Overgeven als symptoom bij ziekte

Overgeven – of ‘braken’ – is het krachtig uitwerpen van de onverteerde maaginhoud. Het is een van de meest voorkomende symptomen. Braken wordt meestal voorafgegaan door misselijkheid.

Er zijn meer dan duizend verschillende oorzaken voor braken. Deze webpagina gaat over oorzaken, diagnose en behandeling van braken.

overgeven (braken)

De medische term voor overgeven is ’emesis’ of ‘vomeren’.

Welke oorzaken zijn er?

Er zijn ontzettend veel verschillende oorzaken voor overgeven. De meeste oorzaken zijn onder te verdelen in één van de onderstaande groepen.

  • Ontsteking of infectie in het maagdarmkanaal, bijvoorbeeld buikgriep en voedselvergiftiging;
  • Bijwerking van geneesmiddelen, bijvoorbeeld chemotherapie, ijzertabletten, en morfine;
  • Vergiftiging, bijvoorbeeld alcoholvergiftiging (dronkenschap), koolmonoxidevergiftiging en antivriesvergiftiging;
  • Aandoening van het evenwichtsorgaan, bijvoorbeeld wagenziekte, ontsteking van het evenwichtsorgaan en de ziekte van Ménière;
  • Aandoening van de hersenen, bijvoorbeeld hersenbloeding, hersentumor, en/of een verhoogde druk in de hersenen;
  • Stofwisselingsstoornis;
  • Operatie met narcose;
  • Psychische aandoening, bijvoorbeeld eetstoornissen zoals anorexia nervosa en boulimia;
  • Zwangerschap.

Aansturing vanuit de hersenen

Overgeven wordt geregeld vanuit de hersenen. Daar waar de hersenen overgaan in het ruggenmerg zit het zogenaamde ‘braakcentrum’. De wetenschappelijk naam hiervoor is ‘area postrema’. Vanuit het braakcentrum wordt braken dus geregeld.

deel van de hersenen waar overgeven wordt geregeld (braakcentrum, area postrema)
Bron: Patrick J. Lynch

Behandeling van overgeven

In principe zal een arts eerst de oorzaak van het overgeven willen weten. Dan is het namelijk mogelijk om de onderliggende oorzaak te behandelen.

Soms is het echter nodig om het braken zelf te behandelen. Dat kan met geneesmiddelen tegen misselijkheid en braken. Dit worden antibraakmiddelen of anti-emetica genoemd. Een veel gebruikt anti-emeticum is bijvoorbeeld metoclopramide.

medicijnen tegen braken

Welke complicaties kunnen optreden?

Overgeven kan een aantal nadelige bijwerkingen geven. De volgende complicaties kunnen optreden:

Uitdroging

Als iemand langere tijd braakt zonder veel te (kunnen) drinken kan uitdroging ontstaan. Vanwege het braken is het vaak lastig om genoeg te drinken. Daarom kan het soms nodig zijn om iemand via een infuus vocht toe te dienen. In dergelijke omstandigheden kan aanhoudend braken dus een reden zijn voor een ziekenhuisopname.

Aspiratie

Met ‘aspiratie’ wordt bedoeld het zich verslikken in opgebraakte of opgegeven maaginhoud. De zure maaginhoud kan hierdoor in de luchtwegen terechtkomen. In sommige gevallen kan dat leiden tot het ontstaan van een longontsteking. Dan wordt gesproken van een ‘aspiratiepneumonie‘.

Mallory-Weiss scheurtjes

Aanhoudend krachtig overgeven kan leiden tot scheurtjes in het slijmvlies van de slokdarm. Dit worden ‘Mallory-Weiss scheurtjes’ genoemd. Het gevolg is dat het braaksel bloed kan bevatten.

Aantasting van het gebit

Aanhoudend braken kan ook het gebit aantasten. Doordat braaksel maagzuur bevat kan het tandglazuur van het gebit worden aangetast.

Engelse vertaling

vomiting

ICD10-code

R11


Overgeven – Differentiaal Diagnose (DD)

Hieronder een uitgebreide lijst met oorzaken van overgeven. Het getal achter de oorzaak geeft een schatting van het aantal mensen in Nederland dat jaarlijks vanwege die oorzaak moet overgeven.

Zeer vaak voorkomende oorzaken van overgeven: >10.000/jaar

  • buikgriep door norovirus (norovirusinfectie) – 323.550
  • dronkenschap (alcoholintoxicatie (intentioneel)) – 179.750
  • wagenziekte – 162.250
  • buikgriep door rotavirus (rotavirusinfectie) – 157.325
  • voedselvergiftiging (enteritis) – 106.000
  • griep (influenza) – 101.150
  • zwangerschap (graviditeit) – 71.060
  • blaasontsteking (acute cystitis) – 41.650
  • zeeziekte – 32.450
  • gebruik van een nieuw geneesmiddel – 30.000
  • narcose (algehele anesthesie) – 28.600
  • infectie van de darm door Campylobacter-bacterie (Campylobacter enteritis) – 26.320
  • infectie van de darm door astrovirus (astrovirusinfectie) – 22.450
  • ontstoken keelamandelen (acute tonsillitis) – 20.825
  • chronische hyperventilatie (chronische hyperventilatie syndroom) – 19.140
  • luchtziekte – 16.225
  • operatie – 13.500
  • ruggenprik (lumbaalpunctie) – 13.275
  • boulimie (bulimia nervosa) – 13.178
  • longontsteking (pneumonie) – 11.896
  • galsteenaanval (galsteenkoliek) – 11.165
  • infectie van het maagdarmkanaal door E. coli (E.coli enteritis) – 10.782

Vaak voorkomende oorzaken van overgeven: >1.000/jaar

Minder vaak voorkomende oorzaken van overgeven: <1.000/jaar

Zeldzame oorzaken van overgeven: <100/jaar

Zeer zeldzame oorzaken van overgeven: <10/jaar

  • hypofyse-infarct – 9
  • splijting van de wand van de grote lichaamsslagader (dissectie van de aorta) – 9
  • refluxnefropathie – 9
  • acute fluorvergiftiging (acute fluorose) – 9
  • gebruik van mesalazine (Asacol, Pentasa, Salofalk) – 9
  • gebruik van Tamiflu (oseltamivir) – 9
  • gebruik van zoledroninezuur (Aclasta) – 9
  • gebruik van zoledroninezuur (Zometa) – 9
  • trombose van de nierader (niervenetrombose) – 9
  • gebruik van Brintellix (vortioxetine) – 9
  • hemangioom van de kleine hersenen (hemangioom van de kleine hersenen) – 9
  • acute intermitterende porfyrie – 9
  • gebruik van sunitinib (Sutent) – 9
  • toxisch megacolon – 9
  • kanker van de twaalfvingerige darm (adenocarcinoom van het duodenum) – 9
  • afsluiting van de blinde darm (mechanische ileus van het caecum) – 9
  • infectie van de darm door cytomegalovirus (CMV-enteritis) – 8
  • gebruik van filgrastim – 8
  • gebruik van itraconazol – 8
  • gebruik van valproïnezuur (Depakine, Convulex) – 8
  • dengue hemorrhagische koorts – 8
  • hemolytisch uremisch syndroom (volwassen vorm) – 8
  • gebruik van Levact (bendamustine) – 8
  • gebruik van Ethyol (amifostine) – 8
  • wandelende nier (ptosis van de nier) – 8
  • gebruik van pramipexol (Sifrol, Mirapexin) – 8
  • overdosis colchicine – 7
  • ringvormige alvleesklier (pancreas annulare) – 7
  • arteria mesenterica superior syndroom – 7
  • cholesterolpropjes die vastlopen in de bloedvaten van de nieren (cholesterolembolieën in de nieren) – 7
  • gebruik van mycofenolaatmofetil (CellCept) – 7
  • gebruik van mycofenolzuur (Myfortic) – 7
  • paradichloorbenzeen vergiftiging (paradichloorbenzeen intoxicatie) – 7
  • histaminevergiftiging (histamine-intoxicatie) – 7
  • cervicocraniaal syndroom – 7
  • infectie door Blastocystis hominis (blastocystose) – 7
  • ontsteking van het onderhuidse bindweefsel van het gezicht (cellulitis van het gezicht) – 7
  • ontsteking van de dikke darm door zuurstoftekort (acute ischemische colitis) – 7
  • ontsteking van het hartzakje door bacterie (bacteriële pericarditis) – 7
  • gebruik van Victrelis (boceprevir) – 7
  • pseudo-obstructie van de darm (pseudo-obstructie van de darm) – 7
  • gastric outlet obstruction – 7
  • aantasting van de evenwichtszenuw (lesie van de N. vestibularis) – 7
  • ontsteking van lendenwervel en tussenwervelschijf (lumbale spondylodiscitis) – 7
  • toediening van fentanyl – 7
  • syndroom van Zieve – 7
  • medulloblastoom – 7
  • mengglioom (glioom – type mixed glioom) – 7
  • blindedarmontsteking bij een niet-gedraaide dikkedarm (acute appendicitis bij non-rotatie van het colon) – 7
  • lucht in de schedel met verhoging van de hersendruk (spanningspneumocefalie) – 7
  • papilloom van de plexus chorioïdeus (plexuspapilloom) – 7
  • ontsteking in de poortader ten gevolge van een ontstoken divertikel (pyleflebitis bij diverticulitis) – 7
  • familiaire hemiplegische migraine – 7
  • sporadische hemiplegische migraine – 7
  • gebruik van Onglyza (saxagliptine) – 7
  • gebruik van Avastin (bevacizumab) – 7
  • loodvergiftiging (chronische loodintoxicatie) – 6
  • kopervergiftiging (koperintoxicatie) – 6
  • rattenbeetziekte (streptobacillose) – 6
  • bloedvergiftiging door Streptococcus pyogenes (Streptococcus pyogenes sepsis) – 6
  • beschadiging van de gehoorzenuw (letsel van de N. cochlearis) – 6
  • vetlever tijdens de zwangerschap (zwangerschapssteatose) – 6
  • gebruik van nilotinib (Tasigna) – 6
  • gebruik van carvedilol – 6
  • gebruik van misoprostol (Cytotec) – 6
  • gebruik van rabeprazol – 6
  • gebruik van roxitromycine – 6
  • gebruik van Strattera (atomoxetine) – 6
  • splijting van de wand van de bovenste darmslagader (dissectie van de A. mesenterica superior) – 6
  • tekort aan fosfaat in het bloed (hypofosfatemie) – 6
  • gebruik van flumazenil (Anexate) – 6
  • bloedvergiftiging na miltverwijdering (postsplenectomiesepsis) – 6
  • abces van de milt (miltabces) – 6
  • miskraam met een infectie (septische abortus) – 6
  • stoppen met het gebruik van van morfine of morfine-achtige geneesmiddelen (opiaatonttrekking) – 6
  • gebruik van palbociclib (merknaam: Ibrance) – 6
  • verstijving van de hartspier (restrictieve cardiomyopathie) – 6
  • kalkneerslag in de nieren (nefrocalcinose) – 6
  • gebruik van baclofen – 6
  • infectie met Strongyloides stercoralis (strongyloidiasis) – 6
  • hoogtelongoedeem – 6
  • bindweefselvorming achter het buikvlies (retroperitoneale fibrose) – 6
  • ontstoken vetaanhangsel aan de dikke darm (appendagitis epiploica) – 6
  • trombose van de sinus cavernosus in de hersenen (cerebrale trombose van de sinus cavernosus) – 6
  • gebruik van prucalopride (Resolor) – 6
  • gebruik van quinapril – 6
  • gebruik van ramipril – 6
  • lidocaïneoverdosering (lidocaïne-intoxicatie) – 5
  • ontsteking van de slokdarm door cytomegalovirus (CMV-oesofagitis) – 5
  • gebruik van oxaliplatine – 5
  • gebruik van tacrine – 5
  • gebruik van thioguanine – 5
  • chronische hepatitis B – 5
  • ontsteking van het rotsbeen (acute mastoïditis) – 5
  • aangeboren vernauwing van de slokdarm (congenitale oesofagusstenose) – 5
  • gebruik van ethambutol – 5
  • gebruik van kaliumchloride – 5
  • gebruik van pergolide (Permax) – 5
  • gebruik van Xyrem (natriumoxybaat) – 5
  • perifere diabetes insipidus – 5
  • gebruik van pimozide (Orap) – 5
  • impetigo herpetiformis – 5
  • ziekte van Takayasu (takayasu-arteriitis) – 5
  • aanvalsgewijze koude hemoglobinurie (paroxismale koude hemoglobinurie) – 5
  • listeriose – 5
  • gebruik van crizotinib – 5
  • cholera – 5
  • methylmalonzuur in het bloed (methylmalonacidemie) – 5
  • gebruik van eprosartan (merknaam Teveten) – 5
  • gebruik van senna – 5
  • maagpoliep – 5
  • polypose van de maag (fundic gland polyposis) – 5
  • lymfocytaire hypofysitis – 4
  • syndroom van Goodpasture – 4
  • mestcelziekte (systemische mastocytose) – 4
  • ontsteking van het vetweefsel rond de darm (panniculitis mesenterica) – 4
  • blaasontsteking met gasvorming in de blaaswand (emfysemateuze cystitis) – 4
  • gebruik van Certican (everolimus) – 4
  • gebruik van colchicine – 4
  • gebruik van pregabaline (Lyrica) – 4
  • gebruik van pentamidine – 4
  • bijnierschorskanker (bijnierschorscarcinoom) – 4
  • ontstoken divertikel van Meckel – 4
  • tekort aan alfa-1-antitrypsine (alfa-1-antitrypsine deficiëntie) – 4
  • gebruik van levofloxacine infusievloeistof – 4
  • gebruik van Victoza (liraglutide) – 4
  • tubulointerstitiële nefritis met uveïtis – 4
  • gebruik van Vimpat (lacosamide) – 4
  • sponsnieren (medullaire cystenieren) – 4
  • hersenvliesontsteking door cryptokokken (cryptokokkenmeningitis) – 4
  • draaiing van de dunne darm (volvulus van de dunne darm) – 4
  • hersenstamkanker (diffuus intrinsiek ponsganglioom) – 4
  • aangeboren vernauwing van de anus (congenitale anusstenose) – 4
  • gebruik van Bosulif (bosutinib) – 4
  • porphyria variegata – 4
  • metaaldampkoorts – 4
  • ontsteking van borstwervel en tussenwervelschijf (thoracale spondylodiscitis) – 4
  • gebruik van chloorpromazine zetpil – 4
  • gebruik van flutamide – 4
  • gebruik van Implanon / Implanon NXT – 4
  • gebruik van HIV-remmers (gebruik van antiretrovirale middelen) – 4
  • epiduraal abces – 3
  • neuronal intestinal dysplasia type A – 3
  • neuronal intestinal dysplasia type B – 3
  • kernicterus (bilirubine-encefalopathie) – 3
  • gebruik van pembrolizumab (Keytruda) – 3
  • amoebenabces van de lever – 3
  • niet aangelegde choane (choane atresie) – 3
  • gebruik van tetrabenazine (Tetmodis, Xenazine) – 3
  • inenting met Havrix (hepatitis A-vaccin) – 3
  • zuurstofvergiftiging (hyperoxie) – 3
  • bijnierinfarct – 3
  • tekenencefalitis – 3
  • abdominale epilepsie – 3
  • gebruik van hydroxycarbamide (Hydrea) – 3
  • gebruik van Rasilez HCT (aliskiren/hydrochloorthiazide) – 3
  • gebruik van Retrovir (zidovudine) – 3
  • gebruik van Zyvoxid (linezolid) – 3
  • nootmuskaatvergiftiging (nootmuskaat intoxicatie) – 3
  • fistel tussen grote lichaamsslagader en slokdarm (oesofago-aortale fistel) – 3
  • hantavirus-infectie – 3
  • stimulatie van de nervus vagus (vagusstimulatie) – 3
  • insulinoom – 3
  • gebruik van lercanidipine (Lerdip) – 3
  • stille schildklierontsteking (stille thyreoïditis) – 3
  • duikersziekte (decompressieziekte) – 3
  • gebruik van Tafinlar (dabrafenib) – 3
  • gebruik van alfuzosine (Xatral en merkloze versies) – 3
  • leverbotinfectie (fascioliasis) – 3
  • gebruik van cabozantinib (Cometriq) – 3
  • kwaadaardig feochromocytoom (maligne feochromocytoom) – 3
  • gebruik van Cholestagel (colesevelam) – 3
  • gebruik van Dificlir (fidaxomicine) – 3
  • hersenvliesontsteking door Toscana-virus (meningitis door Toscana-virus) – 3
  • syndroom van Eisenmenger – 3
  • gastrinoom van de alvleesklier – 3
  • gebruik van Yervoy (ipilimumab) – 3
  • gespleten alvleesklier (pancreas divisum) – 3
  • gebruik van Afinitor (everolimus) – 3
  • parathyromatose – 3
  • gebruik van moclobemide (merknaam: Aurorix) – 3
  • Wilms’ tumor (nefroblastoom) – 3
  • gebruik van trazodon (Trazolan) – 3
  • zwarte koorts (viscerale leishmaniasis) – 2
  • ontsteking van het limbische systeem in de hersenen (limbische encefalitis) – 2
  • amfetaminevergiftiging (amfetamine-intoxicatie) – 2
  • gebruik van Arcoxia (etoricoxib) – 2
  • gebruik van hydroxychloroquine (Plaquenil) – 2
  • gebruik van neostigmine – 2
  • chyleuze peritonitis – 2
  • draaiing van de baarmoeder (torsie van de uterus) – 2
  • syndroom van Münchhausen by proxy – 2
  • tekort aan het enzym arginosuccinaatlyase (arginosuccinaatlyase deficiëntie) – 2
  • styreenvergiftiging (styreenintoxicatie) – 2
  • afsterven van leverweefsel door onvoldoende bloedtoevoer (leverinfarct) – 2
  • lymfeklierkanker in de dunne darm (maligne lymfoom van de dunne darm) – 2
  • trombose van de ader van de eierstok (V. ovarica trombose) – 2
  • gebruik van Komboglyze (saxagliptine/metformine) – 2
  • gebruik van Pravafenix (fenofibraat/pravastatine) – 2
  • gebruik van topiramaat – 2
  • gebruik van labetalol (tabletten) – 2
  • koortsaanvallen na tekenbeet (febris recurrens door Borrelia recurrentis) – 2
  • ruimteziekte (gewichtloosheidsyndroom) – 2
  • villeus adenoom van de papil van Vater – 2
  • aconitine-vergiftiging (aconitine-intoxicatie) – 2
  • gebruik van Prialt (ziconotide) – 2
  • mijnworminfectie (ancylostomiasis) – 2
  • misvormde bloedvaten in de hersenen (arterioveneuze malformatie in de hersenen) – 2
  • galactosemie (klassieke galactosemie) – 2
  • taaislijmziekte (cystische fibrose) – 2
  • contact met haren van de eikenprocessierups – 2
  • gebruik van Levitra (vardenafil) – 2
  • gebruik van macrogol (Forlax) – 2
  • gebruik van octreotide (Sandostatine, Siroctid) – 2
  • gebruik van Rupafin (rupatadine) – 2
  • Colorado tekenkoorts – 2
  • gebruik van Combivir (lamivudine/zidovudine) – 2
  • nierfilterontsteking na infectie met streptococ-bacterie (acute poststreptokokkenglomerulonefritis) – 2
  • koortsaanvallen na luizenbeet (febris recurrens door Borrelia duttoni) – 2
  • gebruik van parecoxib (Dynastat) – 2
  • glucose-galactose resorptiestoornis syndroom – 2
  • sucrose intolerantie – 2
  • gebruik van teriparatide (merknaam: Forsteo) – 2
  • blauwzuurvergiftiging (cyanide intoxicatie) – 2
  • erfelijke fructose-intolerantie (hereditaire fructose-intolerantie) – 2
  • gebruik van Baraclude (entecavir) – 2
  • gebruik van piroxicam – 2
  • te langzaam werkende schildklier door bestraling in het halsgebied (radiotherapie-geïnduceerde hypothyreoïdie) – 2
  • gebruik van Revolade (eltrombopag) – 2
  • teflonkoorts (PTFE-toxicose) – 2
  • ontsteking van nekwervel en tussenwervelschijf (cervicale spondylodiscitis) – 2
  • tekort aan het enzym HMG-CoA-lyase (HMG-CoA-lyasedeficiëntie) – 2
  • aangeboren afwijking in de ureumcyclus (congenitaal defect in de ureumcyclus) – 2
  • syndroom van Stevens-Johnson – 2
  • niercrisis bij sclerodermie (renale crise bij systemische sclerose) – 2
  • gebruik van Tazocin (piperacilline + tazobactam) – 2
  • isovaleriaanacidemie – 2
  • gebruik van Yondelis (trabectedine) – 2
  • cryptokokkeninfectie door het lichaam (gedissemineerde cryptokokkeninfectie) – 2
  • endemische vlektyfus – 2
  • hyper-IgD syndroom – 2
  • syndroom van Sandifer – 2
  • zwartwaterkoorts (hemolytische anemie bij Pl. Falciparum infectie) – 2
  • mesangiale proliferatieve glomerulonefritis – 2
  • ontsteking van het ruggenmerg (myelitis) – 2
  • gebruik van candesartan (Atacand) – 2
  • gebruik van Pradaxa (dabigatran) – 2
  • gebruik van urapidil (Ebrantil) – 2
  • gebruik van Votrient (pazopanib) – 2
  • buikvliesontsteking door meconium (meconium peritonitis) – 1
  • syndroom van Dandy-Walker (Dandy-Walker malformatie) – 1
  • mesenteriale cyste – 1
  • ontsteking van de alvleesklier door gebruik van PEG-interferon met ribavirine (pancreatitis door gebruik van PEG-interferon met ribavirine) – 1
  • darmsteen (enteroliet) – 1
  • gebruik van kinidine – 1
  • persisterende aura zonder herseninfarct – 1
  • tekort aan biotine (biotine deficiëntie) – 1
  • zinkvergiftiging (zinkintoxicatie) – 1
  • gebruik van deferipron (Ferriprox) – 1
  • vislintworm (Diphyllobothrium latum-infectie) – 1
  • ciguatera vergiftiging (ciguatera intoxicatie) – 1
  • gebruik van Copaxone (glatirameer) – 1
  • tekort aan het enzym arginase I (argininemie) – 1
  • overdosis Dexaprine – 1
  • Hirschsprung-enterocolitis (Hirschsprung-enterocolitis) – 1
  • syndroom van Fanconi – 1
  • gebruik van Cymevene (ganciclovir) – 1
  • PFAPA-syndroom – 1
  • gebruik van thiamazol (Strumazol) – 1
  • ketotische glycinemie – 1
  • duplicatiecyste van de maag – 1
  • gebruik van propylthiouracil – 1
  • gebruik van Aubagio (teriflunomide) – 1
  • primary pseudo-obstruction – 1
  • gebruik van Daklinza (daclatasvir) – 1
  • gebruik van Eucreas® (vildagliptine + metformine) – 1
  • gebruik van ofloxacine (Tarivid) – 1
  • gebruik van Plenaxis (abarelix) – 1
  • botulisme – 1
  • crush syndroom – 1
  • organische acidemie – 1
  • syndroom van Smith-Magenis – 1
  • tropische malaria (malaria door Plasmodium falciparum) – 1
  • ureumcyclusdefect – 1
  • vetzuuroxidatiestoornis – 1
  • aanvalsgewijze nachtelijke hemoglobinurie (paroxismale nachtelijke hemoglobinurie) – 1
  • duplicatiecyste van de dunne darm – 1
  • MALT-lymfoom van de maag – 1
  • aanhoudende éénzijdige hoofdpijn (hemicrania continua) – 1
  • tuberculeuze meningitis (meningitis tuberculosa) – 1
  • argininobarnsteenzuur acidurie (argininosuccinase deficiëntie) – 1
  • vergiftiging met fenol (fenol intoxicatie) – 1
  • sarcoom van bloedvaten in de lever (hemangioendotheliaal sarcoom van de lever) – 1
  • syndroom van Budd-Chiari – 1
  • collageneuze enteritis – 1
  • vruchtwaterembolie – 1
  • gebruik van demeclocycline – 1
  • gebruik van Exjade (deferasirox) – 1
  • vernauwing van de mitraalklep (mitralisstenose) – 1
  • zygomycose – 1
  • ontsteking van het limbische systeem in de hersenen met antistoffen tegen VGKC (limbische encefalitis met anti-VGKC-antistoffen) – 1
  • gray baby-syndroom (chlooramfenicol-toxiciteit bij pasgeborenen) – 1
  • compartimentsyndroom van de buik (abdominaal compartimentsyndroom) – 1
  • gebruik van betahistine (Betaserc) – 1
  • gebruik van Vesomni (solifenacine / tamsulosine) – 1
  • ontsteking van het strotklepje (acute epiglottitis) – 1
  • aangeboren tekort aan carnitine (primaire carnitinedeficiëntie) – 1
  • bloedvergiftiging door Capnocytophaga canimorsus (Capnocytophaga canimorsus sepsis) – 1
  • gebruik van Stribild (elvitegravir-cobicistat-gemcitabine-tenofovir) – 1
  • dragerschap OTC deficientie (dragerschap OTC deficientie) – 1
  • gastrinoom van de dunne darm – 1
  • erfelijke eierstokkanker (hereditair ovariumcarcinoom) – 1
  • gebruik van galantamine – 1
  • supra-orbitalis neuralgie – 1
  • Chinese leverbotinfectie (clonorchiasis) – 1
  • syndroom van Cornelia de Lange – 1
  • stralingsziekte (acute stralingsziekte) – 1
  • aangeboren vernauwing van de grote lichaamsslagader (coarctatio aortae) – 1
  • tekort aan het enzym VLCAD (VLCAD-deficiëntie) – 1
  • gebruik van Esbriet (pirfenidon) – 1
  • Mexicaanse griep (nieuwe influenza A (H1N1)) – 1
  • gebruik van lamivudine – 1

Extreem zeldzame oorzaken van overgeven: <1/jaar

  • MEN-syndroom type I – 0,9
  • Rocky Mountain spotted fever – 0,9
  • cysticercose – 0,9
  • babesiose – 0,9
  • gebruik van chloorpromazine (Largactil) – 0,9
  • foie appendiculaire (pyleflebitis bij appendicitis) – 0,9
  • erfelijk angio-oedeem (hereditair angio-oedeem) – 0,9
  • syndroom van Zuelzer-Wilson – 0,8
  • afsluiting van de alvleeskliergang (obstructie van de ductus pancreaticus) – 0,8
  • zikakoorts (Zika-virus infectie) – 0,8
  • syndroom van Gitelman – 0,8
  • histoplasmose – 0,8
  • tekort aan het enzym N-acetylglutamaatsynthetase (NAGS-deficiëntie) – 0,8
  • gebruik van Alvesco (ciclesonide) inhalator – 0,8
  • gebruik van duloxetine (Cymbalta) – 0,8
  • gebruik van fenofibraat – 0,8
  • gebruik van Invega® (paliperidon) – 0,8
  • gebruik van norfloxacine – 0,8
  • gebruik van theofylline (Theolair) – 0,8
  • idiopathic functional dyspepsia / post-prandial distress syndrome – 0,7
  • aceetaldehyde syndroom – 0,7
  • gebruik van Janumet (sitagliptine / metformine) – 0,7
  • notenkraker syndroom (compressie van de linker v. renalis tussen de a. mesenterica superior en de aorta) – 0,7
  • gebruik van tranylcypromine (merknaam: Tracydan) – 0,7
  • tekort aan het enzym carbamoylfosfaatsyntethase I (carbamoylfosfaatsyntethase I-deficiëntie) – 0,7
  • kinderverlamming (poliomyelitis) – 0,7
  • gebruik van Ventavis (iloprost) – 0,7
  • syndroom van Peutz-Jeghers – 0,6
  • ontsteking van de hersenen met antistoffen tegen de NMDA-receptor (anti-NMDA-receptor encefalitis) – 0,6
  • chikungunya – 0,6
  • gebruik van Xeplion® (paliperidon) – 0,6
  • te langzaam werkende schildklier door geneesmiddel (geneesmiddelen-geïnduceerde hypothyreoïdie) – 0,6
  • adderbeet – 0,6
  • dijbreuk van De Garengeot (De Garengeot hernia) – 0,6
  • voedselvergiftiging door eten van schaaldieren (voedselvergiftiging door eten van schaaldieren) – 0,6
  • syndroom van Von Hippel-Lindau – 0,6
  • secondary pseudo-obstruction – 0,6
  • trichinose – 0,6
  • luchtembolie – 0,6
  • syndroom van Lemierre – 0,6
  • erythroblastosis foetalis – 0,5
  • episodische spontane hypothermie met hyperhidrose – 0,5
  • pseudomyxoom van het buikvlies (pseudomyxoma peritonei) – 0,5
  • terugkerende kraakbeenontsteking (recidiverende polychondritis) – 0,5
  • kanker van restantjes moederkoek (choriocarcinoom) – 0,5
  • gebruik van Daliresp / Libertek (roflumilast) – 0,5
  • gebruik van deferoxamine (Desferal) – 0,5
  • gebruik van doxylamine – 0,5
  • gebruik van voriconazol (Vfend) – 0,5
  • gnathostomiasis – 0,5
  • tekort aan transcobalamine-II (congenitale transcobalamine-II-deficientie) – 0,5
  • OPSI – 0,5
  • chorioncarcinoom van de zaadbal (testiculair chorioncarcinoom) – 0,5
  • mixed connective tissue disease – 0,5
  • spontane lekkage van hersenvocht (spontane liquor hypotensie syndroom) – 0,5
  • Kunjin virusziekte – 0,5
  • hyperlysinemie – 0,5
  • galbulten door blootstelling aan zonlicht (urticaria solaris) – 0,5
  • gebruik van ketoconazol tabletten – 0,5
  • granulomateuze ontsteking van de hypofyse (granulomateuze hypofysitis) – 0,5
  • infectie met het Oropouche-virus (Oropouche-virusziekte) – 0,5
  • gebruik van suramine (Germanin) – 0,5
  • sarcoïdose van de maag – 0,5
  • atypical gastroesophageal reflux – 0,5
  • gebruik van amikacine injectie/infuus – 0,5
  • buikvliesontsteking door tuberculose (peritonitis tuberculosa) – 0,5
  • gewone variabele immuundeficiëntie (common variable immunodeficiency) – 0,4
  • ophoping van pus tussen hersenen en hersenvliezen (subduraal empyeem) – 0,4
  • syndroom van Allgrove (triple-A syndroom) – 0,4
  • haringwormziekte (anisakiasis) – 0,4
  • Marburg hemorrhagische koorts – 0,4
  • MERS (MERS-CoV infectie) – 0,4
  • gebruik van Buccolam (midazolam) – 0,4
  • gebruik van cyproheptadine – 0,4
  • gebruik van metamizol – 0,4
  • hypofosfatasie – vroeg-infantiele vorm – 0,4
  • lassakoorts – 0,4
  • histiocytose (Langerhans-cel histiocytose) – 0,4
  • ehrlichiose (humane monocytaire ehrlichiose) – 0,4
  • erfelijke alvleesklierontsteking (hereditaire pancreatitis) – 0,4
  • vergiftiging met ricine (orale ricine intoxicatie) – 0,4
  • cadmiumvergiftiging (cadmiumintoxicatie) – 0,3
  • liposarcoom van het retroperitoneum (liposarcoom van het retroperitoneum) – 0,3
  • syndroom van Foster-Kennedy – 0,3
  • tekort aan het enzym arginosuccinaatsynthase (argininosuccinaatsynthase deficiëntie) – 0,3
  • zwelling van de hersenen door hoogteziekte (hoogte-hersenoedeem) – 0,3
  • vergiftiging door Dieffenbachia plant (intoxicatie door Dieffenbachia plant) – 0,3
  • VIPoom – 0,3
  • wondergezwel van de eierstok (ovariumteratoom) – 0,3
  • epidemische vlektyfus – 0,3
  • infectie van de hersenstam door Listeria bacterie (rombencefalitis door Listeria monocytogenes) – 0,3
  • tekort aan het enzym valine transaminase (hypervalinemie) – 0,3
  • ziekte van Brill-Zinsser – 0,3
  • infectie met de kleine leverbot (opisthorchiasis) – 0,3
  • scleroserende mesenteritis – 0,3
  • tekort aan het enzym pyruvaatcarboxylase (pyruvaatcarboxylase deficiëntie) – 0,3
  • sarcocystose van de ingewanden (intestinale sarcocystose) – 0,3
  • tekort aan mitochondriaal complex III (mitochondriaal complex III-deficiëntie) – 0,3
  • infectie met de Guinea-worm (dracunculiasis) – 0,3
  • Ebola koorts (Ebola hemorrhagische koorts) – 0,3
  • omentumcyste – 0,3
  • hernia sciatica – 0,3
  • infectie door enterotoxigene Escherichia coli (infectie door enterotoxigene Escherichia coli) – 0,3
  • syndroom van Williams (idiopathische infantiele hypercalciëmie) – 0,3
  • hepatoblastoom – 0,3
  • tekort aan het enzym aldosteron synthase (aldosteron synthase deficiëntie) – 0,3
  • syndroom van Riley-Day (familiaire dysautonomie) – 0,3
  • syndroom van Abderhalden–Kaufmann–Lignac – 0,3
  • linguatulose van de neuskeelholte (nasofaryngeale linguatulose) – 0,3
  • Japanse encefalitis (Japanse encefalitis) – 0,3
  • gebruik van Votubia (everolimus) – 0,3
  • builenpest (Yersinia pestis-infectie) – 0,3
  • gebruik van brentuximab (Adcetris) – 0,3
  • gebruik van Inegy (ezetimibe + simvastatine) – 0,3
  • erfelijke coproporfyrie (hereditaire coproporfyrie) – 0,2
  • paraquat vergiftiging (paraquat intoxicatie) – 0,2
  • aangeboren uitstulping aan de voorkant van het middenrif (congenitale hernia diafragmatica (Morgagni hernia)) – 0,2
  • tekort aan het enzym lipoproteïnelipase (familiaire lipoproteïnelipasedeficiëntie) – 0,2
  • asbestziekte (asbestose) – 0,2
  • lijmsnuiven – 0,2
  • murray-valley-encefalitis – 0,2
  • mannenkraambed (couvade) – 0,2
  • ophoping van het aminozuur cystine in de cellen (cystinose) – 0,2
  • toediening van urapidil injectievloeistof – 0,2
  • vergiftiging met seleen (seleniumintoxicatie) – 0,2
  • Krim-Congo hemorragische koorts – 0,2
  • difterie – 0,2
  • cysteadenoom van de lever – 0,2
  • gebruik van adrenaline autoinjector (EpiPen) – 0,2
  • gebruik van chloorpropamide – 0,2
  • gebruik van pyridostigmine (Mestinon) – 0,2
  • West-Nijl koorts (West-Nijl virusinfectie) – 0,2
  • gebruik van Evoxac (cevimeline) – 0,2
  • ziekte van Wolman – 0,2
  • glutaaracidurie type 2 – 0,2
  • capillairleksyndroom – 0,2
  • tekort aan het enzym succinyl-CoA-acetoacetaat-transferase (SCOT-deficiëntie) – 0,2
  • syndroom van Berdon (megacystis-microcolon-intestinale hypoperistaltiek syndroom) – 0,2
  • Brazilian purpuric fever – 0,2
  • ziekte van Niemann-Pick – 0,2
  • ziekte van Kikuchi – 0,2
  • lymfocytaire choriomeningitis – 0,2
  • gebruik van Elonva (corifollitropine alfa) – 0,2
  • gebruik van tenofovir (Viread, Reviro) – 0,2
  • gebruik van Cibacen (benazepril) – 0,2
  • galblaascyste (galblaascyste) – 0,1
  • lymfeklierkanker in de bloedvaten (intravasculair lymfoom) – 0,1
  • syndroom van Leigh – 0,1
  • gebruik van atovaquone – 0,1
  • gebruik van sibutramine (Reductil) – 0,1
  • scrubtyfus – 0,1
  • syndroom van Romberg (progressieve faciale hemiatrofie) – 0,1
  • infectie van de hersenen met Naegleria fowleri (primaire amoeben meningoencefalitis) – 0,1
  • wondbotulisme – 0,1
  • maple syrup urine disease – 0,1
  • lysine proteïne-intolerantie – 0,1
  • tekort aan het enzym MCC (MCC deficiëntie) – 0,1
  • hyperparathyroidism-jaw tumor syndrome – 0,1
  • tekort aan het enzym acetoacetyl-CoA thiolase (acetoacetyl-CoA thiolase deficiëntie) – 0,1
  • goedaardig gezwel van de kliertjes van Brunner (Brunner-adenoom) – 0,1
  • ziekte van Keshan – 0,1
  • ziekte van Farber (ceramidase deficiëntie) – 0,1
  • gebruik van Hizentra (normaal immunoglobuline) – 0,1
  • gebruik van pyrazinamide – 0,1
  • hart met onderontwikkelde linker kamer (hypoplastisch linkerhart syndroom) – 0,1
  • verbindweefseling van het spierweefsel van het hart (endomyocardiale fibrose) – 0,1
  • ziekte van Rendu-Osler-Weber (hereditaire hemorrhagische teleangiëctasie) – 0,1
  • gebruik van paricalcitol (Zemplar) – 0,1
  • kobaltvergiftiging door inademen van kobalt (kobaltintoxicatie door inhalatie van kobalt) – 0,1
  • ziekte van Tay-Sachs – 0,1
  • chronisch lijmsnuiven – 0,1
  • ziekte van Chagas – 0,1
  • anaplasmose (humane granulocytaire anaplasmose) – 0,1
  • erfelijk angio-oedeem type 3 (hereditair angio-oedeem type 3) – 0,1
  • gebruik van alglucosidase alfa (Myozyme) – 0,1
  • lipoïde congenitale bijnierhyperplasie – 0,1
  • gebruik van Cayston (aztreonam) – 0,09
  • gebruik van Leganto (rotigotine) – 0,09
  • syndroom van Russell-Silver – 0,09
  • Wakana syndroom – 0,08
  • syndroom van Bing-Neel – 0,08
  • syndroom van Heyde – 0,08
  • gebruik van tranylcypromine (merknaam: Tracydan) – 0,08
  • ziekte van Krabbe – 0,07
  • familiair hyperaldosteronisme type 3 – 0,07
  • milk sickness (tremetol intoxicatie) – 0,06
  • tekort aan het enzym SCAD (short-chain acyl-coenzyme A dehydrogenase deficiëntie) – 0,06
  • miltvuur (anthrax) – 0,06
  • ziekte van Günther (congenitale erythropoietische porfyrie) – 0,06
  • vogelgriep (aviaire influenza) – 0,05
  • Omsk hemorragische koorts – 0,05
  • syndroom van Aicardi–Goutières – 0,05
  • spierdystrofie van Duchenne (musculaire dystrofie van Duchenne) – 0,05
  • toxisch oliesyndroom – 0,05
  • tekort aan het enzym enteropeptidase in de darm (intestinale enteropeptidase deficiëntie) – 0,05
  • cysteadenocarcinoom van de lever – 0,05
  • neonatal-onset multisystem inflammatory disease – 0,05
  • ziekte van Canavan (spongiforme leukodystrofie van Canavan) – 0,05
  • gebruik van Vibativ (telavancine) – 0,04
  • tekort aan het enzym malonyl-CoA decarboxylase (malonyl-CoA decarboxylase deficiëntie) – 0,04
  • gele koorts – 0,04
  • draaiing van een in de borstholte gelegen maag (volvulus van een intrathoracale maag) – 0,04
  • refeeding-syndroom – 0,04
  • retroperitoneaal teratoom – 0,03
  • mitochondrial neurogastrointestinal encephalopathy syndrome – 0,03
  • 3-methylglutaconacidurie type 1- 0,03
  • syndroom van Bartter – 0,03
  • porfyrie door een tekort aan het enzym ALA dehydratase (porfyrie door ALA dehydratase deficiëntie) – 0,03
  • ontsteking van de hersenen door het Kunjin virus (Kunjin-encefalitis) – 0,03
  • liposarcoom van de rug – 0,03
  • opsoclonus-myoclonussyndroom – 0,03
  • Afrikaanse slaapziekte (trypanosomiasis) – 0,02
  • CREST-syndroom (limited cutaneous sclerosis) – 0,02
  • hyperdibasische aminoacidurie type 1 – 0,02
  • syndroom van Pearson – 0,02
  • loopgravenkoorts (infectie met Bartonella quintana) – 0,02
  • infectie door het Al-Khurma-virus (Al-Khurma virus-infectie) – 0,02
  • syndroom van Alström – 0,01
  • gebruik van octocog alfa (Kogenate, Kovaltry, Advate, Helixate Nexgen) – 0,01
  • hart met drie boezems (cor triatriatum) – 0,01
  • syndroom van Axenfeld-Rieger – 0,002
  • syndroom van Barth (3-methylglutaconacidurie type 2) – 0,002
  • pokken (variola) – 0,0001

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 23 november 2017
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 23 november 2017


Synoniemen voor overgeven zijn braken, kotsen, spugen, maag omkeren, emesis, vomeren, vomiteren, vomitus, vaak overgeven, niks binnen kunnen houden, alle voedsel en drinken uitbraken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *