tekort aan het enzym pyruvaatcarboxylase (pyruvaatcarboxylase deficiëntie) – 0,3
  • sarcocystose van de ingewanden (intestinale sarcocystose) – 0,3
  • tekort aan mitochondriaal complex III (mitochondriaal complex III-deficiëntie) – 0,3
  • infectie met de Guinea-worm (dracunculiasis) – 0,3
  • Ebola koorts (Ebola hemorrhagische koorts) – 0,3
  • omentumcyste – 0,3
  • hernia sciatica – 0,3
  • infectie door enterotoxigene Escherichia coli (infectie door enterotoxigene Escherichia coli) – 0,3
  • syndroom van Williams (idiopathische infantiele hypercalciëmie) – 0,3
  • hepatoblastoom – 0,3
  • tekort aan het enzym aldosteron synthase (aldosteron synthase deficiëntie) – 0,3
  • syndroom van Riley-Day (familiaire dysautonomie) – 0,3
  • syndroom van Abderhalden–Kaufmann–Lignac – 0,3
  • linguatulose van de neuskeelholte (nasofaryngeale linguatulose) – 0,3
  • Japanse encefalitis (Japanse encefalitis) – 0,3
  • gebruik van Votubia (everolimus) – 0,3
  • builenpest (Yersinia pestis-infectie) – 0,3
  • gebruik van brentuximab (Adcetris) – 0,3
  • gebruik van Inegy (ezetimibe + simvastatine) – 0,3
  • erfelijke coproporfyrie (hereditaire coproporfyrie) – 0,2
  • paraquat vergiftiging (paraquat intoxicatie) – 0,2
  • aangeboren uitstulping aan de voorkant van het middenrif (congenitale hernia diafragmatica (Morgagni hernia)) – 0,2
  • tekort aan het enzym lipoproteïnelipase (familiaire lipoproteïnelipasedeficiëntie) – 0,2
  • asbestziekte (asbestose) – 0,2
  • lijmsnuiven – 0,2
  • murray-valley-encefalitis – 0,2
  • mannenkraambed (couvade) – 0,2
  • ophoping van het aminozuur cystine in de cellen (cystinose) – 0,2
  • toediening van urapidil injectievloeistof – 0,2
  • vergiftiging met seleen (seleniumintoxicatie) – 0,2
  • Krim-Congo hemorragische koorts – 0,2
  • difterie – 0,2
  • cysteadenoom van de lever – 0,2
  • gebruik van adrenaline autoinjector (EpiPen) – 0,2
  • gebruik van chloorpropamide – 0,2
  • gebruik van pyridostigmine (Mestinon) – 0,2
  • West-Nijl koorts (West-Nijl virusinfectie) – 0,2
  • gebruik van Evoxac (cevimeline) – 0,2
  • ziekte van Wolman – 0,2
  • glutaaracidurie type 2 – 0,2
  • capillairleksyndroom – 0,2
  • tekort aan het enzym succinyl-CoA-acetoacetaat-transferase (SCOT-deficiëntie) – 0,2
  • syndroom van Berdon (megacystis-microcolon-intestinale hypoperistaltiek syndroom) – 0,2
  • Brazilian purpuric fever – 0,2
  • ziekte van Niemann-Pick – 0,2
  • ziekte van Kikuchi – 0,2
  • lymfocytaire choriomeningitis – 0,2
  • gebruik van Elonva (corifollitropine alfa) – 0,2
  • gebruik van tenofovir (Viread, Reviro) – 0,2
  • gebruik van Cibacen (benazepril) – 0,2
  • galblaascyste (galblaascyste) – 0,1
  • lymfeklierkanker in de bloedvaten (intravasculair lymfoom) – 0,1
  • syndroom van Leigh – 0,1
  • gebruik van atovaquone – 0,1
  • gebruik van sibutramine (Reductil) – 0,1
  • scrubtyfus – 0,1
  • syndroom van Romberg (progressieve faciale hemiatrofie) – 0,1
  • infectie van de hersenen met Naegleria fowleri (primaire amoeben meningoencefalitis) – 0,1
  • wondbotulisme – 0,1
  • maple syrup urine disease – 0,1
  • lysine proteïne-intolerantie – 0,1
  • tekort aan het enzym MCC (MCC deficiëntie) – 0,1
  • hyperparathyroidism-jaw tumor syndrome – 0,1
  • tekort aan het enzym acetoacetyl-CoA thiolase (acetoacetyl-CoA thiolase deficiëntie) – 0,1
  • goedaardig gezwel van de kliertjes van Brunner (Brunner-adenoom) – 0,1
  • ziekte van Keshan – 0,1
  • ziekte van Farber (ceramidase deficiëntie) – 0,1
  • gebruik van Hizentra (normaal immunoglobuline) – 0,1
  • gebruik van pyrazinamide – 0,1
  • hart met onderontwikkelde linker kamer (hypoplastisch linkerhart syndroom) – 0,1
  • verbindweefseling van het spierweefsel van het hart (endomyocardiale fibrose) – 0,1
  • ziekte van Rendu-Osler-Weber (hereditaire hemorrhagische teleangiëctasie) – 0,1
  • gebruik van paricalcitol (Zemplar) – 0,1
  • kobaltvergiftiging door inademen van kobalt (kobaltintoxicatie door inhalatie van kobalt) – 0,1
  • ziekte van Tay-Sachs – 0,1
  • chronisch lijmsnuiven – 0,1
  • ziekte van Chagas – 0,1
  • anaplasmose (humane granulocytaire anaplasmose) – 0,1
  • erfelijk angio-oedeem type 3 (hereditair angio-oedeem type 3) – 0,1
  • gebruik van alglucosidase alfa (Myozyme) – 0,1
  • lipoïde congenitale bijnierhyperplasie – 0,1
  • gebruik van Cayston (aztreonam) – 0,09
  • gebruik van Leganto (rotigotine) – 0,09
  • syndroom van Russell-Silver – 0,09
  • Wakana syndroom – 0,08
  • syndroom van Bing-Neel – 0,08
  • syndroom van Heyde – 0,08
  • gebruik van tranylcypromine (merknaam: Tracydan) – 0,08
  • ziekte van Krabbe – 0,07
  • familiair hyperaldosteronisme type 3 – 0,07
  • milk sickness (tremetol intoxicatie) – 0,06
  • tekort aan het enzym SCAD (short-chain acyl-coenzyme A dehydrogenase deficiëntie) – 0,06
  • miltvuur (anthrax) – 0,06
  • ziekte van Günther (congenitale erythropoietische porfyrie) – 0,06
  • vogelgriep (aviaire influenza) – 0,05
  • Omsk hemorragische koorts – 0,05
  • syndroom van Aicardi–Goutières – 0,05
  • spierdystrofie van Duchenne (musculaire dystrofie van Duchenne) – 0,05
  • toxisch oliesyndroom – 0,05
  • tekort aan het enzym enteropeptidase in de darm (intestinale enteropeptidase deficiëntie) – 0,05
  • cysteadenocarcinoom van de lever – 0,05
  • neonatal-onset multisystem inflammatory disease – 0,05
  • ziekte van Canavan (spongiforme leukodystrofie van Canavan) – 0,05
  • gebruik van Vibativ (telavancine) – 0,04
  • tekort aan het enzym malonyl-CoA decarboxylase (malonyl-CoA decarboxylase deficiëntie) – 0,04
  • gele koorts – 0,04
  • draaiing van een in de borstholte gelegen maag (volvulus van een intrathoracale maag) – 0,04
  • refeeding-syndroom – 0,04
  • retroperitoneaal teratoom – 0,03
  • mitochondrial neurogastrointestinal encephalopathy syndrome – 0,03
  • 3-methylglutaconacidurie type 1- 0,03
  • syndroom van Bartter – 0,03
  • porfyrie door een tekort aan het enzym ALA dehydratase (porfyrie door ALA dehydratase deficiëntie) – 0,03
  • ontsteking van de hersenen door het Kunjin virus (Kunjin-encefalitis) – 0,03
  • liposarcoom van de rug – 0,03
  • opsoclonus-myoclonussyndroom – 0,03
  • Afrikaanse slaapziekte (trypanosomiasis) – 0,02
  • CREST-syndroom (limited cutaneous sclerosis) – 0,02
  • hyperdibasische aminoacidurie type 1 – 0,02
  • syndroom van Pearson – 0,02
  • loopgravenkoorts (infectie met Bartonella quintana) – 0,02
  • infectie door het Al-Khurma-virus (Al-Khurma virus-infectie) – 0,02
  • syndroom van Alström – 0,01
  • gebruik van octocog alfa (Kogenate, Kovaltry, Advate, Helixate Nexgen) – 0,01
  • hart met drie boezems (cor triatriatum) – 0,01
  • syndroom van Axenfeld-Rieger – 0,002
  • syndroom van Barth (3-methylglutaconacidurie type 2) – 0,002
  • pokken (variola) – 0,0001

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 23 november 2017
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 23 november 2017


Synoniemen voor overgeven zijn braken, kotsen, spugen, maag omkeren, emesis, vomeren, vomiteren, vomitus, vaak overgeven, niks binnen kunnen houden, alle voedsel en drinken uitbraken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *