Wat is kortademigheid?

Kortademigheid is het gevoel dat je te weinig lucht binnenkrijgt, waardoor je sneller en dieper gaat ademen.

De medische term voor kortademigheid is ‘dyspnoe’.

Oorzaken kortademigheid

Er zijn zeer veel verschillende oorzaken voor kortademigheid. De meeste van deze oorzaken vallen onder één van de onderstaande categorieën:

Onderaan deze webpagina staat een uitgebreid overzicht van oorzaken voor kortademigheid (‘Kortademigheid – differentiaal diagnose‘).

Hoe wordt een diagnose gesteld?

Een arts kan verschillende methoden gebruiken om de oorzaak kortademigheid vast te stellen, namelijk vraaggesprek met de patiënt (anamnese), lichamelijk onderzoek, en aanvullend onderzoek (laboratoriumonderzoek, beeldvormend onderzoek).

Vraaggesprek met de patiënt

Om erachter te komen wat de oorzaak van de kortademigheid zou kunnen zijn zal de arts bepaalde vragen stellen:

  • Hoe lang bestaat de kortademigheid?
  • Is er een aanleiding geweest voor het ontstaan van de kortademigheid?
  • Ben je alleen kortademig bij inspanning, of ook in rust?
  • Is de kortademigheid continu aanwezig of komt deze in aanvallen? Is er sprake van kortademigheid bij liggen?
  • Zijn er ook andere klachten, bijvoorbeeld koorts, piepende ademhaling, hoesten (droge hoest of hoesten met opgeven van slijm)?

Lichamelijk onderzoek

Bij het lichamelijk onderzoek zal de arts vooral onderzoeken of er afwijkingen aan longen of hart zijn. Door te kloppen op de borstkas kunnen bijvoorbeeld vocht achter de longen (pleuravocht), een vergroot hart, en laagstaande longgrenzen worden vastgesteld. Deze afwijkingen geven een aanwijzing voor de mogelijke oorzaak van de kortademigheid.

Door met een stethoscoop naar hart en longen te luisteren kunnen ook afwijkingen worden gevonden. Zo kan het ademgeruis over de longen zachter zijn dan normaal. Dat kan wijzen op longemfyseem.

kortademigheid onderzoeken met behulp van stethoscoop
stethoscoop

Ook kan een krakend geluid worden gehoord, meestal aan de onderkant van de longen. Dit wijst op vocht in de longblaasjes. Het wordt meestal veroorzaakt door een slecht werkend hart. Afwijkingen van het ritme van het hart, de harttonen, of ruisjes aan het hart kunnen een aanwijzing geven voor een hartafwijking.

Beeldvormend onderzoek

Met behulp van een röntgenfoto van de borstkas kunnen afwijkingen van de longen worden opgespoord. Ook kunnen afwijkingen van de contouren van het hart worden gezien.

kortademigheid door longemfyseem - X-thorax met hyperinflatie
röntgenfoto van de borstkas – laagstaande longgrenzen bij longemfyseem

Een CT-scan of MRI-scan van de borstkas kan eveneens afwijkingen van longen en hart in beeld brengen.

Aanvullend onderzoek

Er zijn nog verschillende andere onderzoeken die kunnen worden aangevraagd om de oorzaak van de kortademigheid te vinden. Voorbeelden zijn een hartfilmpje (ECG) en een pleurapunctie.

Pleurapunctie

Als er sprake is van vocht achter de longen kan de arts besluiten een beetje vocht af te tappen. Dit kan dan vervolgens in het laboratorium worden onderzocht en door een patholoog-anatoom onder de microscoop worden bekeken. Afhankelijk van wat daarbij gevonden wordt kan vaak een diagnose worden gesteld.

Wat is de behandeling?

De behandeling van kortademigheid is afhankelijk van de gevonden oorzaak.

Engelse vertaling

shortness of breath, dyspnea

ICD10-code

Synoniemen voor kortademigheid zijn kortademig, benauwd, benauwdheid, snel buiten adem, kort van adem, buiten adem, ademtekort, snel hijgen, dyspnoe en dyspneu.

Kortademigheid – differentiaal diagnose

Hieronder een uitgebreid overzicht van oorzaken voor kortademigheid. Het getal achter de oorzaak geeft een schatting van het aantal mensen dat jaarlijks in Nederland vanwege die reden kortademig is.

Zeer vaak voorkomende oorzaken van kortademigheid: >10.000/jaar

Vaak voorkomende oorzaken van kortademigheid: >1.000/jaar

Regelmatig voorkomende oorzaken van kortademigheid: >100/jaar

Zeldzame oorzaken van kortademigheid: <100/jaar

Zeer zeldzame oorzaken van kortademigheid: <10/jaar

Extreem zeldzame oorzaken van kortademigheid: <1/jaar

  • voorwerp in een bloedvat (intravasculair corpus alienum) – 0,9
  • brucellose – 0,9
  • neuroendocrine cell hyperplasia of infancy – 0,9
  • aangeboren tekort aan carnitine (primaire carnitinedeficiëntie) – 0,9
  • gebruik van Mimpara (cinacalcet) – 0,9
  • kanker van restantjes moederkoek (choriocarcinoom) – 0,9
  • sequoiose – 0,8
  • Rocky Mountain spotted fever – 0,8
  • neonatal severe primary hyperparathyroidism – 0,8
  • gebruik van denosumab (Xgeva) – 0,8
  • lymfeklierkanker van de schildklier (primair lymfoom van de schildklier) – 0,8
  • aangeboren myasthenie (congenitale myasthenie) – 0,8
  • maligne antipsychoticasyndroom – 0,8
  • bloedvergiftiging door Capnocytophaga canimorsus (Capnocytophaga canimorsus sepsis) – 0,8
  • overgevoelig voor garnalen (allergie voor garnalen) – 0,8
  • gebruik van fosinopril (Monopril) – 0,8
  • gebruik van levofloxacine tabletten – 0,8
  • gebruik van pindolol (Viskeen) – 0,8
  • gebruik van nilotinib (Tasigna) – 0,7
  • ontsteking van het hart door acuut reuma (acute reumatische myocarditis) – 0,7
  • histiocytose (Langerhans-cel histiocytose) – 0,7
  • longontsteking door Chlamydia (pneumonie door Chlamydia) – 0,7
  • longontsteking door Escherichia coli (pneumonie door Escherichia coli) – 0,7
  • longontsteking door Haemophilus influenzae (pneumonie door Haemophilus influenzae) – 0,7
  • longontsteking door overige aërobe Gram-negatieve bacteriën (pneumonie door overige aërobe Gram-negatieve bacteriën) – 0,7
  • longontsteking door overige streptokokken (pneumonie door overige streptokokken) – 0,7
  • longontsteking door Pseudomonas (pneumonie door Pseudomonas) – 0,7
  • longontsteking door Staphylococcus (pneumonie door Staphylococcus) – 0,7
  • longontsteking door Streptococcus pneumoniae (pneumonie door Streptococcus pneumoniae) – 0,7
  • longontsteking door Streptococcus, groep B (pneumonie door Streptococcus, groep B) – 0,7
  • wondbotulisme – 0,7
  • aangeboren vernauwing van de bronchiën (congenitale bronchiale stenose) – 0,7
  • gebruik van octreotide (Sandostatine, Siroctid) – 0,7
  • tetanus – 0,7
  • niercrisis bij sclerodermie (renale crise bij systemische sclerose) – 0,7
  • pseudomyxoom van het buikvlies (pseudomyxoma peritonei) – 0,7
  • partiële trisomie 3p – 0,7
  • uitstulping in het strottenhoofd (laryngocele) – 0,6
  • vossenlintworm infectie (alveolaire echinococcose) – 0,6
  • kwaadaardig feochromocytoom (maligne feochromocytoom) – 0,6
  • syndroom van Lown-Ganong-Levine (LGL-syndroom) – 0,6
  • kaposisarcoom bij gebruik van afweeronderdrukkende geneesmiddelen (iatrogeen kaposisarcoom) – 0,6
  • klassiek kaposisarcoom – 0,6
  • chorioncarcinoom van de zaadbal (testiculair chorioncarcinoom) – 0,6
  • gele nagel syndroom – 0,6
  • lymfeklierkanker in de bloedvaten (intravasculair lymfoom) – 0,6
  • syndroom van Kniest (dysplasie van Kniest) – 0,6
  • voedselvergiftiging door eten van schaaldieren – 0,6
  • koolmonoxidevergiftiging (acute koolmonoxideintoxicatie) – 0,6
  • vlaswerkersziekte – 0,5
  • stemplooiweb (laryngeaal web) – 0,5
  • refeeding-syndroom – 0,5
  • gebruik van Adasuve (loxapine) – 0,5
  • gebruik van pegfilgrastim (Neulasta) – 0,5
  • gebruik van Retrovir (zidovudine) – 0,5
  • wondergezwel in de neuskeelholte (nasopharyngeal teratoma) – 0,5
  • syndroom van Coffin-Lowry – 0,5
  • benigne metastaserend leiomyoom – 0,5
  • Strongyloides hyperinfectie syndroom – 0,5
  • ziekte van Pompe (glycogeenstapelingsziekte type II) – 0,5
  • hart met drie boezems (cor triatriatum) – 0,5
  • bronchiale atresie – 0,5
  • HSE-syndroom (hemorragische shock encefalopathie-syndroom) – 0,5
  • gebruik van Adenuric® (febuxostat) – 0,5
  • infectie van de hersenstam door Listeria bacterie (rombencefalitis door Listeria monocytogenes) – 0,4
  • Afrikaanse slaapziekte (trypanosomiasis) – 0,4
  • CREST-syndroom (limited cutaneous sclerosis) – 0,4
  • gebruik van metamizol – 0,4
  • hypofosfatasie – perinatale vorm – 0,4
  • hypofosfatasie – vroeg-infantiele vorm – 0,4
  • ataxie van Friedreich – 0,4
  • kopervergiftiging (koperintoxicatie) – 0,4
  • stralingsziekte (acute stralingsziekte) – 0,4
  • miltvuur (anthrax) – 0,4
  • microsporidiose – 0,4
  • gebruik van Yervoy (ipilimumab) – 0,4
  • syndroom van Ivemark II – 0,4
  • tularemie – 0,4
  • auto-immuun necrotiserende myopathie – 0,4
  • aangeboren spondyloepifysaire dysplasie (congenitale spondyloepifysaire dysplasie) – 0,3
  • epignathus – 0,3
  • loopgravenkoorts (infectie met Bartonella quintana) – 0,3
  • spierdystrofie van Becker (musculaire dystrofie van Becker) – 0,3
  • verbindweefseling van de longen door blootstelling aan grafiet (grafietfibrose van de longen) – 0,3
  • duikersziekte (decompressieziekte) – 0,3
  • gebruik van Levitra (vardenafil) – 0,3
  • kobaltvergiftiging door inname van kobalt (kobaltintoxicatie door ingestie van kobalt) – 0,3
  • ziekte van Whipple – 0,3
  • gebruik van cabergoline (Dostinex) – 0,3
  • syndroom van Cornelia de Lange – 0,2
  • paraquat vergiftiging (paraquat intoxicatie) – 0,2
  • vogelgriep (aviaire influenza) – 0,2
  • cement in de longslagaders na werveloperatie (pulmonale cementembolie na vertebroplastiek) – 0,2
  • hyper IgM syndroom type 3 – 0,2
  • lassakoorts – 0,2
  • endemische vlektyfus – 0,2
  • syndroom van Miller-Fisher – 0,2
  • tekort aan het enzym VLCAD (VLCAD-deficiëntie) – 0,2
  • gebruik van labetalol (tabletten) – 0,2
  • gebruik van zoledroninezuur (Aclasta) – 0,2
  • gebruik van zoledroninezuur (Zometa) – 0,2
  • melioïdose – 0,2
  • syndroom van Schwartz-Jampel type II – 0,2
  • gebruik van Bosulif (bosutinib) – 0,2
  • brozebottenziekte type 3 (osteogenesis imperfecta type 3) – 0,2
  • cadmiumvergiftiging (cadmiumintoxicatie) – 0,2
  • linguatulose van de neuskeelholte (nasofaryngeale linguatulose) – 0,2
  • gebruik van Votubia (everolimus) – 0,2
  • overgevoelig voor tarwe (tarwe allergie) – 0,2
  • silovullersziekte – 0,2
  • NK-cellymfocytose – 0,2
  • syndroom van Ross – 0,2
  • toxisch oliesyndroom – 0,2
  • syndroom van Alström – 0,2
  • campomele dysplasie – 0,2
  • erfelijk angio-oedeem type 3 (hereditair angio-oedeem type 3) – 0,2
  • vergiftiging met formaldehyde (formaldehydeintoxicatie) – 0,2
  • vergiftiging met stekelpapaver (Argemone mexicana-vergiftiging) – 0,2
  • tekort aan koper (koperdeficiëntie) – 0,15
  • chronische coccidioïdomycose – 0,15
  • syndroom van Yunis–Varon – 0,14
  • mesothelioom van het hartzakje (pericardiaal mesothelioom) – 0,14
  • tekort aan cytochroom-B5 (hereditaire cytochroom-B5-deficiëntie) – 0,13
  • chronische eosinofiele leukemie – 0,13
  • tekenverlamming – 0,12
  • infantiele NCL – 0,12
  • mansonellose – 0,12
  • hyper IgM syndroom type 4 – 0,12
  • koortsaanvallen na tekenbeet (febris recurrens door Borrelia recurrentis) – 0,12
  • blootstelling aan hoge concentraties zwavelkoolstof (koolstofdisulfide intoxicatie) – 0,12
  • spondyloepifysaire dysplasie – late vorm (spondyloepifysaire dysplasie tarda) – 0,12
  • spondyloepimetafysaire dysplasie – Strudwick type – 0,12
  • geïnfecteerde laryngocele – 0,11
  • ziekte van Ullrich (congenitale musculaire dystrofie type Ullrich) – 0,11
  • gebruik van mesalazine (Asacol, Pentasa, Salofalk) – 0,11
  • gebruik van pregabaline (Lyrica) – 0,11
  • syndroom van Gorham (idiopathische progressieve osteolyse) – 0,10
  • cysteadenoom van de lever – 0,10
  • gebruik van brentuximab (Adcetris) – 0,10
  • koortsaanvallen na luizenbeet (febris recurrens door Borrelia duttoni) – 0,10
  • tekort aan het enzym pyruvaatcarboxylase (pyruvaatcarboxylase deficiëntie) – 0,10
  • sarcocystose van de ingewanden (intestinale sarcocystose) – 0,10
  • syndroom van Fazio-Londe – 0,10
  • gnathostomiasis – 0,09
  • ehrlichiose (humane monocytaire ehrlichiose) – 0,09
  • syndroom van Hurler (mucopolysacharidose type I-H) – 0,08
  • endemisch kaposisarcoom – 0,08
  • cannabinose – 0,08
  • tyrosinemie type I – 0,08
  • gebruik van levofloxacine infusievloeistof – 0,08
  • gebruik van telmisartan (Micardis) – 0,08
  • tekort aan het enzym carnitine-acylcarnitine translocase (carnitine-acylcarnitine translocase deficientie) – 0,07
  • syndroom van Hermansky-Pudlak – 0,07
  • syndroom van Hughes-Stovin – 0,07
  • gebruik van Incivo (telaprevir) – 0,07
  • Wakana syndrome – 0,07
  • ziekte van Farber (ceramidase deficiëntie) – 0,07
  • echinostomiasis – 0,06
  • tetra-amelie syndrome – 0,06
  • vergiftiging met seleen (seleniumintoxicatie) – 0,06
  • gebruik van adrenaline autoinjector (EpiPen) – 0,06
  • miltvuur van de longen (inhalatie-anthrax) – 0,06
  • allescheriasis – 0,05
  • mitochondrial trifunctional protein deficiency – 0,05
  • metatrofische kleingroei – 0,05
  • syndroom van Leigh – 0,05
  • vergiftiging met ricine (orale ricine intoxicatie) – 0,05
  • ziekte van Jansky-Bielschowsky (laat infantiele NCL) – 0,05
  • tekort aan het enzym MTHFR (MTHFR deficiëntie) – 0,04
  • opsismodysplasie – 0,04
  • infectie van de hersenen met Naegleria fowleri (primaire amoeben meningoencefalitis) – 0,04
  • syndroom van Axenfeld-Rieger – 0,03
  • syndroom van Barth (3-methylglutaconacidurie type 2) – 0,03
  • syndroom van Brown-Vialetto-Van Laere – 0,03
  • atelosteogenese type II – 0,03
  • frontometafysaire dysplasie – 0,03
  • eczema vaccinatum – 0,03
  • vergiftiging met zwaveldioxide (zwaveldioxide intoxicatie) – 0,03
  • fibrochondrogenese type 2 – 0,03
  • anaplasmose (humane granulocytaire anaplasmose) – 0,03
  • syndroom van Marshall-Smith – 0,02
  • cysteadenocarcinoom van de lever – 0,02
  • tekort aan het enzym holocarboxylase synthetase (holocarboxylase synthetase deficiëntie) – 0,02
  • syndroom van Alpers – 0,02
  • builenpest (Yersinia pestis-infectie) – 0,02
  • familial isolated vitamin E deficiency – 0,005
  • syndroom van Liddle – 0,005
  • gele koorts – 0,003
  • gebruik van octocog alfa (Kogenate, Kovaltry, Advate, Helixate Nexgen) – 0,003

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Publicatiedatum: 20 mei 2017
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 20 mei 2017

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *