Wat is koorts?

Koorts is een verhoging van de lichaamstemperatuur tot boven de 38 graden Celsius. Koorts is één van de meest voorkomende ziektesymptomen.

koorts meten met koortsthermometer

De medische naam voor koorts is ‘pyrexie’. De term ‘hyperpyrexie’ wordt wel gebruikt voor een lichaamstemperatuur die hoger is dan 40ºC.

Koortsaanvallen

Aandoeningen die tot koorts leiden veroorzaken vaak een aanhoudend verhoogde lichaamstemperatuur. Soms is de koorts echter afwisselend wel en niet aanwezig. Dan wordt gesproken van koortsaanvallen, terugkerende koorts of intermitterende koorst.

Hoe meet je het?

Koorts wordt vastgesteld door de lichaamstemperatuur te bepalen. Er zijn verschillende manieren om de lichaamstemperatuur te meten. De meest gebruikte manieren zijn meting in de anus, in de mond, in de oksel en in het oor.

oorthermometer om koorts te meten
oorthermometer

Oorzaken koorts

Er zijn zeer veel verschillende aandoeningen en omstandigheden die tot koorts kunnen leiden. De meeste oorzaken vallen onder één van de onderstaande categorieën. Het komt regelmatig voor dat de oorzaak van de koorts niet duidelijk wordt. De koorts gaat dan vanzelf over, zonder dat er een diagnose is gesteld.

  • Infecties – Meestal gaat het om infecties door virussen of bacteriën. Maar ook infecties door parasieten geven vaak koorts.
  • Ontstekingen – bijvoorbeeld ontsteking van bloedvaten (vasculitis);
  • Auto-immuunziekten – bijvoorbeeld lupus (SLE), ziekte van Kawasaki en de ziekte van Still;
  • Gebruik van bepaalde geneesmiddelen – Voorbeelden van geneesmiddelen die koorts kunnen geven zijn eltrombopag (Revolade), adalimumab (Humira) en bosutinib (Bosulif).
  • Kanker – bepaalde vormen van kanker, zoals lymfeklierkanker (maligne lymfoom) en niercelkanker, kunnen koorts veroorzaken;
  • Vergiftigingen

Stellen van een diagnose

Meestal wordt koorts veroorzaakt door een onschuldige infectie. De koorts gaat dan vanzelf weg als de infectie geneest. Soms echter zal de koorts zo hoog zijn of lang aanhouden dat de huisarts wordt geraadpleegd.

De huisarts zal proberen te achterhalen wat de oorzaak van de koorts is. Dit kan door vragen te stellen, lichamelijk onderzoek te doen en eventueel aanvullend onderzoek aan te vragen.

Laboratoriumonderzoek

Door bepaalde laboratoriumwaarden te laten meten kan de arts een idee krijgen over de oorzaak van de koorts.

In het bloed zijn de bloedbezinkingssnelheid (BSE) en het C-reactief proteïne (CRP) vaak verhoogd. Als een bacteriële infectie de oorzaak van de koorts is zal het aantal witte bloedcellen in het bloed vaak verhoogd zijn. Dit wordt leukocytose genoemd.

In de urine kunnen aanwijzingen worden gevonden voor een urineweginfectie – bijvoorbeeld blaasontsteking of nierbekkenontsteking – als oorzaak van de koorts.

Beeldvormend onderzoek

Met behulp van beeldvormend onderzoek kan worden gekeken of bepaalde organen of lichaamsdelen zijn aangetast. Zo kan met een röntgenfoto of CT-scan van de borstkas een longontsteking worden gezien.

De röntgenfoto hieronder is van de borstkas van een patiënt met koorts. In de rechterlong (links op de foto) is duidelijk een verdichting van het longweefsel zichtbaar. Dit past bij een longontsteking als oorzaak van de koorts.

longontsteking op röntgenfoto - met koorts
longontsteking op röntgenfoto

Onbekende oorzaak

Het komt regelmatig voor dat er geen oorzaak voor de koorts kan worden gevonden. In dat geval wordt gesproken over ‘idiopathische koort’ of ‘febris e causa ignota’. Dit laatste is latijn voor ‘koorts met onbekende oorzaak’.

Onder aan deze webpagina staat een uitgebreid overzicht (‘differentiaal diagnose‘) van oorzaken voor koorts.

Symptomen van koorts

Koorts is een symptoom van vele ziekten. Het kan zelf ook tot bepaalde symptomen leiden. Zo kan koorts leiden tot:

  • Verhoging van de hartslag – Hierdoor zal het hart bloed sneller rondpompen. Dit heeft als voordeel dat witte bloedcellen sneller en in grotere hoeveelheden op de plaats van infectie terechtkomen. Zo kunnen bacteriën sneller worden opgeruimd.
  • Koude rillingen
  • Lusteloosheid
  • Geen trek in eten
  • Slaperigheid
  • Moeite met concentreren
  • In zeldzame gevallen kunnen stuiptrekkingen ontstaan. Dit komt meestal voor bij kleine kinderen en wordt ‘koortsconvulsies’ genoemd.

Behandeling koorts

Koorts hoeft in de meeste gevallen niet te worden behandeld. Toch zullen mensen met koorts vaak een antikoortsmiddel nemen omdat ze zich daardoor beter voelen. Antikoortsmiddelen die veel worden gebruikt zijn paracetamol en ibuprofen.

Engelse naam

fever

ICD10-code

R50

Synoniemen voor koorts zijn koortsreactie en pyrexie.


Differentiaal diagnose – Koorts

Hieronder een uitgebreid overzicht van aandoeningen en omstandigheden die koorts kunnen geven. Het getal achter de oorzaak geeft een schatting van het aantal mensen dat jaarlijks in Nederland vanwege die oorzaak koorts krijgt.

Zeer vaak voorkomende oorzaken van koorts: >100.000/jaar

Vaak voorkomende oorzaken van koorts: >10.000/jaar

Regelmatig voorkomende oorzaken van koorts: >1.000/jaar

Weinig voorkomende oorzaken van koorts: <1.000/jaar

Zeldzame oorzaken van koorts: <100/jaar

Zeer zeldzame oorzaken van koorts: <10/jaar

  • syndroom van Stevens-Johnson – 9
  • afwezigheid van granulocyten in het bloed (agranulocytose) – 9
  • nierfilterontsteking na infectie met streptococ-bacterie (acute poststreptokokkenglomerulonefritis) – 9
  • zeefbeenontsteking (acute sinusitis ethmoïdalis) – 9
  • cryptogene organiserende pneumonie – 9
  • syndroom van Zieve – 9
  • hartaanval van de achterwand van het hart (achterwandinfarct) – 9
  • gebruik van chlooramfenicol – 9
  • Afrikaanse tekenkoorts – 9
  • thyreotoxische crisis – 9
  • tropische malaria (malaria door Plasmodium falciparum) – 9
  • cryptokokkeninfectie van de longen (pulmonale cryptokokkeninfectie) – 9
  • abces van Bartholin – 9
  • hersenvliesontsteking door cryptokokken (cryptokokkenmeningitis) – 9
  • Mycobacterium avium intracellulare-infectie van de darm – 9
  • aseptische meningitis (acute aseptische meningitis) – 9
  • rattenbeetziekte (streptobacillose) – 9
  • verworven hemofagocytair syndroom (secundaire hemofagocytaire lymfohistiocytose) – 8
  • gebruik van Levact (bendamustine) – 8
  • toxoplasmose (systemische toxoplasmose) – 8
  • ontsteking van het mondslijmvlies door inname van etsende stoffen (stomatitis door ingestie van etsende stoffen) – 8
  • refluxnefropathie – 8
  • mixed connective tissue disease – 8
  • ontsteking van een tussenwervelschijf (lenden niveau) (discitis – lumbaal niveau) – 8
  • ontsteking van de slokdarm door cytomegalovirus (CMV-oesofagitis) – 8
  • gebruik van Synagis (palivizumab) – 8
  • spontane gangreneuze myositis van het bovenbeen – 8
  • bagassose – 8
  • hoogtelongoedeem – 8
  • ontsteking van het rotsbeen (acute mastoïditis) – 8
  • Colorado tekenkoorts (Colorado tekenkoorts) – 8
  • fistel tussen grote lichaamsslagader en dunne darm (aortoduodenale fistel) – 8
  • amfetaminevergiftiging (amfetamine-intoxicatie) – 8
  • gebruik van angel dust (gebruik van fencyclidine, PCP) – 8
  • gebruik van chloortalidon – 8
  • gebruik van primaquine – 8
  • gebruik van rifampicine – 8
  • gebruik van sulfasalazine – 8
  • gebruik van trimethoprim/sulfamethoxazol – 8
  • ontstoken vetaanhangsel aan de dikke darm (appendagitis epiploica) – 8
  • syndroom van Wolff-Parkinson-White – 7
  • tropische splenomegalie-syndroom – 7
  • primaire scleroserende cholangitis – 7
  • infectie van kunstschouder via het bloed (hematogeen geïnfecteerde schouderprothese) – 7
  • gebruik van Implanon / Implanon NXT – 7
  • gebruik van Xarelto (rivaroxaban) – 7
  • ruggenmergabces (intraspinaal abces) – 7
  • botontsteking bij sikkelcelziekte (osteomyelitis bij sikkelcelanemie) – 7
  • perifeer T-cellymfoom – 7
  • rickettsia-pokken – 7
  • acute intermitterende porfyrie – 7
  • gebruik van azathioprine – 7
  • syndroom van Gradenigo – 7
  • buikvliesontsteking door tuberculose (peritonitis tuberculosa) – 7
  • blindedarmontsteking bij een niet-gedraaide dikkedarm (acute appendicitis bij non-rotatie van het colon) – 7
  • gebruik van Certican (everolimus) – 7
  • perifere diabetes insipidus – 7
  • Rocky Mountain spotted fever – 6
  • taaislijmziekte (cystische fibrose) – 6
  • babesiose – 6
  • hersenvliesontsteking door Haemophilus influenza-bacterie (meningitis door H. influenzae) – 6
  • vuurspuwerslong (lipoïde pneumonitis) – 6
  • koortsaanvallen na tekenbeet (febris recurrens door Borrelia recurrentis) – 6
  • ontsteking van het onderhuidse bindweefsel van het gezicht (cellulitis van het gezicht) – 6
  • ontsteking van het sprongbeen (osteomyelitis van de talus) – 6
  • histaminevergiftiging (histamine-intoxicatie) – 6
  • ontsteking van de onderkaak (osteomyelitis van de mandibula) – 6
  • gebruik van lansoprazol (Prezal, Prevacid) – 6
  • gebruik van valproïnezuur (Depakine, Convulex) – 6
  • chronische myeloïde leukemie – 6
  • gebruik van amfotericine B – 6
  • sclerodermie (systemische sclerose) – 6
  • subcutaan panniculitis-achtig T-cellymfoom – 6
  • maligne antipsychoticasyndroom – 6
  • abces in de dijbeenspieren (pyomyositis van de quadriceps) – 6
  • IgG4-syndroom – 6
  • chronische voorhoofdsholteontsteking (chronische sinusitis frontalis) – 6
  • gescheurde slokdarm (oesofagusruptuur) – 6
  • miskraam met een infectie (septische abortus) – 6
  • paraneoplastische pemfigus – 6
  • nocardiose verspreid door het lichaam (gedissemineerde nocardiose) – 6
  • mijnworminfectie (ancylostomiasis) – 6
  • lokale spierontsteking in het bovenbeen (focale myositis van de M. quadriceps) – 6
  • lokale spierontsteking van de adductor (focale myositis van de Mm. adductores) – 6
  • mesangiale proliferatieve glomerulonefritis – 6
  • lymfocytaire hypofysitis – 6
  • ontsteking van de hersenen met antistoffen tegen de NMDA-receptor (anti-NMDA-receptor encefalitis) – 6
  • dysplasie van Meyer – 6
  • erythema exsudativum multiforme – major variant – 6
  • ontsteking van het vetweefsel rond de darm (panniculitis mesenterica) – 6
  • leverbotinfectie (fascioliasis) – 5
  • koortsaanvallen na luizenbeet (febris recurrens door Borrelia duttoni) – 5
  • aangeboren atelectase (congenitale atelectase) – 5
  • verwonding aan de nier (nierletsel) – 5
  • leukocytoclastische vasculitis van de huid (cutane leukocytoclastische vasculitis) – 5
  • gebruik van Revolade (eltrombopag) – 5
  • familiaire hemiplegische migraine – 5
  • gebruik van pembrolizumab (Keytruda) – 5
  • gebruik van Arixtra (fondaparinux) – 5
  • gebruik van deferoxamine (Desferal) – 5
  • gebruik van fosinopril (Monopril) – 5
  • gebruik van levofloxacine tabletten – 5
  • verstijving van de hartspier (restrictieve cardiomyopathie) – 5
  • Chinese leverbotinfectie (clonorchiasis) – 5
  • infectie met Strongyloides stercoralis (strongyloidiasis) – 5
  • zwartwaterkoorts (hemolytische anemie bij Pl. Falciparum infectie) – 5
  • abces van de balzak (scrotumabces) – 5
  • gebruik van Rapamune (sirolimus) – 5
  • humidifier fever door verwarmde lucht – 5
  • atypisch hemolytisch uremisch syndroom (atypische HUS) – 5
  • impetigo herpetiformis – 5
  • maligne otitis externa – 5
  • promyelocytenleukemie – 5
  • tuberculose van de wervels (vertebrale tuberculose) – 5
  • abces van de zwezerik (abces van de thymus) – 5
  • hersenvliesontsteking door Streptococcus suis (Streptococcus suis-meningitis) – 5
  • ziekte van Pierre Marie-Bamberger (hypertrofische osteoartropathie) – 5
  • ontsteking van het limbische systeem in de hersenen met antistoffen tegen VGKC (limbische encefalitis met anti-VGKC-antistoffen) – 5
  • ATRA syndroom – 4
  • endemische vlektyfus – 4
  • coccidioïdomycose (acute coccidioïdomycose) – 4
  • tuberculeuze meningitis (meningitis tuberculosa) – 4
  • tekort aan het enzym MCAD (MCAD-deficiëntie) – 4
  • ziekte van Chagas – 4
  • HSE-syndroom (hemorragische shock encefalopathie-syndroom) – 4
  • hersenvliesontsteking door Toscana-virus (meningitis door Toscana-virus) – 4
  • gebruik van mesalazine (Asacol, Pentasa, Salofalk) – 4
  • zuurstofvergiftiging (hyperoxie) – 4
  • kernicterus (bilirubine-encefalopathie) – 4
  • noma (cancrum oris) – 4
  • gebruik van Tafinlar (dabrafenib) – 4
  • West-Nijl koorts (West-Nijl virusinfectie) – 4
  • draaiing van de blinde darm (volvulus van het caecum) – 4
  • paddestoelenwerkerslong (allergische alveolitis door contact met paddestoelen) – 4
  • te snel werkende schildklier door gebruik van schildklierhormoontabletten (exogene hyperthyreoïdie door schildklierhormoontabletten) – 4
  • Wilms’ tumor (nefroblastoom) – 4
  • hemolytisch uremisch syndroom (volwassen vorm) – 4
  • spontane gangreneuze myositis van het onderbeen – 4
  • syndroom van Hamman-Rich (acute interstitiële pneumonitis) – 4
  • hemolytisch uremisch syndroom (typische HUS) – 4
  • aanvalsgewijze nachtelijke hemoglobinurie (paroxismale nachtelijke hemoglobinurie) – 4
  • histiocytose (Langerhans-cel histiocytose) – 4
  • lokale spierontsteking in de hals (focale myositis van de M. sternocleidomastoïdeus) – 4
  • lokale spierontsteking in de kuit (focale myositis van de M. gastrocnemius) – 4
  • erfelijke hemofagocytaire lymfohistiocytose (primaire hemofagocytaire lymfohistiocytose) – 4
  • kinderverlamming (poliomyelitis) – 4
  • Burkholderia cepacia-infectie – 4
  • burkitt-lymfoom – sporadische vorm – 4
  • cryptokokkeninfectie door het lichaam (gedissemineerde cryptokokkeninfectie) – 4
  • gewrichtsontsteking na meningokokkeninfectie (maningokokkenarthritis) – 4
  • hyper-IgD syndroom – 4
  • acute chest syndroom – 4
  • POEMS syndroom – 4
  • stoflongen (chronische silicose) – 3
  • gegeneraliseerde infectie met atypische mycobacteriën – 3
  • vitamine B1-tekort (thiaminedeficiëntie) – 3
  • acute invasieve bijholteontsteking door een schimmel (acute invasieve mycotische sinusitis) – 3
  • OPSI – 3
  • kwaadaardig feochromocytoom (maligne feochromocytoom) – 3
  • acute erytremie en erytroleukemie – 3
  • acuut pulmonaal syndroom bij gebruik van nitrofurantoïne – 3
  • brucellose – 3
  • undifferentiated connective tissue disease – 3
  • eosinofiele colitis – 3
  • nocardiose van de hersenen (cerebrale nocardiose) – 3
  • vogelfokkerslong (extrinsieke allergische alveolitis bij blootstelling aan vogels) – 3
  • gebruik van allergeenextract graspollen (Allergovit, Alutard, Pollinex, Purethal) – 3
  • gebruik van cimetidine (Tagamet) – 3
  • gebruik van leflunomide (Arava) – 3
  • roze ziekte (acrodynie) – 3
  • tekort aan fosfaat in het bloed (hypofosfatemie) – 3
  • paragonimiasis – 3
  • ziekte van Finkelstein (acuut hemorragisch oedeem bij kinderen) – 3
  • afsterven van leverweefsel door onvoldoende bloedtoevoer (leverinfarct) – 3
  • syndroom van Budd-Chiari – 3
  • te snel werkende schildklier door eten van met schildklier verontreinigd vlees (exogene hyperthyreoïdie door eten van met schildklier verontreinigd vlees) – 3
  • tekort aan bloedplaatjes door heparine (heparine-geïnduceerde trombocytopenie) – 3
  • geïnfecteerde urachuscyste – 3
  • acute monocytaire leukemie – 3
  • kaasmakerslong (allergische alveolitis door kaasschimmels) – 3
  • stoppen met het gebruik van barbituraten – 3
  • lymfeklierkanker in de hersenen (primair lymfoom van de hersenen) – 3
  • esdoornschillerslong (acute allergische alveolitis – esdoornschillerslong) – 3
  • verwijding van het uiteinde van de urineleider (ureterocele) – 3
  • melkersknobbel (vaccinia nodularis) – 3
  • ontsteking van een tussenwervelschijf in de nek (discitis (cervicaal niveau)) – 3
  • actinomycose van de longen (pulmonale actinomycose) – 3
  • isosporiasis – 3
  • gebruik van Yervoy (ipilimumab) – 3
  • lymfomatoïde granulomatose – 3
  • ontsteking rondom het strottenhoofd (perichondritis van de larynx) – 3
  • ziekte van Whipple – 3
  • gebruik van filgrastim – 3
  • gebruik van fenylbutazon – 2
  • chyleuze peritonitis – 2
  • te snel werkende schildklier door andere oorzaak van buitenaf (exogene hyperthyreoïdie) – 2
  • ziekte van Rosai-Dorfman (sinushistiocytose met massale lymfadenopathie) – 2
  • biliaire pseudolithiasis – 2
  • loopgravenvoet (maceratio cutis pedum) – 2
  • gebruik van pegfilgrastim (Neulasta) – 2
  • gebruik van Bosulif (bosutinib) – 2
  • gebruik van infliximab (Remicade, Inflectra) – 2
  • gebruik van methyldopa – 2
  • ziekte van Kahler (multipel myeloom) – 2
  • tropische pulmonale eosinofilie – 2
  • syndroom van Eisenmenger – 2
  • gedissemineerde histoplasmose – 2
  • tularemie – 2
  • ontsteking van het hart door acuut reuma (acute reumatische myocarditis) – 2
  • gebruik van HIV-remmers (gebruik van antiretrovirale middelen) – 2
  • sikkelcelziekte (sikkelcelanemie) – 2
  • zikakoorts (Zika-virus infectie) – 2
  • gebruik van fentanyl tabletten of zuigtabletten (Abstral, Actiq, Breakyl, Effentora, Recivit) – 2
  • gebruik van Rupafin (rupatadine) – 2
  • eosinofiele fasciitis – 2
  • ehrlichiose (humane monocytaire ehrlichiose) – 2
  • ziekte van Fabry (alfa-galactosidase A deficiëntie) – 2
  • bloedvergiftiging door Capnocytophaga canimorsus (Capnocytophaga canimorsus sepsis) – 2
  • hondenlintworm infectie (echinokokkose) – 2
  • myxoom van de rechterboezem (myxoom van het rechter atrium) – 2
  • gebruik van lamivudine – 2
  • mangaanvergiftiging (mangaanintoxicatie) – 2
  • MERS (MERS-CoV infectie) – 2
  • lassakoorts – 2
  • tropische spruw – 2
  • craniofaryngioom – 2
  • foie appendiculaire (pyleflebitis bij appendicitis) – 2
  • anaplasmose (humane granulocytaire anaplasmose) – 2
  • infectie met de kleine leverbot (opisthorchiasis) – 2
  • longziekte door inademen van zand (pneumonie door inhalatie van zand) – 2
  • actinomycose van de kaak (cervicofaciale actinomycose) – 2
  • descenderende necrotiserende mediastinitis – 2
  • adderbeet – 2
  • Kunjin virusziekte – 2
  • gebruik van nilotinib (Tasigna) – 2
  • compartimentsyndroom van de buik (abdominaal compartimentsyndroom) – 2
  • gebruik van famotidine – 2
  • gebruik van icatibant (merknaam: Firazyr) – 2
  • gebruik van labetalol (tabletten) – 2
  • gebruik van propafenon (Rytmonorm) – 2
  • gebruik van quinapril – 2
  • gebruik van ramipril – 2
  • syndroom van Parinaud – 1,4
  • juveniele myelomonocytaire leukemie – 1,4
  • burkitt-lymfoom bij HIV-infectie (HIV-geassocieerd burkitt-lymfoom) – 1,4
  • ontsteking van de hersenen door het St.-Louis-encefalitis virus (St.-Louis-encefalitis) – 1,4
  • syndroom van Schnitzler – 1,4
  • stapeling van eiwitten in de longblaasjes (pulmonale alveolaire proteïnose) – 1,4
  • granulomateuze ontsteking van de hypofyse (granulomateuze hypofysitis) – 1,4
  • chronische granulomateuze ziekte – 1,4
  • antisynthetase syndroom – 1,4
  • infectie met het Oropouche-virus (Oropouche-virusziekte) – 1,3
  • ziekte van Erdheim-Chester – 1,3
  • Ebola koorts (Ebola hemorrhagische koorts) – 1,3
  • gebruik van thiamazol (Strumazol) – 1,3
  • diffuus grootcellig B-cellymfoom in de zaadbal (diffuus grootcellig B-cellymfoom van de testikel) – 1,3
  • gebruik van abciximab (ReoPro) – 1,3
  • gebruik van prucalopride (Resolor) – 1,3
  • gebruik van topiramaat – 1,3
  • antisynthetase syndroom – 1,2
  • anaplastisch grootcellig lymfoom – ALK negatief – 1,2
  • chronische myelomonocytaire leukemie – 1,2
  • ross-river-virus infectie – 1,2
  • acute gelokaliseerde exanthemateuze pustulose – 1,2
  • chronische zeefbeenontsteking (chronische sinusitis ethmoïdalis) – 1,2
  • gordelroos (herpes zoster) – 1,2
  • Hirschsprung-enterocolitis – 1,2
  • infectie door enterotoxigene Escherichia coli – 1,2
  • stoflong door inademing van ijzerdeeltjes (pulmonale siderose) – 1,2
  • blaaswormcyste in de longen (echinococcuscyste in de longen) – 1,1
  • gebruik van dimercaprol injecties – 1,1
  • geslachtsgebonden hypohidrotische ectodermale dysplasie (X-gebonden hypohidrotische ectodermale dysplasie) – 1,1
  • sequoiose – 1,1
  • gebruik van pregabaline (Lyrica) – 1,1
  • tekort aan het enzym VLCAD (VLCAD-deficiëntie) – 1,0
  • Buruli ulcus – 1,0
  • O’nyong-nyong virusinfectie – 1,0
  • rivierblindheid (onchocerciasis) – 1,0
  • vogelgriep (aviaire influenza) – 1,0

Extreem zeldzame oorzaken van koorts: <1/jaar

  • Kyasanur forest disease – 0,9
  • venezuelan hemorrhagic fever – 0,9
  • apenmalaria (Plasmodium knowlesi infectie) – 0,9
  • afsluiting van de blinde darm (mechanische ileus van het caecum) – 0,9
  • gebruik van Dapson (diafenylsulfon) – 0,9
  • gebruik van peginterferon beta-1a – 0,9
  • epidemische vlektyfus – 0,9
  • infectie van de hersenstam door Listeria bacterie (rombencefalitis door Listeria monocytogenes) – 0,9
  • sporadische hemiplegische migraine – 0,9
  • ketotische glycinemie – 0,9
  • culture-negative endocarditis – 0,9
  • ziekte van Brill-Zinsser – 0,9
  • carcinoïd – 0,8
  • gebruik van alglucosidase alfa (Myozyme) – 0,8
  • granulomateuze ontsteking van de zaadbal (granulomateuze orchitis) – 0,8
  • TRAPS (TNF receptor associated periodic syndrome) – 0,8
  • Marburg hemorrhagische koorts – 0,8
  • trichinose – 0,8
  • geïnfecteerde laryngocele – 0,8
  • gnathostomiasis – 0,8
  • Barmah Forest virus infectie – 0,8
  • gebruik van atovaquone – 0,8
  • gebruik van Benlysta (belimumab) – 0,8
  • gebruik van candesartan (Atacand) – 0,8
  • gebruik van Cymevene (ganciclovir) – 0,8
  • gebruik van propylthiouracil – 0,8
  • gebruik van Retrovir (zidovudine) – 0,8
  • gebruik van voriconazol (Vfend) – 0,8
  • koolmonoxidevergiftiging (acute koolmonoxideintoxicatie) – 0,8
  • anaplastisch grootcellig lymfoom – ALK positief – 0,7
  • Japanese spotted fever – 0,7
  • sodoku (spirillose) – 0,7
  • syndroom van Gougerot-Ruiter – 0,7
  • gamma zware ketenziekte – 0,7
  • scleroserende mesenteritis – 0,7
  • tetanus – 0,7
  • geslachtsgebonden chronische granulomateuze ziekte (X-gebonden chronische granulomateuze ziekte) – 0,7
  • bacillaire angiomatose van de huid (cutane bacillaire angiomatose) – 0,7
  • sarcocystose van de ingewanden (intestinale sarcocystose) – 0,7
  • stralingsziekte (acute stralingsziekte) – 0,7
  • ziekte van Krabbe – 0,7
  • aangeboren vernauwing van de grote lichaamsslagader (coarctatio aortae) – 0,7
  • gebruik van Afinitor (everolimus) – 0,6
  • scrubtyfus – 0,6
  • Nipah-virusinfectie – 0,6
  • acute gedissemineerde encefalomyelitis (ADEM) – 0,6
  • gebruik van piroxicam – 0,6
  • infectie met de Guinea-worm (dracunculiasis) – 0,6
  • granuloma inguinale – 0,6
  • lymfeklierkanker in de bloedvaten (intravasculair lymfoom) – 0,6
  • syndroom van Wells (eosinofiele cellulitis) – 0,6
  • Krim-Congo hemorragische koorts – 0,6
  • syndroom van Tolosa-Hunt – 0,6
  • melioïdose – 0,5
  • syndroom van Muckle-Wells – 0,5
  • ziekte van Kikuchi – 0,5
  • gebruik van levofloxacine infusievloeistof – 0,5
  • vernauwing van de mitraalklep (mitralisstenose) – 0,5
  • Brazilian purpuric fever – 0,5
  • chronische eosinofiele leukemie – 0,5
  • draaiing van de miltslagader (torsie van de arteria lienalis) – 0,5
  • difterie – 0,5
  • hyper IgM syndroom type 1 – 0,5
  • Argentijnse hemorragische koorts – 0,5
  • Boliviaanse hemorragische koorts – 0,5
  • Braziliaanse hemorragische koorts – 0,5
  • serumneuropathie – 0,5
  • byssinose – 0,5
  • gebruik van amikacine injectie/infuus – 0,5
  • gebruik van carbimazol – 0,5
  • gebruik van mycofenolzuur (Myfortic) – 0,5
  • ziekte van Carrión – 0,4
  • hydroa vacciniforme – 0,4
  • primaire tuberculose van de huid (primaire huidtuberculose) – 0,4
  • gebruik van Arzerra (ofatumumab) – 0,4
  • aantasting van de longen door amiodaron (Cordarone) (amiodaron-geïnduceerde pulmonale toxiciteit) – 0,4
  • verstopping van de longaderen (pulmonale veno-occlusieve ziekte) – 0,4
  • ziekte van Baló (concentrische sclerose van Baló) – 0,4
  • verruga peruana (cutane en mucocutane bartonellose) – 0,3
  • essentiële cryoglobulinemische vasculitis – 0,3
  • syndroom van Cogan (Cogan-I-syndroom) – 0,3
  • vergiftiging met ricine (orale ricine intoxicatie) – 0,3
  • miltvuur (anthrax) – 0,3
  • gebruik van octocog alfa (Kogenate, Kovaltry, Advate, Helixate Nexgen) – 0,3
  • ziekte van Niemann-Pick – 0,3
  • cadmiumvergiftiging (cadmiumintoxicatie) – 0,3
  • ophoping van het aminozuur cystine in de cellen (cystinose) – 0,3
  • afstoting van donornier (acute afstoting donornier) – 0,3
  • gebruik van indapamide – 0,3
  • gebruik van Zyvoxid (linezolid) – 0,3
  • syndroom van Riley-Day (familiaire dysautonomie) – 0,3
  • builenpest (Yersinia pestis-infectie) – 0,3
  • infectie met de Capillaria-worm (capillariasis) – 0,3
  • erfelijke amyloïdose van de nier (hereditaire renale amyloïdose) – 0,3
  • littoral-cell angioma – 0,3
  • gebruik van Cimzia (certolizumab pegol) – 0,3
  • Japanse encefalitis – 0,3
  • gebruik van NeoRecormon (epoëtine bèta) – 0,3
  • erythroblastosis foetalis – 0,2
  • miltvuur van de huid (cutane anthrax) – 0,2
  • capillairleksyndroom – 0,2
  • riftdalkoorts – 0,2
  • beet van de zwarte weduwe – 0,2
  • gebruik van chelatietherapie met EDTA – 0,2
  • murray-valley-encefalitis – 0,2
  • VIPoom – 0,2
  • toxisch oliesyndroom – 0,2
  • tana-pokken (tana-pokken virusinfectie) – 0,2
  • anhidrotisch-ectodermale dysplasie – 0,2
  • gebruik van Ethyol (amifostine) – 0,2
  • gebruik van Jevtana (cabazitaxel) – 0,2
  • gebruik van terbinafine – 0,2
  • chronisch lijmsnuiven – 0,2
  • mestcelleukemie (agressieve mastocytose) – 0,2
  • lymfocytaire choriomeningitis – 0,2
  • ontsteking van de hersenen door het Kunjin virus (Kunjin-encefalitis) – 0,2
  • ziekte van Hallopeau (acrodermatitis continua) – 0,2
  • gebruik van kinine – 0,2
  • gebruik van pyrazinamide – 0,2
  • gebruik van Tazocin (piperacilline + tazobactam) – 0,2
  • hart met onderontwikkelde linker kamer (hypoplastisch linkerhart syndroom) – 0,2
  • verbindweefseling van het spierweefsel van het hart (endomyocardiale fibrose) – 0,2
  • ziekte van Rendu-Osler-Weber (hereditaire hemorrhagische teleangiëctasie) – 0,2
  • syndroom van Abderhalden–Kaufmann–Lignac – 0,1
  • chronische coccidioïdomycose – 0,1
  • syndroom van Schwartz-Jampel type II – 0,1
    eastern equine encephalitis (eastern equine encephalitis) – 0,1
    syndroom van Rotor (syndroom van Rotor) – 0,1
  • gebruik van Herceptin (trastuzumab) (gebruik van Herceptin (trastuzumab)) – 0,1
  • paracoccidioïdomycose (paracoccidioïdomycose) – 0,1
  • tuberculose van de keel (laryngitis tuberculosa) – 0,1
  • asbestziekte (asbestose) – 0,1
  • syndroom van Heyde (syndroom van Heyde) – 0,1
  • vlaswerkersziekte (vlaswerkersziekte) – 0,1
  • ziekte van Dercum (lipomatosis dolorosa) – 0,1
  • gestoorde opname van tryptofaan in de darm (tryptofaanmalabsorptie) – 0,1
  • Omsk hemorragische koorts – 0,1
  • Ewing sarcoom – 0,1
  • framboesia – 0,1
  • gebruik van brentuximab (Adcetris) – 0,1
  • syndroom van Hughes-Stovin – 0,1
  • ziekte van Keshan – 0,1
  • gele koorts – 0,1
  • Boston-exantheem (exanthemateuze koorts door enterovirus) – 0,1
  • epidemische slaapziekte (encephalitis lethargica) – 0,1
  • spierdystrofie van Duchenne (musculaire dystrofie van Duchenne) – 0,1
  • SFTS-bunyavirus-infectie – 0,1
  • syndroom van Nakajo – 0,1
  • syndroom van Aicardi–Goutières – 0,1
  • gebruik van Votubia (everolimus) – 0,1
  • gebruik van nortriptyline – 0,1
  • syndroom van Chédiak–Higashi – 0,1
  • miltvuur van de longen (inhalatie-anthrax) – 0,1
  • hondsdolheid (rabies) – 0,1
  • aangeboren tekort aan carnitine (primaire carnitinedeficiëntie) – 0,1
  • gebruik van deferipron (Ferriprox) – 0,1
  • gebruik van procaïnamide (Pronestyl) – 0,1
  • infectie door het Al-Khurma-virus (Al-Khurma virus-infectie) – 0,04
  • dirofilariasis van de longen (pulmonale dirofilariasis) – 0,04
  • gebruik van Prialt (ziconotide) – 0,04
  • syndroom van Segawa – recessieve vorm (dopa-responsieve dystonie (recessieve vorm)) – 0,04
  • CREST-syndroom (limited cutaneous sclerosis) – 0,04
  • progressieve myositis ossificans (fibrodysplasia ossificans progressiva) – 0,03
  • eczema vaccinatum – 0,03
  • gebruik van aceclofenac – 0,03
  • gebruik van aldesleukine – 0,03
  • gebruik van aurothiobarnsteenzuur – 0,03
  • gebruik van benznidazol – 0,03
  • gebruik van ceftazidim – 0,03
  • gebruik van cilazapril – 0,03
  • gebruik van dacarbazine – 0,03
  • gebruik van dexhloorfeniramine – 0,03
  • gebruik van dexibuprofen – 0,03
  • gebruik van doxepine – 0,03
  • gebruik van ethosuzimide – 0,03
  • gebruik van imipenem – 0,03
  • gebruik van interferon alfa 2a – 0,03
  • gebruik van kaliumperchloraat – 0,03
  • gebruik van lamotrigine – 0,03
  • gebruik van maprotiline – 0,03
  • gebruik van mianserine – 0,03
  • gebruik van nazatidine – 0,03
  • gebruik van Nulojix (belatacept) – 0,03
  • gebruik van ofatumumab – 0,03
  • gebruik van oxatomide – 0,03
  • gebruik van rifabutine – 0,03
  • gebruik van ticlopidine – 0,03
  • gebruik van zafirlukast – 0,03
  • porfyrie door een tekort aan het enzym ALA dehydratase (porfyrie door ALA dehydratase deficiëntie) – 0,02
  • gebruik van tirofiban (Aggrastat) – 0,02
  • refeeding-syndroom – 0,02
  • syndroom van Alström – 0,010
  • hart met drie boezems (cor triatriatum) – 0,003
  • syndroom van Axenfeld-Rieger – 0,003
  • syndroom van Barth (3-methylglutaconacidurie type 2) – 0,003
  • pokken (variola) – 0,001

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 8 mei 2017
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 8 mei 2017

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *