Misselijkheid – inleiding

Misselijkheid behoort – samen met hoofdpijn en koorts – tot de meest voorkomende medische klachten. Vrijwel iedereen is wel eens misselijk. Ernstige misselijkheid leidt vaak tot overgeven (braken).

misselijkheid

Op deze pagina vind je informatie over oorzaken en behandeling van misselijkheid.

Oorzaken misselijkheid

Er zijn zeer veel verschillende oorzaken voor misselijkheid. De meeste oorzaken vallen in één van de onderstaande groepen.

  • Ontsteking of infectie in het maagdarmkanaal (gastro-enteritis) – meestal gaat het om een infectie met virussen (buikgriep), soms met bacteriën;
  • Voedselvergiftiging – voedselvergiftiging is een beruchte oorzaak van ernstige – maar gelukkig vaak kortdurende – misselijkheid;
  • Geneesmiddelen – er zijn zeer veel geneesmiddelen die misselijkheid als bijwerking kunnen geven; berucht zijn geneesmiddelen die bij de behandeling van kanker worden gebruikt (chemotherapie); soms kan ook het stoppen van het langdurig gebruik van een geneesmiddel leiden tot misselijkheid;
  • Aandoeningen van de ingewanden – bijvoorbeeld vernauwing of verstopping van de galwegen en nieren;
  • Zwangerschap
  • Aandoeningen van het binnenoor – hieronder vallen ook de zogenaamde ‘bewegingsziekten’ (wagenziekte, zeeziekte, luchtziekte);
  • Gebruik van alcohol of drugs;
  • Narcose;
  • Bepaalde aandoeningen van de (bloedvaten in de) hersenen, bijvoorbeeld migraine en hersenvliesontsteking;
  • Stofwisselingsziekten – er zijn een aantal zeldzame stofwisselingsziekten waarbij misselijkheid als symptoom kan optreden..

Onderaan deze pagina staat een uitgebreide lijst van oorzaken voor misselijkheid.

Wat kun je ertegen doen?

Wat kan ik zelf doen?

Er is niet zo veel dat je zelf kunt doen tegen misselijkheid. Soms is het mogelijk om de oorzaak weg te nemen, bijvoorbeeld bij wagenziekte. Ook zijn er een aantal drogisterijmiddelen of kruidengeneesmiddelen waarvan beweerd wordt dat ze misselijkheid tegengaan. De werkzaamheid van deze middelen valt in de praktijk echter tegen.

Wat kan de arts doen?

De arts zal willen weten wat de oorzaak van de misselijkheid is. Om daarachter te komen worden vragen gesteld:

  • Wanneer treedt de misselijkheid op? Vooral ‘s ochtends? Na de maaltijd? etc.
  • Gaat de misselijkheid gepaard met overgeven?
  • Zijn er nog andere klachten? Hoofdpijn? Koorts?
  • Zijn er mensen in de direct omgeving die ook misselijk zijn?

De arts kan eventueel besluiten om aanvullend onderzoek te laten doen, bijvoorbeeld bloedonderzoek, urineonderzoek of beeldvormend onderzoek.

Als duidelijk is wat de oorzaak van de misselijkheid is zal de arts beoordelen of daarvoor behandeling nodig is. Soms zal het niet duidelijk worden wat de oorzaak is. In dat geval kan de arts een geneesmiddel tegen misselijkheid voorschrijven. Geneesmiddelen tegen misselijkheid worden anti-emetica genoemd. Voorbeelden van anti-emetica zijn metoclopramide, domperidon en ondansetron.

metoclopramide tegen misselijkheid
metoclopramide tabletten

Engelse vertaling

nausea


Lijst met oorzaken misselijkheid

Hieronder een uitgebreide lijst met meer dan duizend oorzaken van misselijkheid. Het getal achter de oorzaak geeft een schatting van het aantal mensen dat jaarlijks in Nederland vanwege die oorzaak misselijk is.

data-ad-client="ca-pub-2214886910548600" data-ad-slot="5670059381">

Oorzaken misselijkheid >10.000/jaar

Oorzaken misselijkheid >1.000/jaar

Oorzaken misselijkheid <1.000/jaar

Oorzaken misselijkheid <100/jaar

Oorzaken misselijkheid <10/jaar

  • gebruik van Toviaz (fesoterodine) – 9
  • syndroom van Wolff-Parkinson-White – 9
  • gebruik van Eliquis (apixaban) – 9
  • refluxnefropathie – 9
  • lymfocytaire hypofysitis – 9
  • hersenvliesontsteking door stafylokokken (stafylokokken meningitis) – 9
  • hartzwakte rond de bevalling (peripartum-cardiomyopathie) – 9
  • lidocaïneoverdosering (lidocaïne-intoxicatie) – 9
  • ontsteking van het limbische systeem in de hersenen met antistoffen tegen VGKC (limbische encefalitis met anti-VGKC-antistoffen) – 9
  • syndroom van Waterhouse-Friderichsen – 9
  • gebruik van oxaliplatine – 9
  • gebruik van Zyvoxid (linezolid) – 9
  • amoebenabces van de lever – 9
  • chronische hepatitis B – 9
  • syndroom van Goodpasture – 8
  • gebruik van nilotinib (Tasigna) – 8
  • chiari-misvorming type I (chiari-I-malformatie) – 8
  • zuurstofvergiftiging (hyperoxie) – 8
  • gebruik van EllaOne (ulipristalacetaat) – 8
  • gebruik van Esmya (ulipristalacetaat) – 8
  • gebruik van Invokana (canagliflozine) – 8
  • gebruik van magnesium oxide – 8
  • gebruik van Tamiflu (oseltamivir) – 8
  • gebruik van fomepizol (intraveneus) – 8
  • loodvergiftiging (chronische loodintoxicatie) – 8
  • blindedarmontsteking bij een niet-gedraaide dikkedarm (acute appendicitis bij non-rotatie van het colon) – 8
  • hantavirus-infectie – 8
  • metaaldampkoorts – 8
  • bijnierinfarct – 8
  • aanvalsgewijze koude hemoglobinurie (paroxismale koude hemoglobinurie) – 8
  • gebruik van DuaklirGenuair (aclidinium bromide/formoterol) – 8
  • gebruik van tacrine – 7
  • epiduraal abces – 7
  • hoogtelongoedeem – 7
  • Stevens-Johnson syndroom – 7
  • gebruik van Cholestagel (colesevelam) – 7
  • aspirine-intolerantie (intolerantie voor NSAID’s) – 7
  • nootmuskaatvergiftiging (nootmuskaatintoxicatie) – 7
  • slaaphoofdpijn (hypnische hoofdpijn) – 7
  • gebruik van Certican (everolimus) – 7
  • vislintworm (Diphyllobothrium latum-infectie) – 7
  • gebruik van quinapril – 7
  • gebruik van ramipril – 7
  • gebruik van deferoxamine (Desferal) – 7
  • gebruik van Rasilez HCT (aliskiren/hydrochloorthiazide) – 7
  • gebruik van thioguanine – 7
  • arteria mesenterica superior syndroom – 7
  • gebruik van pentamidine – 7
  • familiaire hemiplegische migraine – 6
  • sporadische hemiplegische migraine – 6
  • gebruik van neostigmine – 6
  • bloedvergiftiging na miltverwijdering (postsplenectomiesepsis) – 6
  • hersenvliesontsteking door cryptokokken (cryptokokkenmeningitis) – 6
  • medulloblastoom – 6
  • gebruik van Dificlir (fidaxomicine) – 6
  • sponsnieren (medullaire cystenieren) – 6
  • gebruik van chloorpromazine zetpil – 6
  • gebruik van labetalol (tabletten) – 6
  • gebruik van Prialt (ziconotide) – 6
  • nierfilterontsteking na infectie met streptococ-bacterie (acute poststreptokokkenglomerulonefritis) – 6
  • gebruik van Repatha (evolocumab) – 6
  • stoppen met het gebruik van van morfine of morfine-achtige geneesmiddelen (opiaatonttrekking) – 6
  • tekort aan biotine (biotine deficiëntie) – 6
  • zinkvergiftiging (zinkintoxicatie) – 6
  • gebruik van Baraclude (entecavir) – 6
  • gebruik van icatibant (merknaam: Firazyr) – 6
  • gebruik van Ventavis (iloprost) – 6
  • gebruik van Daliresp / Libertek (roflumilast) – 6
  • verstijving van de hartspier (restrictieve cardiomyopathie) – 6
  • gebruik van Combivir (lamivudine/zidovudine) – 6
  • ontsteking van het hartzakje door bacterie (bacteriële pericarditis) – 6
  • tubulointerstitiële nefritis met uveïtis – 6
  • gebruik van Retrovir (zidovudine) – 6
  • erfelijke maagkanker (erfelijke diffuse maagkanker) – 5
  • gebruik van Revolade (eltrombopag) – 5
  • ontsteking van de hersenen met antistoffen tegen de NMDA-receptor (anti-NMDA-receptor encefalitis) – 5
  • papilloom van de plexus chorioïdeus (plexuspapilloom) – 5
  • gebruik van fenofibraat – 5
  • gebruik van Vesicare (solifenacine) – 5
  • aplastische anemie – 5
  • vitamine B1-tekort (thiaminedeficiëntie) – 5
  • Middellandse zeekoorts (familiaire mediterrane koorts) – 5
  • ziekte van Fabry (alfa-galactosidase A deficiëntie) – 5
  • koortsaanvallen na tekenbeet (febris recurrens door Borrelia recurrentis) – 5
  • ruimteziekte (gewichtloosheidsyndroom) – 5
  • luchtembolie – 5
  • gebruik van crizotinib – 5
  • gebruik van Rapamune (sirolimus) – 5
  • stimulatie van de nervus vagus (vagusstimulatie) – 5
  • aantasting van de evenwichtszenuw (lesie van de N. vestibularis) – 5
  • primaire amyloïdose – 5
  • impetigo herpetiformis – 5
  • aanhoudende éénzijdige hoofdpijn (hemicrania continua) – 5
  • ziekte van Takayasu (takayasu-arteriitis) – 5
  • cholera – 5
  • zwarte koorts (viscerale leishmaniasis) – 5
  • gebruik van pimozide (Orap) – 5
  • gebruik van Votrient (pazopanib) – 5
  • gebruik van Tafinlar (dabrafenib) – 5
  • afsterven van leverweefsel door onvoldoende bloedtoevoer (leverinfarct) – 5
  • trombose van de ader van de eierstok (V. ovarica trombose) – 5
  • gebruik van theofylline (Theolair) – 5
  • gebruik van Pradaxa (dabigatran) – 5
  • zygomycose – 4
  • gebruik van Eucreas® (vildagliptine + metformine) – 4
  • gebruik van Eviplera (rilpivirine/tenofovir/emtricitabine) – 4
  • organisch psychosyndroom (chronische toxische encephalopathie) – 4
  • gastrinoom van de alvleesklier – 4
  • ketamineverslaving – 4
  • koortsaanvallen na luizenbeet (febris recurrens door Borrelia duttoni) – 4
  • kwaadaardig feochromocytoom (maligne feochromocytoom) – 4
  • hersenvliesontsteking door Toscana-virus (meningitis door Toscana-virus) – 4
  • mesenteric inflammatory veno-occlusive disease – 4
  • infectie van de dunne darm – 4
  • gebruik van modafinil (Modiodal, Aspendos) – 4
  • teflonkoorts (PTFE-toxicose) – 4
  • mesangiale proliferatieve glomerulonefritis – 4
  • duikersziekte (decompressieziekte) – 4
  • gebruik van piroxicam – 4
  • gebruik van Emselex (darifenacine) – 4
  • leverbotinfectie (fascioliasis) – 4
  • gebruik van Inspra (eplerenon) – 4
  • amfetaminevergiftiging (amfetamine-intoxicatie) – 4
  • cytokine release syndroom – 4
  • gebruik van biperideen – 4
  • endemische vlektyfus – 4
  • aanvalsgewijze nachtelijke hemoglobinurie (paroxismale nachtelijke hemoglobinurie) – 4
  • gebruik van Tazocin (piperacilline + tazobactam) – 4
  • syndroom van Budd-Chiari – 4
  • tekenencefalitis – 3
  • bijschildklierkanker (bijschildkliercarcinoom) – 3
  • te langzaam werkende schildklier door geneesmiddel (geneesmiddelen-geïnduceerde hypothyreoïdie) – 3
  • gebruik van Exjade (deferasirox) – 3
  • gebruik van Afinitor (everolimus) – 3
  • villeus adenoom van de papil van Vater – 3
  • bijnierschorskanker (bijnierschorscarcinoom) – 3
  • Wilms’ tumor (nefroblastoom) – 3
  • Colorado tekenkoorts – 3
  • gebruik van Yondelis (trabectedine) – 3
  • PFAPA-syndroom – 3
  • gebruik van Victrelis (boceprevir) – 3
  • gebruik van Yervoy (ipilimumab) – 3
  • MALT-lymfoom van de maag – 3
  • inademing van tetrachloorethyleen (inhalatie van tetrachloorethyleen) – 3
  • vergiftiging met formaldehyde (formaldehydeintoxicatie) – 3
  • gebruik van HIV-remmers (gebruik van antiretrovirale middelen) – 3
  • gebruik van ifosfamide – 3
  • histoplasmose – 3
  • dengue hemorrhagische koorts – 3
  • gebruik van candesartan (Atacand) – 3
  • mesenteriale cyste – 3
  • gebruik van galantamine – 3
  • gebruik van kinidine – 3
  • gebruik van Truvada (tenofovir/emtricitabine) – 3
  • terugkerende kraakbeenontsteking (recidiverende polychondritis) – 3
  • gebruik van Tysabri (natalizumab) – 3
  • gebruik van Bosulif (bosutinib) – 3
  • gebruik van duloxetine (Cymbalta) – 3
  • blaasontsteking met gasvorming in de blaaswand (emfysemateuze cystitis) – 3
  • vruchtwaterembolie – 3
  • ontsteking in de mond door overgevoeligheid (allergische contact stomatitis) – 3
  • zoutverlies door aandoening van de hersenen (syndroom van cerebraal zoutverlies) – 3
  • toxische encefalopathie bij buikgriep (toxische encefalopathie bij gastroenteritis) – 3
  • aconitine-vergiftiging (aconitine-intoxicatie) – 3
  • syndroom van Eisenmenger – 3
  • gebruik van budesonide (Entocort) klysma – 3
  • babesiose – 3
  • duplicatiecyste van de dunne darm – 3
  • ontsteking van het strotklepje (acute epiglottitis) – 3
  • parathyromatose – 3
  • gebruik van Cibacen (benazepril) – 3
  • gebruik van Galvus® (vildagliptine) – 3
  • gebruik van norfloxacine – 3
  • gebruik van propylthiouracil – 3
  • rattenbeetziekte (streptobacillose) – 2
  • syndroom van Miller-Fisher – 2
  • mixed connective tissue disease – 2
  • chyleuze peritonitis – 2
  • draaiing van de baarmoeder (torsie van de uterus) – 2
  • transient epileptic amnesia – 2
  • niercrisis bij sclerodermie (renale crise bij systemische sclerose) – 2
  • gebruik van Pravafenix (fenofibraat/pravastatine) – 2
  • gebruik van trazodon (Trazolan) – 2
  • sarcoom van bloedvaten in de lever (hemangioendotheliaal sarcoom van de lever) – 2
  • mijnworminfectie (ancylostomiasis) – 2
  • cryptokokkeninfectie van de longen (pulmonale cryptokokkeninfectie) – 2
  • ontsteking in de poortader ten gevolge van een ontstoken divertikel (pyleflebitis bij diverticulitis) – 2
  • gebruik van Invega® (paliperidon) – 2
  • gebruik van Rupafin (rupatadine) – 2
  • gebruik van voriconazol (Vfend) – 2
  • leiomyoom van de slokdarm (leiomyoom van de oesofagus) – 2
  • hersenvliesontsteking door Streptococcus suis (Streptococcus suis-meningitis) – 2
  • MEN-syndroom type I – 2
  • gebruik van demeclocycline – 2
  • acuut pulmonaal syndroom bij gebruik van nitrofurantoïne – 2
  • Rocky Mountain spotted fever – 2
  • gebruik van Janumet (sitagliptine / metformine) – 2
  • gebruik van amikacine injectie/infuus – 2
  • gebruik van carbimazol – 2
  • tropische malaria (malaria door Plasmodium falciparum) – 2
  • gebruik van deferipron (Ferriprox) – 2
  • erfelijke fructose-intolerantie (hereditaire fructose-intolerantie) – 2
  • Mexicaanse griep (nieuwe influenza A (H1N1)) – 2
  • ontsteking van de alvleesklier door gebruik van PEG-interferon met ribavirine (pancreatitis door gebruik van PEG-interferon met ribavirine) – 2
  • familiair hyperaldosteronisme type 1 – 2
  • gebruik van brentuximab (Adcetris) – 2
  • collageneuze enteritis – 2
  • gebruik van metamizol – 2
  • gebruik van Xeplion® (paliperidon) – 2
  • aangeboren afwijking in de ureumcyclus (congenitaal defect in de ureumcyclus) – 2
  • gastrinoom van de dunne darm – 2
  • adderbeet – 2
  • cryptokokkeninfectie door het lichaam (gedissemineerde cryptokokkeninfectie) – 2
  • dijbreuk van De Garengeot (De Garengeot hernia) – 2
  • erfelijk angio-oedeem type 3 (hereditair angio-oedeem type 3) – 2
  • hyper-IgD syndroom – 2
  • syndroom van Allgrove (triple-A syndroom) – 2
  • gebruik van lamivudine – 2
  • ciguatera vergiftiging (ciguatera intoxicatie) – 2
  • gebruik van Alvesco (ciclesonide) inhalator – 2
  • gebruik van Benlysta (belimumab) – 2
  • gebruik van chloorpromazine (Largactil) – 2
  • gebruik van hydroxychloroquine (Plaquenil) – 2
  • ehrlichiose (humane monocytaire ehrlichiose) – 1,4
  • Chinese leverbotinfectie (clonorchiasis) – 1,4
  • liposarcoom van het retroperitoneum – 1,4
  • pseudomyxoom van het buikvlies (pseudomyxoma peritonei) – 1,4
  • persisterende aura zonder herseninfarct – 1,4
  • tuberculeuze meningitis (meningitis tuberculosa) – 1,4
  • gebruik van Cymevene (ganciclovir) – 1,4
  • ziekte van Creutzfeldt-Jakob – 1,3
  • ziekte van Waldmann (primaire intestinale lymfangiëctasie) – 1,3
  • gebruik van ofloxacine (Tarivid) – 1,3
  • notenkraker syndroom (compressie van de linker v. renalis tussen de a. mesenterica superior en de aorta) – 1,3
  • vergiftiging door Dieffenbachia plant (intoxicatie door Dieffenbachia plant) – 1,3
  • vergiftiging met dichloormethaan (acute dichloormethaanintoxicatie) – 1,3
  • gebruik van Arimidex (anastrozol) – 1,3
  • gebruik van azelastine neusspray – 1,3
  • stralingsziekte (acute stralingsziekte) – 1,2
  • gebruik van Stribild (elvitegravir-cobicistat-gemcitabine-tenofovir) – 1,2
  • galbulten door blootstelling aan zonlicht (urticaria solaris) – 1,2
  • gebruik van cyproheptadine – 1,2
  • botulisme – 1,2
  • crush syndroom – 1,2
  • gebruik van Visanne (dienogest) – 1,2
  • gebruik van suramine (Germanin) – 1,1
  • difterie – 1,1
  • granulomateuze ontsteking van de hypofyse (granulomateuze hypofysitis) – 1,1
  • afscheuring van de banden waarmee de baarmoeder vastzit (ruptuur in het achterste blad van het ligamentum latum uteri) – 1,1
  • aangeboren methemoglobinemie (congenitale methemoglobinemie) – 1,1
  • infectie door enterotoxigene Escherichia coli – 1,1
  • tekort aan het enzym VLCAD (VLCAD-deficiëntie) – 1,1
  • syndroom van Lemierre – 1,0
  • compartimentsyndroom van de buik (abdominaal compartimentsyndroom) – 1,0
  • gebruik van doxylamine – 1,0
  • chikungunya – 1,0
  • secondary pseudo-obstruction – 1,0
  • afsluiting van de alvleeskliergang (obstructie van de ductus pancreaticus) – 1,0
  • atypical gastroesophageal reflux – 1,0
  • gastric outlet obstruction – 1,0
  • idiopathic functional dyspepsia / post-prandial distress syndrome – 1,0
  • primary pseudo-obstruction – 1,0
  • gebruik van Evoxac (cevimeline) – 1,0
  • trichinose – 1,0
  • gebruik van tenofovir (Viread, Reviro) – 1,0

Oorzaken misselijkheid <1/jaar

  • vernauwing van de mitraalklep (mitralisstenose) – 0,9
  • West-Nijl koorts (West-Nijl virusinfectie) – 0,9
  • cysteadenoom van de lever – 0,9
  • gebruik van fenazon – 0,9
  • supra-orbitalis neuralgie – 0,9
  • haringwormziekte (anisakiasis) – 0,9
  • aangeboren vernauwing van de grote lichaamsslagader (coarctatio aortae) – 0,8
  • Ebola koorts (Ebola hemorrhagische koorts) – 0,8
  • syndroom van Sipple (MEN-syndroom type II) – 0,8
  • tekort aan het enzym arginosuccinaatlyase (arginosuccinaatlyase deficiëntie) – 0,8
  • tekort aan het enzym arginosuccinaatsynthase (argininosuccinaatsynthase deficiëntie) – 0,8
  • vergiftiging met seleen (seleniumintoxicatie) – 0,8
  • mannenkraambed (couvade) – 0,8
  • gastrointestinale stromatumor van de slokdarm (GIST van de oesofagus) – 0,8
  • gebruik van chloorpropamide – 0,8
  • gebruik van lovastatine (Mevacor) – 0,8
  • Kunjin virusziekte (Kunjin virusziekte) – 0,8
  • gebruik van Orencia (abatacept) – 0,8
  • gebruik van Rupafin (rupatadine) drank – 0,8
  • sarcoïdose van de maag – 0,7
  • scleroserende mesenteritis – 0,7
  • epidemische vlektyfus – 0,7
  • infectie van de hersenstam door Listeria bacterie (rombencefalitis door Listeria monocytogenes) – 0,7
  • ziekte van Brill-Zinsser – 0,7
  • gebruik van alglucosidase alfa (Myozyme) – 0,7
  • aceetaldehyde syndroom – 0,7
  • sarcocystose van de ingewanden (intestinale sarcocystose) – 0,7
  • zwangerschapswaan – 0,7
  • esthesioneuroblastoom – 0,6
  • gebruik van Buccolam (midazolam) – 0,6
  • cervicocraniaal syndroom – 0,6
  • gebruik van adrenaline autoinjector (EpiPen) – 0,6
  • gebruik van zonisamide – 0,6
  • omentumcyste – 0,6
  • lymfeklierkanker in de bloedvaten (intravasculair lymfoom) – 0,6
  • syndroom van Foster-Kennedy – 0,6
  • tekort aan het enzym lipoproteïnelipase (familiaire lipoproteïnelipasedeficiëntie) – 0,6
  • voedselvergiftiging door eten van schaaldieren – 0,6
  • syndroom van Von Hippel-Lindau – 0,6
  • gebruik van argatroban (Arganova) – 0,6
  • gastrointestinale stromatumor van de dikke darm (GIST van de dikke darm) – 0,6
  • infectie met het Oropouche-virus (Oropouche-virusziekte) – 0,5
  • erfelijke alvleesklierontsteking (hereditaire pancreatitis) – 0,5
  • gebruik van Elonva (corifollitropine alfa) – 0,5
  • gebruik van Inegy (ezetimibe + simvastatine) – 0,5
  • infectie met de Guinea-worm (dracunculiasis) – 0,5
  • lassakoorts – 0,5
  • gebruik van dicycloverine – 0,5
  • erythroblastosis foetalis – 0,5
  • hepatoblastoom – 0,5
  • infectie met de kleine leverbot (opisthorchiasis) – 0,5
  • ophoping van hersenvocht na operatie (postoperatieve liquorcele) – 0,5
  • capillairleksyndroom – 0,5
  • overgevoelig voor kaneel (kaneelallergie) – 0,5
  • VIPoom – 0,4
  • ziekte van Krabbe – 0,4
  • lijmsnuiven – 0,4
  • zwelling van de hersenen door hoogteziekte (hoogte-hersenoedeem) – 0,4
  • draaiing van de miltslagader (torsie van de arteria lienalis) – 0,4
  • volwassen T-cel leukemie/lymfoom – acute vorm – 0,4
  • xiphoidalgie – 0,4
  • syndroom van Romberg (progressieve faciale hemiatrofie) – 0,4
  • gewone variabele immuundeficiëntie (common variable immunodeficiency) – 0,4
  • ziekte van Kikuchi – 0,4
  • vergiftiging met ricine (orale ricine intoxicatie) – 0,4
  • gebruik van Tobi Podhaler (tobramycine) – 0,4
  • gebruik van Votubia (everolimus) – 0,3
  • hyperparathyroidism-jaw tumor syndrome – 0,3
  • Japanse encefalitis – 0,3
  • tekort aan het enzym aldosteron synthase (aldosteron synthase deficiëntie) – 0,3
  • gebruik van Ezetrol (ezetimibe) – 0,3
  • gebruik van ipratropiumbromide (merknaam Atrovent) – 0,3
  • draaiing van een in de borstholte gelegen maag (volvulus van een intrathoracale maag) – 0,3
  • citrullinemie type 1 (argininesuccinaat synthetase deficiëntie) – 0,3
  • gebruik van sibutramine (Reductil) – 0,3
  • TRAPS (TNF receptor associated periodic syndrome) – 0,3
  • foie appendiculaire (pyleflebitis bij appendicitis) – 0,3
  • galblaascyste – 0,2
  • murray-valley-encefalitis – 0,2
  • spontane lekkage van hersenvocht (spontane liquorlekkage) – 0,2
  • cysteadenocarcinoom van de lever – 0,2
  • gebruik van Arzerra (ofatumumab) – 0,2
  • Brazilian purpuric fever – 0,2
  • gebruik van acipimox (Nedios, Olbetam) – 0,2
  • gebruik van Herceptin (trastuzumab) – 0,2
  • gebruik van Incivo (telaprevir) – 0,2
  • kobaltvergiftiging door inademen van kobalt (kobaltintoxicatie door inhalatie van kobalt) – 0,2
  • scrubtyfus – 0,2
  • gnathostomiasis – 0,2
  • gebruik van Cayston (aztreonam) – 0,2
  • infectie van de hersenen met Naegleria fowleri (primaire amoeben meningoencefalitis) – 0,2
  • asbestziekte (asbestose) – 0,2
  • syndroom van Bing-Neel – 0,2
  • retroperitoneaal teratoom – 0,2
  • adrenomyeloneuropathie – 0,2
  • gebruik van Fampyra (fampridine) – 0,2
  • lymfocytaire choriomeningitis – 0,2
  • familiaire progressieve vestibulocochleaire dysfunctie – 0,2
  • syndroom van Vogt-Koyanagi-Harada – 0,2
  • gebruik van Hizentra (normaal immunoglobuline) – 0,2
  • gebruik van pyrazinamide – 0,2
  • wondbotulisme – 0,2
  • vergiftiging met stekelpapaver (Argemone mexicana-vergiftiging) – 0,15
  • chronisch lijmsnuiven – 0,14
  • anaplasmose (humane granulocytaire anaplasmose) – 0,14
  • steek door de haren van de rups van de “puss moth” (Megalopyge opercularis) – 0,13
  • vogelgriep (aviaire influenza) – 0,13
  • gebruik van Firdapse (amifampridine) – 0,12
  • riftdalkoorts – 0,12
  • Marburg hemorrhagische koorts – 0,12
  • ziekte van Keshan – 0,11
  • Wakana syndrome – 0,10
  • gebruik van tirofiban (Aggrastat) – 0,10
  • hart met onderontwikkelde linker kamer (hypoplastisch linkerhart syndroom) – 0,10
  • ziekte van Rendu-Osler-Weber (hereditaire hemorrhagische teleangiëctasie) – 0,10
  • syndroom van Muckle-Wells – 0,10
  • toxisch oliesyndroom – 0,10
  • liposarcoom van de rug – 0,10
  • familiair hyperaldosteronisme type 3 – 0,08
  • gebruik van Vibativ (telavancine) – 0,08
  • syndroom van Heyde – 0,08
  • thyreotoxische crisis – 0,08
  • glutaaracidurie type 2 – 0,07
  • gele koorts – 0,06
  • miltvuur (anthrax) – 0,06
  • ziekte van Chagas – 0,06
  • aangeboren tekort aan carnitine (primaire carnitinedeficiëntie) – 0,06
  • Omsk hemorragische koorts – 0,06
  • mitochondrial neurogastrointestinal encephalopathy syndrome – 0,05
  • spierdystrofie van Duchenne (musculaire dystrofie van Duchenne) – 0,05
  • builenpest (Yersinia pestis-infectie) – 0,05
  • syndroom van Riley-Day (familiaire dysautonomie) – 0,04
  • loopgravenkoorts (infectie met Bartonella quintana) – 0,04
  • porfyrie door een tekort aan het enzym ALA dehydratase (ALA dehydratase deficiëntie) – 0,04
  • refeeding-syndroom – 0,03
  • ziekte van Degos (maligne atrofische papulose) – 0,03
  • ontsteking van de hersenen door het Kunjin virus (Kunjin-encefalitis) – 0,03
  • gebruik van azilsartan – 0,03
  • Afrikaanse slaapziekte (trypanosomiasis) – 0,02
  • CREST-syndroom (limited cutaneous sclerosis) – 0,02
  • hondsdolheid (rabies) – 0,02
  • gebruik van octocog alfa (Kogenate, Kovaltry, Advate, Helixate Nexgen) – 0,02
  • gebruik van ticlopidine (gebruik van ticlopidine) – 0,02
  • epidemische slaapziekte (encephalitis lethargica) – 0,02
  • syndroom van Alström (syndroom van Alström) – 0,011
  • gebruik van Striverdi Respimat (olodaterol) (gebruik van Striverdi Respimat (olodaterol)) – 0,010
  • hart met drie boezems (cor triatriatum) – 0,006
  • syndroom van Axenfeld-Rieger – 0,002
  • syndroom van Barth (3-methylglutaconacidurie type 2) – 0,002

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 9 maart 2017
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 9 maart 2017

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *