Duizeligheid

Inleiding over duizeligheid

Duizeligheid komt vaak voor. Duizeligheid kan worden veroorzaakt door verschillende ziektebeelden. Om duizeligheid goed te kunnen behandelen moet daarom eerst naar de oorzaak worden gezocht. Om een idee te krijgen van de oorzaak is het van belang om te weten om wat voor soort duizeligheid het gaat en wanneer het optreedt. Ten eerste moet onderscheid worden gemaakt tussen ‘draaiduizeligheid‘ en een ‘licht gevoel in het hoofd’. Verder is het mogelijk dat duizeligheid optreedt in een bepaalde lichaamshouding.

Oorzaken van duizeligheid

Er zijn ontzettend veel verschillende oorzaken voor duizeligheid. De meeste oorzaken kunnen worden ingedeeld in één van de volgende groepen:

  • Bloedarmoede (anemie): Bloedarmoede kan leiden tot onvoldoende zuurstof in de hersenen. Hierdoor kan duizeligheid ontstaan. Voorbeelden zijn bloedarmoede door een tekort aan ijzer (ijzergebreksanemie) en bloedarmoede door een tekort aan vitamine B12 (pernicieuze anemie). Duizeligheid door bloedarmoede uit zich meestal als een licht gevoel in het hoofd.
  • Gebruik van geneesmiddelen: Er zijn veel geneesmiddelen die als bijwerking duizeligheid kunnen geven. Voorbeelden zijn geneesmiddelen tegen een hoge bloeddruk (anithypertensiva), plaspillen (bijvoorbeeld furosemide) en gentamicine.
  • Aandoeningen van het hart: Als het hart niet genoeg bloed kan rondpompen krijgen organen te weinig zuurstof. In de hersenen kan dat leiden tot klachten, waaronder duizeligheid (licht gevoel in het hoofd). Er zijn veel verschillende oorzaken voor een slecht werkend hart (hartfalen). Maar ook als het hart zelf goed werkt kan een aandoening van hartkleppen ervoor zorgen dat onvoldoende bloed wordt uitgepompt. Een voorbeeld hiervan is een vernauwing van de klep van de grote lichaamsslagader (aortaklepstenose).
  • Aandoeningen van het binnenoor: In het binnenoor zit het evenwichtsorgaan. Aantasting van het evenwichtsorgaan leidt meestal tot draaiduizeligheid (vertigo). Voorbeelden van dergelijke aandoeningen zijn ontsteking van het evenwichtsorgaan (labyrintitis) en bewegingsziekte (wagenziekte, zeeziekte, luchtziekte).
  • Aandoeningen van de hersenen, zoals bijvoorbeeld hersenschudding of beroerte.
  • Psychische aandoeningen, bijvoorbeeld paniekaanval.
  • Vergiftigingen, zoals bijvoorbeeld alcoholvergiftiging (dronkenschap).

Kijk voor een uitgebreid overzicht van oorzaken van duizeligheid onderaan deze pagina (‘Duizeligheid – uitgebreide differentiaal diagnose‘).

Wat kun je zelf doen?

Er is niet zo veel wat je zelf kunt doen als je duizelig bent. Het is namelijk van belang om eerst te weten wat de oorzaak van de duizeligheid is.

Wat kan de arts doen?

De huisarts zal ook eerst willen weten wat de oorzaak van de duizeligheid is. Om daarachter te komen zal de huisarts vragen stellen, lichamelijk onderzoek doen, en aanvullend onderzoek aanvragen (laboratoriumonderzoek, beeldvormend onderzoek).

Als de huisarts er niet uitkomt kan worden doorverwezen naar een medisch specialist, bijvoorbeeld een neuroloog, KNO-arts of cardioloog.

Vraaggesprek

In het vraaggesprek met de patiënt zal de arts vragen stellen die in de richting van bepaalde oorzaken kunnen wijzen: Hoe lang ben je duizelig? Kwam de duizeligheid plotseling? Komt de duizeligheid in aanvallen? Zijn er ook andere klachten? Gebruik je geneesmiddelen? Zo ja, welke?

Lichamelijk onderzoek

De arts kan vervolgens lichamelijk onderzoek doen. Hierbij zal extra goed worden gekeken naar afwijkingen die passen bij de eerder genoemde oorzaken. Zo zal iemand met bloedarmoede vaak een bleke verkleuring van het bindvlies van het oog hebben. Bij iemand met een vernauwing van de aortaklep zal vaak een ruisje over het hart hoorbaar zijn etc.

Behandeling duizeligheid

De behandeling is afhankelijk van de onderliggende oorzaak.

Engelse vertaling

dizziness


Duizeligheid – uitgebreide differentiaal diagnose

Hieronder een lijst met meer dan 600 verschillende oorzaken voor duizeligheid. Het getal achter elke oorzaak is een schatting van het aantal mensen dat jaarlijks vanwege die oorzaak duizelig is.

Zeer vaak voorkomende oorzaken van duizeligheid: >10.000/jaar

  • wagenziekte – 185.000
  • vasovagale collaps – 147.000
  • snel ademen (tachypneu) – 110.000
  • dronkenschap (alcoholintoxicatie (intentioneel)) – 97.500
  • griep (influenza) – 93.500
  • gebruik van prednison – 46.500
  • klap tegen het hoofd – 40.000
  • zeeziekte – 37.000
  • bloedarmoede door een tekort aan ijzer (ijzergebreksanemie) – 36.000
  • jetlag – 30.000
  • onbegrepen klachten (functionele klachten) – 23.750
  • gebruik van kalmerende middelen (benzodiazepinen) – 22.000
  • hersenschudding (commotio cerebri) – 20.000
  • chronische hyperventilatie syndroom – 18.600
  • luchtziekte – 18.500
  • lijmoor (otitis media serosa) – 13.500
  • paniekaanval (paniekstoornis) – 13.020
  • hartaanval (myocardinfarct) – 12.710
  • gebruik van diclofenac (Voltaren, Cataflam, Arthrotec) – 10.000

Vaak voorkomende oorzaken van duizeligheid: >1.000/jaar

  • overgang (menopauze) – 9.790
  • hartaanval van de voorwand van het hart (voorwandinfarct) – 7.750
  • gegeneraliseerde angststoornis – 7.280
  • goedaardige houdingsgebonden duizeligheid (benigne paroxismale positieduizeligheid) – 6.975
  • ontsteking van het evenwichtsorgaan (labyrintitis) – 6.975
  • ruggenprik (lumbaalpunctie) – 6.750
  • gebruik van paddo’s (gebruik van hallucinogene paddestoelen) – 6.265
  • magnesiumtekort (magnesiumdeficiëntie) – 6.200
  • hoge bloeddruk (essentiële hypertensie) – 6.050
  • verlaagd glucose gehalte in het bloed (hypoglycemie) – 5.750
  • stoppen met het gebruik van SSRI’s (SSRI onttrekkingssyndroom) – 5.280
  • middenoorontsteking (acute otitis media) – 5.130
  • eten van knoflook – 5.000
  • uitdroging (dehydratie) – 4.800
  • inenting (vaccinatie) – 4.400
  • gebruik van omeprazol (Losec) – 4.000
  • ondervoeding (malnutritie) – 3.500
  • aortocavale compressie syndroom – 3.350
  • whiplash (post-whiplash-syndroom) – 3.104
  • aantasting van het perifere zenuwstelsel (perifere neuropathie) – 3.080
  • orthostatische hypotensie – 3.069
  • boezemfibrilleren (atriumfibrilleren) – 3.000
  • herseninfarct (cerebraal infarct) – 2.852
  • ontsteking van de evenwichtszenuw (neuronitis vestibularis) – 2.835
  • gebruik van enalapril (Renitec) – 2.750
  • longontsteking (pneumonie) – 2.586
  • gebruik van geneesmiddelen tegen epilepsie (gebruik van anti-epileptica) – 2.480
  • inhaleren van lachgas (lachgasintoxicatie) – 2.325
  • zwangerschapshypertensie – 2.300
  • vliegangst – 2.200
  • gebruik van Viagra (sildenafil) – 2.100
  • gebruik van perindopril (Coversyl) – 2.090
  • migraine – 1.800
  • warmtestuwing – 1.650
  • gaatje in het trommelvlies (trommelvliesperforatie) – 1.415
  • boezemflutter (atriumflutter) – 1.320
  • endometriose – 1.320
  • gebruik van paroxetine (Seroxat) – 1.320
  • verminderde doorbloeding van het achterste deel van de hersenen (vertebrobasilaire insufficiëntie) – 1.293
  • gebruik van cannabis – 1.250
  • postcommotioneel syndroom – 1.216
  • postviraal syndroom – 1.200
  • zwangerschapsvergiftiging (pre-eclampsie) – 1.193
  • vestibulaire migraine – 1.188
  • lage bloeddruk (hypotensie) – 1.100
  • plotse doofheid zonder duidelijke oorzaak (idiopathisch plots perceptief gehoorverlies) – 1.089
  • tekort aan chroom (chroomdeficiëntie) – 1.050

Regelmatig voorkomende oorzaken van duizeligheid: >100/jaar

  • gebruik van methylfenidaat (Concerta, Ritalin) – 998
  • gebruik van lisinopril (Zestril) – 960
  • posttraumatische stressstoornis – 960
  • ziekte van Ménière – 960
  • anorexia nervosa – 913
  • pleinvrees (agorafobie) – 825
  • overgevoelig voor geneesmiddelen (geneesmiddelallergie) – 780
  • slijtage van de nekwervels (cervicale spondylose) – 773
  • dikkedarmkanker (coloncarcinoom) – 738
  • fibromyalgie – 715
  • gebruik van pravastatine (Selektine) – 680
  • gebruik van captopril (Capoten) – 675
  • gebruik van L-dopa – 675
  • gebruik van venlafaxine (Efexor) – 675
  • astma – 650
  • gebruik van praziquantel (Biltricide) – 648
  • gebruik van metoprolol (Selokeen, Lopresor) – 625
  • gebruik van hydrochloorthiazide – 620
  • barotrauma van het oor (barotitis media) – 615
  • bloedverlies uit de vagina zonder duidelijke oorzaak (disfunctionele bloeding) – 600
  • gebruik van alprazolam (Xanax) – 600
  • gebruik van GHB (GHB-gebruik) – 600
  • hersenkneuzing (contusio cerebri) – 600
  • loopoor (otitis media met effusie) – 600
  • slecht werkende bijnieren door geneesmiddelen (geneesmiddelen-geïnduceerde bijnierschorsinsufficiëntie) – 563
  • syndroom van Brugada – 543
  • ontstoken evenwichtszenuw (neuritis vestibularis) – 539
  • bloedpropje in de long (longembolie) – 538
  • gebruik van diazepam (Valium, Stesolid) – 525
  • gebruik van furosemide – 525
  • gebruik van doxazosine – 515
  • gebruik van Lariam (mefloquine) – 500
  • ontsteking van de slagader aan de slaap (arteriitis temporalis) – 495
  • slecht werkende nieren (acute nierinsufficiëntie) – 492
  • paniekstoornis met pleinvrees (paniekstoornis met agorafobie) – 462
  • gebruik van diltiazem (Tildiem) – 450
  • gebruik van nitrofurantoïne (Furabid / Furadantine) – 450
  • gebruik van metformine (Glucophage, Diaformin) – 448
  • gebruik van LSD – 448
  • gebruik van valsartan (Diovan) – 420
  • gebruik van amoxicilline met enzymremmer (Augmentin) – 400
  • alcoholvergiftiging (alcoholintoxicatie (niet intentioneel)) – 390
  • ruptured oval window () – 385
  • gebruik van salbutamol (Ventolin) – 385
  • TMD-syndroom (temporomandibulaire dysfunctie) – 375
  • lekkage van perilymfe – 375
  • gebruik van ibuprofen (Brufen) – 370
  • ziekte van Lyme (lymeborreliose) – 370
  • gebruik van Zaldiar (tramadol + paracetamol) – 360
  • blootstelling aan hoogfrequente elektromagnetische straling – 360
  • respiratoire alkalose – 355
  • bloedpropje in de hersenen (hersenembolie) – 352
  • syndroom van Wallenberg (dorsolaterale medulla oblongatasyndroom) – 320
  • lactose-intolerantie – 320
  • gebruik van temazepam (Normison, Restoril) – 315
  • sociale angststoornis (sociale fobie) – 315
  • gebruik van Omnic (tamsulosine) – 312
  • anafylactische reactie – 310
  • hartaanval van de achterwand van het hart (achterwandinfarct) – 310
  • TIA – 300
  • gebruik van fluconazol (Diflucan) – 300
  • benzinevergiftiging na inademen benzinedamp (chronische benzine-intoxicatie) – 295
  • gebruik van pantoprazol (Pantozol) – 290
  • hoogteziekte (acute hoogteziekte) – 285
  • gebruik van cafeïnepillen (gebruik van voedingssupplementen met cafeïne) – 275
  • bloedarmoede door een tekort aan vitamine B12 (pernicieuze anemie) – 260
  • gebruik van loperamide (Imodium) – 255
  • syndroom van Wolff-Parkinson-White – 254
  • stoppen met het gebruik van steroiden (steroïden onttrekkingssyndroom) – 250
  • gebruik van indometacine (Indocid) – 250
  • gebruik van naproxen (Aleve, Femex, Naprosyne, Naprovite) – 250
  • gebruik van Zovirax (aciclovir) – 250
  • vernauwing van de aortaklep (aortakleptstenose) – 242
  • migraine met aura – 240
  • infarct van de kleine hersenen (cerebellair infarct) – 236
  • gebruik van alkylnitriet (‘poppers’) – 232
  • uitzaaiingen in de hersenen (hersenmetastasen) – 221
  • gebruik van bisoprolol (Emcor) – 220
  • inappropriate sinus tachycardia – 215
  • infarct van de hersenstam (hersenstaminfarct) – 210
  • onderdrukking van het hart door een overgevoelige sinus caroticus (hypersensitieve-sinus caroticus-syndroom – cardiodepressieve vorm) – 204
  • stoppen met het (langdurig) gebruik van cocaïne (cocaïne onttrekkingssyndroom) – 195
  • aantasting van de hartspier door langdurig alcoholgebruik (alcoholische cardiomyopathie) – 192
  • otosclerose – 188
  • gebruik van nifedipine (Adalat) – 188
  • gebruik van Zyprexa (olanzapine) – 186
  • extreme zwangerschapsmisselijkheid (hyperemesis gravidarum) – 185
  • chemische verbranding van de arm – 180
  • gebruik van carvedilol – 180
  • verzuring door alcoholgebruik (alcoholische ketoacidose) – 180
  • gebruik van azitromycine (Zithromax) – 175
  • gebruik van tramadol (Tramagetic) – 175
  • bloeding in het maagdarmkanaal – 175
  • ziekte van Parkinson – 175
  • harttamponade – 173
  • cholesteatoom – 173
  • vernauwing van de tricuspidaalklep (tricuspidalisstenose) – 171
  • gordelroos van het oor (herpes zoster oticus) – 170
  • sick sinus syndroom – 168
  • torsade de pointes – 165
  • gebruik van atenolol (Tenormin) – 160
  • chronische lymfatische leukemie (chronische lymfatische B-celleukemie) – 151
  • brughoektumor (acusticusneurinoom) – 151
  • aantasting van de zenuwen door suikerziekte (diabetische neuropathie) – 147
  • gebruik van claritromycine (Klacid) – 145
  • anuskramp (proctalgia fugax) – 143
  • gebruik van fentanyl tabletten of zuigtabletten (Abstral, Actiq, Breakyl, Effentora, Recivit) – 140
  • ernstige warmtestuwing (hitteberoerte) – 138
  • gebruik van fosinopril (Monopril) – 133
  • somatisatiestoornis – 132
  • antivriesvergiftiging (ethyleenglycolintoxicatie) – 130
  • verlaagde druk van het hersenvocht (verlaagde liquordruk) – 130
  • gebruik van vancomycine (Vancocin) – 125
  • gaatje in het ovale venster van het oor (perilymfatische fistel) – 124
  • gebruik van mirtazapine (Remeron) – 120
  • postnatale depressie (postpartum depressie) – 117
  • gebruik van cabergoline (Dostinex) – 115
  • toxische-shocksyndroom (toxic shock syndrome) – 113
  • gebruik van Symbicort (budesonide/formoterol) – 113
  • autonome neuropathie – 110
  • AV nodale re-entry tachycardie (AV nodale re-entry tachycardie) – 110
  • lewy-lichaampjesdementie (Lewy body-dementie) – 110
  • feochromocytoom – 105
  • gebruik van clobetasol (Dermovate) – 105
  • gebruik van alfuzosine (Xatral) – 104
  • gebruik van amfetamine (speed) – 100
  • gebruik van chloortalidon – 100
  • gebruik van sertraline (Zoloft) – 100
  • reactie na inenting – 100
  • gebruik van losartan (Cozaar) – 100

Zeldzame oorzaken van duizeligheid: <100/jaar

  • goedaardige duizeligheid bij kinderen (benigne paroxismale vertigo bij kinderen) – 99
  • overdosis lithium (lithiumintoxicatie) – 99
  • vitamine A-vergiftiging (hypervitaminose A) – 96
  • gekneusd binnenoor (contusie van het labyrinth) – 94
  • gebruik van levofloxacine tabletten – 90
  • polycytemie (polycytemia vera) – 87
  • gebruik van gabapentine – 86
  • kwikvergiftiging (kwikintoxicatie) – 84
  • gebruik van spironolacton (Aldacton) – 84
  • ziekte van Kahler (multipel myeloom) – 83
  • gebruik van Xyrem (natriumoxybaat) – 80
  • gebruik van isosorbidemononitraat (Mono-cedocard) – 80
  • syndroom van Bradbury-Eggleston (puur autonoom falen) – 77
  • gebruik van oxazepam (Seresta) – 75
  • essentiële trombocytemie – 75
  • gebruik van fexofenadine (Telfast) – 70
  • gebruik van imipramine – 70
  • gebruik van lidocaïne – 70
  • gebruik van lercanidipine (Lerdip) – 70
  • paroxismale supraventriculaire tachycardie – 70
  • voorbijgaand geheugenverlies (transient global amnesia) – 66
  • multiple sclerose – 66
  • gebruik van varenicline (Champix) – 65
  • gebruik van irbesartan (Aprovel) – 65
  • overgevoelige sinus caroticus – gecombineerde vorm (hypersensitieve-sinus caroticus-syndroom – gecombineerde vorm) – 64
  • gebruik van amlodipine (Norvasc) – 63
  • beschadiging van de gehoorzenuw (letsel van de N. cochlearis) – 61
  • ziekte van Paget van het bot (osteitis deformans) – 61
  • koolmonoxidevergiftiging (acute koolmonoxideintoxicatie) – 60
  • gebruik van montelukast (Singulair) – 60
  • vernauwing van de grote lichaamsslagader door aderverkalking (atherosclerose van de aorta) – 60
  • benzinevergiftiging na doorslikken benzine (acute benzine-intoxicatie) – 59
  • reactieve hypoglycemie – 58
  • splijting van de wand van de grote lichaamsslagader (dissectie van de aorta) – 55
  • gebruik van clozapine (Leponex) – 55
  • ontbreken van de bovenzijde van het halfcirkelvormige kanaal van het labyrint (SCDS) – 55
  • tekort aan zuurstof in de hersenen (cerebrale hypoxie) – 55
  • gebruik van memantine (Ebixa, Nemdatine) – 55
  • gebruik van Lertec (enalapril en lercanidipine) – 51
  • gebruik van Exelon (rivastigmine) – 50
  • gebruik van methadon – 50
  • gebruik van dutasteride (Avodart) – 50
  • gebruik van metronidazol (Flagyl) – 50
  • gebruik van Zelitrex (valaciclovir) – 50
  • beknelling van de evenwichtszenuw (neurovasculair compressiesyndroom van de N. vestibularis) – 50
  • gebruik van rituximab (MabThera) – 50
  • ventrikeltachycardie – 48
  • gebruik van Vesomni (solifenacine / tamsulosine) – 47
  • overdosis carbamazepine (Tegretol) – 47
  • infectie van het zenuwstelsel door de Borrelia bacterie (neuroborreliose) – 46
  • gebruik van misoprostol (Cytotec) – 45
  • meervoudige systeematrofie (multisysteematrofie) – 44
  • erfelijke dikkedarmkanker (hereditair non-polyposis colorectaal carcinoom) – 43
  • methanolvergiftiging (methanolintoxicatie) – 42
  • gebruik van digoxine – 42
  • gebruik van baclofen – 41
  • arachnoïdale cyste van de hersenen – 40
  • bloeding tussen het harde hersenvlies en de schedel (epiduraal hematoom) – 40
  • metallose van de heup (metallose van het heupgewricht) – 40
  • methemoglobinemie (verworven methemoglobinemie) – 40
  • bloeding in de hersenstam – 39
  • gebruik van zopiclon (Imovane) – 39
  • gebruik van pregabaline (Lyrica) – 39
  • typische aangezichtspijn veroorzaakt door andere aandoening (symptomatische trigeminusneuralgie) – 38
  • gebruik van famciclovir – 38
  • gebruik van pimozide (Orap) – 36
  • langdurige koolmonoxidevergiftiging (chronische koolmonoxideintoxicatie) – 36
  • transfusiereactie (hemolytische transfusiereactie) – 36
  • gebruik van carbamazepine (Tegretol) – 35
  • nicotinevergiftiging (nicotine-intoxicatie) – 35
  • koudeallergie (primaire koude urticaria) – 33
  • slijtage van de tussenwervelschijven (discusdegeneratie) – 33
  • ziekte van Behçet – 33
  • gebruik van quinapril – 33
  • gebruik van ramipril – 33
  • gebruik van topiramaat – 33
  • postural orthostatic tachycardia syndrome – 31
  • vernauwing van de longslagaderklep (pulmonalisstenose) – 31
  • gebruik van clomipramine – 30
  • progressieve supranucleaire verlamming (progressieve supranucleaire paralyse) – 30
  • verstopping van de bovenste holle ader (vena cava superior syndroom) – 29
  • gebruik van Sabril (vigabatrine) – 28
  • gebruik van Instanyl (intranasale fentanyl spray) – 28
  • bifasciculair block – 28
  • overdosis acetylsalicylzuur (salicylaatintoxicatie) – 26
  • splijting van de wand van de slagader in de halswervelkolom (dissectie van de A. vertebralis) – 26
  • verlaging van de bloeddruk door een overgevoelige sinus caroticus (hypersensitieve-sinus caroticus-syndroom – vasodepressieve vorm) – 26
  • gebruik van griseofulvine – 25
  • gebruik van nitrazepam (Mogadon) – 25
  • slokdarmkanker (oesofaguscarcinoom) – 25
  • gebruik van Constella (linaclotide) – 24
  • gebruik van Xarelto (rivaroxaban) – 24
  • lange-QT-tijdsyndroom type 2 – 24
  • digoxine overdosering (digoxine intoxicatie) – 24
  • Chinees restaurant syndrome – 23
  • Stendhal-syndroom – 23
  • gebruik van amitriptyline (Tryptizol, Sarotex) – 23
  • syndroom van Waterhouse-Friderichsen – 22
  • chronische traumatische encefalopathie – 22
  • gebruik van gemfibrozil – 21
  • chronische koolmonoxidevergiftiging (chronische koolmonoxideintoxicatie) – 21
  • gebruik van gentamicine – 21
  • ziekte van Waldenström (macroglobulinemie van Waldenström) – 21
  • gebruik van methotrexaat – 20
  • Addison crisis (acute bijnierschorsinsufficiëntie) – 20
  • gebruik van cetuximab (Erbitux) – 20
  • gebruik van lorazepam (Temesta) – 20
  • gebruik van pethidine – 20
  • contact met haren van de eikenprocessierups (contact met haren van de eikenprocessierups) – 20
  • glomus jugulare tumor – 20
  • verwonding van het binnenoor (letsel aan het binnenoor) – 19
  • syndroom van Lennox-Gastaut – 19
  • gebruik van angel dust (gebruik van fencyclidine (PCP)) – 19
  • gebruik van eprosartan (merknaam Teveten) – 19
  • gebruik van candesartan (Atacand) – 18
  • lange-QT-tijdsyndroom type 1 – 18
  • valsalva manoeuvre – 18
  • gebruik van desmopressine (Minrin) – 18
  • gebruik van Implanon / Implanon NXT – 18
  • melk-alkali syndroom – 17
  • hypertrofische obstructieve cardiomyopathie – 17
  • syndroom van Guillain-Barré – 17
  • aderlaten (flebotomie) – 16
  • distaal syndroom van de a. cerebelli posterior inferior – 16
  • gebruik van Onglyza (saxagliptine) – 16
  • gezwel in de fossa posterior (tumor in de fossa posterior) – 16
  • tekort aan mangaan (mangaandeficiëntie) – 16
  • gebruik van Cibacen (benazepril) – 15
  • gebruik van Vimpat (lacosamide) – 15
  • gebruik van zolmitriptan – 15
  • status migrainosus – 15
  • gebruik van labetalol tabletten – 15
  • glomus tympanicum tumor – 15
  • gebruik van Perjeta (pertuzumab) – 14
  • basilarismigraine – 14
  • gebruik van acetazolamide (Diamox) – 14
  • gebruik van Levitra (vardenafil) – 14
  • blootstelling aan tolueen (blootstelling aan tolueen) – 14
  • gebruik van Victrelis (boceprevir) – 14
  • vislintworm (Diphyllobothrium latum-infectie) – 13
  • gebroken schedelbasis (schedelbasisfractuur) – 13
  • gebruik van bumetanide (Burinex) – 13
  • gebruik van lenalidomide (Revlimid) – 13
  • stress gastritis – 13
  • dumpingsyndroom (postgastrectomiesyndroom) – 13
  • gebruik van Glivec (imatinib) – 13
  • gebruik van sotalol (Sotacor) – 13
  • toediening van fentanyl – 13
  • gebruik van cyclizine – 13
  • gebruik van isosorbidedinitraat (Cedocard, Isordil) – 13
  • gebruik van promethazine – 13
  • gebruik van trimethoprim/sulfamethoxazol – 13
  • hemolytisch uremisch syndroom (typische HUS) – 12
  • gebruik van fluvastatine – 12
  • vitamine C-tekort (vitamine C-deficiëntie) – 12
  • gebruik van donepezil (Aricept) – 12
  • ziekte van Addison (primaire bijnierschorsinsufficiëntie) – 12
  • insulinoom – 11
  • gebruik van roxitromycine – 11
  • gebruik van propafenon (Rytmonorm) – 11
  • gebruik van tolvaptan (merknaam: Jinarc) – 11
  • styreenvergiftiging (styreenintoxicatie) – 11
  • zenuwpijn van de achterhoofdszenuw (occipitalisneuralgie) – 11
  • kwaadaardig feochromocytoom (maligne feochromocytoom) – 11
  • gebruik van Betmiga (mirabegron) – 11
  • gebruik van rabeprazol – 10
  • gebruik van Tamiflu (oseltamivir) – 10
  • gebruik van triamtereen (Dytac) – 10
  • trilling in de beenspieren bij stilstaan (idiopathische orthostatische tremor) – 10
  • zoutverlies door aandoening van de hersenen (syndroom van cerebraal zoutverlies) – 10
  • gebruik van clonidine (Dixarit) – 10
  • gebruik van Seroquel (quetiapine) – 10
  • gebruik van trimetazidine (Vastarel) – 10
  • pseudotumor cerebri (idiopathische intracraniële hypertensie) – 10
  • epidemische duizeligheid – 10
  • gebruik van Lynparza (olaparib) – 10

Zeer zeldzame oorzaken van duizeligheid: <10/jaar

  • gebruik van prucalopride (Resolor) – 9
  • gebruik van zonisamide – 9
  • gebruik van levofloxacine infusievloeistof – 9
  • nootmuskaatvergiftiging (nootmuskaat intoxicatie) – 9
  • aangeboren vernauwing van de grote lichaamsslagader (coarctatio aortae) – 8
  • gebruik van Inspra (eplerenon) – 8
  • ziekte van Takayasu (takayasu-arteriitis) – 8
  • zuurstofvergiftiging (hyperoxie) – 8
  • organisch psychosyndroom (chronische toxische encephalopathie) – 8
  • gebruik van tacrolimus (Prograf) – 8
  • gebruik van verapamil (Isoptin) – 8
  • ziekte van Von Willebrand – type 1 – 8
  • subclavian steal syndrome – 8
  • gebruik van celecoxib (Celebrex) – 7
  • gebruik van DuaklirGenuair (aclidinium bromide/formoterol) – 7
  • gebruik van exenatide (Byetta, Bydureon) – 7
  • sarcoïdose van het zenuwstelsel (neurosarcoïdose) – 7
  • antifosfolipidensyndroom – 6
  • gebruik van tacrine – 6
  • ontsteking van de luchtpijp (acute tracheïtis) – 6
  • gebruik van allergeenextract graspollen (Allergovit, Alutard, Pollinex, Purethal) – 6
  • lange-QT-tijdsyndroom type 3 – 6
  • gebruik van Combodart (dutasteride + tamsulosine) – 6
  • syndroom van Jervell en Lange-Nielsen – 6
  • gebruik van Mimpara (cinacalcet) – 6
  • stoppen met het gebruik van van morfine of morfine-achtige geneesmiddelen (opiaatonttrekking) – 6
  • verhoogde druk in de longslagader door onbekende oorzaak (primaire pulmonale hypertensie) – 6
  • stembandverlamming (enkelzijdig) (stembandparalyse (unilateraal)) – 5
  • gebruik van Invega® (paliperidon) – 5
  • hypofyse-infarct – 5
  • myxoom van de linkerboezem (myxoom van het linker atrium) – 5
  • gebruik van pindolol (Viskeen) – 5
  • plaatsen van trommelvliesbuisjes – 5
  • gebruik van bromocriptine (Parlodel) – 5
  • gebruik van Invokana (canagliflozine) – 5
  • gebruik van lormetazepam (Loramet) – 5
  • gebruik van ropinirol (Requip) – 5
  • ziekte van Fabry (alfa-galactosidase A deficiëntie) – 5
  • lidocaïneoverdosering (lidocaïne-intoxicatie) – 5
  • gebruik van Baraclude (entecavir) – 5
  • gebruik van Daklinza (daclatasvir) – 5
  • ketamineverslaving (ketamineverslaving) – 5
  • medulloblastoom – 5
  • kobaltvergiftiging door metaal-op-metaalheupprothese (kobaltintoxicatie door metaal-op-metaalheupprothese) – 5
  • blootstelling aan aromatische koolwaterstoffen – 5
  • gebruik van pembrolizumab (Keytruda) – 5
  • gebruik van tocilizumab (merknaam: RoActemra) – 5
  • hypertrofische niet-obstructieve cardiomyopathie (hypertrofische cardiomyopathie) – 5
  • gebruik van Xeplion® (paliperidon) – 4
  • gebruik van icatibant (merknaam: Firazyr) – 4
  • gebruik van Rupafin (rupatadine) – 4
  • blauwzuurvergiftiging (cyanide intoxicatie) – 4
  • gebruik van pramipexol (Sifrol, Mirapexin) – 4
  • gebruik van zoledroninezuur (Aclasta) – 4
  • gebruik van zoledroninezuur (Zometa) – 4
  • duikersziekte (decompressieziekte) – 4
  • MELAS-syndroom – 4
  • mestcelziekte (systemische mastocytose) – 3
  • fibromusculaire dysplasie van de nierslagader (renovasculaire fibromusculaire dysplasie) – 3
  • fistel tussen middenoor en binnenoor (labyrintfistel) – 3
  • inademing van tetrachloorethyleen (inhalatie van tetrachloorethyleen) – 3
  • gebruik van Adenuric® (febuxostat) – 3
  • gebruik van dexamfetamine (Amfexa) – 3
  • gebruik van EPO – 3
  • gebruik van Plenaxis (abarelix) – 3
  • misvormde bloedvaten in de hersenen (arterioveneuze malformatie in de hersenen) – 3
  • terugkerende kraakbeenontsteking (recidiverende polychondritis) – 3
  • gebruik van colchicine – 3
  • kopervergiftiging (koperintoxicatie) – 3
  • gebruik van voriconazol (Vfend) – 3
  • gebruik van Zaltrap (aflibercept) – 3
  • luchtembolie – 3
  • syndroom van Morgagni-Morel – 3
  • vergiftiging met fenol (fenol intoxicatie) – 3
  • gebruik van Atripla (emtricitabine/tenofovir/efavirenz) – 3
  • gebruik van azathioprine – 3
  • gebruik van azelastine neusspray – 3
  • gebruik van doxylamine – 3
  • gebruik van Cyress (barnidipine) – 3
  • gebruik van famotidine – 3
  • gebruik van hydroxychloroquine (Plaquenil) – 3
  • gebruik van pergolide (Permax) – 3
  • gebruik van urapidil (Ebrantil) – 3
  • primaire ciliaire dyskinesie – 2
  • ruimteziekte (gewichtloosheidsyndroom) – 2
  • ganglionitis geniculata (neuralgie van de nervus intermedius) – 2
  • fibromusculaire dysplasie van slagaders in de hals (cervicale fibromusculaire dysplasie) – 2
  • gebruik van ethambutol – 2
  • gebruik van kinidine – 2
  • gebruik van Yondelis (trabectedine) – 2
  • cyste van Tornwaldt – 2
  • gebruik van Adasuve (loxapine) – 2
  • gebruik van Copaxone (glatirameer) – 2
  • gebruik van fomepizol (intraveneus) – 2
  • kropgezwel door tekort aan jodium (endemisch struma) – 2
  • gebruik van Galvus® (vildagliptine) – 2
  • gebruik van etacrynezuur (Edecrin) – 2
  • syndroom van Miller-Fisher – 2
  • gebruik van octreotide (Sandostatine, Siroctid) – 2
  • gebruik van Brintellix (vortioxetine) – 2
  • gebruik van mesalazine (Asacol, Pentasa, Salofalk) – 2
  • gebruik van Ventavis (iloprost) – 1,8
  • ziekte van Creutzfeldt-Jakob – 1,7
  • bijnierinfarct – 1,6
  • gebruik van Eucreas® (vildagliptine + metformine) – 1,6
  • adderbeet – 1,6
  • gebruik van nilotinib (Tasigna) – 1,5
  • cervicocraniaal syndroom – 1,5
  • gebruik van methyldopa – 1,5
  • gebruik van Truvada (tenofovir/emtricitabine) – 1,5
  • ontsteking in de mond door overgevoeligheid (allergische contact stomatitis) – 1,5
  • ziekte van Von Willebrand – type 2 – 1,5
  • syndroom van Lambert-Eaton – 1,4
  • lymfeklierkanker in de hersenen (primair lymfoom van de hersenen) – 1,4
  • aconitine-vergiftiging (aconitine-intoxicatie) – 1,3
  • gebruik van Halaven (eribulin) – 1,3
  • gebruik van thiamazol (Strumazol) – 1,3
  • trombose van de sinus sagitalis in de hersenen (cerebrale trombose van de sinus sagittalis superior) – 1,3
  • aceetaldehyde syndroom – 1,3
  • gebruik van norfloxacine – 1,3
  • gebruik van Rupafin (rupatadine) drank – 1,3
  • gebruik van telmisartan (Micardis) – 1,3
  • gebruik van trazodon (Trazolan) – 1,3
  • syndroom van Tolosa-Hunt – 1,2
  • erfelijke fructose-intolerantie (hereditaire fructose-intolerantie) – 1,1
  • gordelroos (herpes zoster) – 1,1
  • toxische encefalopathie bij buikgriep (toxische encefalopathie bij gastroenteritis) – 1,0
  • gebruik van butorfanol (Stadol) – 1,0
  • gebruik van diazoxide – 1,0
  • gebruik van duloxetine (Cymbalta) – 1,0
  • gebruik van Esbriet (pirfenidon) – 1,0
  • gebruik van filgrastim – 1,0
  • gebruik van hydroxyzine (Atarax®) – 1,0
  • gebruik van modafinil (Modiodal, Aspendos) – 1,0
  • gebruik van Trobalt (retigabine) – 1,0
  • allergisch astma door Aspergillus (Aspergillus-astma) – 1,0
  • gebruik van adrenaline autoinjector (EpiPen) – 1,0
  • geslachtsgebonden sideroblastaire anemie (X-gebonden sideroblastaire anemie) – 1,0
  • primair verworven sideroblastaire anemie – 1,0
  • sideroblastaire anemie – 1,0

Extreem zeldzame oorzaken van duizeligheid: <1/jaar

  • gebruik van Stribild (elvitegravir-cobicistat-gemcitabine-tenofovir) – 0,9
  • gebruik van biperideen – 0,9
  • gebruik van Toviaz (fesoterodine) – 0,9
  • tetanus – 0,9
  • myxoom van de rechterboezem (myxoom van het rechter atrium) – 0,8
  • hersenvliesontsteking door Streptococcus suis (Streptococcus suis-meningitis) – 0,8
  • aangeboren methemoglobinemie type I (congenitale methemoglobinemie type I) – 0,8
  • syndroom van Kartagener (primaire ciliaire dyskinesie – type Kartagener) – 0,8
  • gebruik van reserpine – 0,8
  • gebruik van Arcoxia (etoricoxib) – 0,8
  • gebruik van Zyvoxid (linezolid) – 0,8
  • ziekte van Von Willebrand – type 3 – 0,8
  • familiaire progressieve vestibulocochleaire dysfunctie – 0,7
  • gebruik van parecoxib (Dynastat) – 0,7
  • verstopping van de longaderen (pulmonale veno-occlusieve ziekte) – 0,7
  • coccidioïdomycose (acute coccidioïdomycose) – 0,7
  • mangaanvergiftiging (mangaanintoxicatie) – 0,6
  • ontsteking van het hart door acuut reuma (acute reumatische myocarditis) – 0,6
  • syndroom van Vogt-Koyanagi-Harada – 0,6
  • gebruik van cyproheptadine – 0,6
  • infectie van de hersenstam door Listeria bacterie (rombencefalitis door Listeria monocytogenes) – 0,6
  • episodische spontane hypothermie met hyperhidrose – 0,6
  • fibromusculaire dysplasie – 0,5
  • gebruik van Daliresp / Libertek (roflumilast) – 0,5
  • gebruik van Dificlir (fidaxomicine) – 0,5
  • gebruik van Inegy (ezetimibe + simvastatine) – 0,5
  • gebruik van pegfilgrastim (Neulasta) – 0,5
  • gebruik van propylthiouracil – 0,5
  • gebruik van Rasilamlo (aliskiren/amlodipine) – 0,5
  • gebruik van Rasilez (aliskiren) – 0,5
  • gebruik van Rasilez HCT (aliskiren/hydrochloorthiazide) – 0,5
  • gebruik van tetrabenazine (Tetmodis, Xenazine) – 0,5
  • gebruik van pentamidine – 0,5
  • tumefactieve demyeliniserende afwijking – 0,5
  • CREST-syndroom (limited cutaneous sclerosis) – 0,5
  • vergiftiging met dichloormethaan (acute dichloormethaanintoxicatie) – 0,5
  • gebruik van Cymevene (ganciclovir) – 0,5
  • ontsteking van de hersenen door het St.-Louis-encefalitis virus (St.-Louis-encefalitis) – 0,4
  • gebruik van Bosulif (bosutinib) – 0,4
  • gebruik van piroxicam – 0,4
  • spontane lekkage van hersenvocht (spontane liquorlekkage) – 0,4
  • los botje op de plaats van de dens van de tweede halswervel (os odontoideum) – 0,4
  • gebruik van Yervoy (ipilimumab) – 0,4
  • syndroom van Von Hippel-Lindau – 0,4
  • syndroom van Cogan (Cogan-I-syndroom) – 0,4
  • syndroom van Allgrove (triple-A syndroom) – 0,3
  • West-Nijl koorts (West-Nijl virusinfectie) – 0,3
  • zwelling van de hersenen door hoogteziekte (hoogte-hersenoedeem) – 0,3
  • capillairleksyndroom – 0,3
  • aangeboren methemoglobinemie type II (congenitale methemoglobinemie type II) – 0,3
  • cadmiumvergiftiging (cadmiumintoxicatie) – 0,3
  • endolymphatic sac tumor – 0,3
  • gebruik van Benlysta (belimumab) – 0,3
  • histiocytose (Langerhans-cel histiocytose) – 0,3
  • cysticercose van het zenuwstelsel (neurocysticercose) – 0,3
  • overgevoelig voor kaneel (kaneelallergie) – 0,3
  • gebruik van Edurant (rilpivirine) – 0,3
  • gebruik van kinine – 0,3
  • Hymenolepis infectie (hymenolepiasis) – 0,2
  • ehrlichiose (humane monocytaire ehrlichiose) – 0,2
  • syndroom van Riley-Day (familiaire dysautonomie) – 0,2
  • Nipah-virusinfectie (Nipah-virusinfectie) – 0,2
  • gebruik van alglucosidase alfa (Myozyme) – 0,2
  • gebruik van Emselex (darifenacine) – 0,2
  • gebruik van Januvia (sitagliptine) – 0,2
  • gebruik van ofloxacine (Tarivid) – 0,2
  • gebruik van terbinafine – 0,2
  • gebruik van chelatietherapie met EDTA – 0,2
  • ataxie van Friedreich – 0,19
  • gebruik van Combivir (lamivudine/zidovudine) – 0,15
  • stralingsziekte (acute stralingsziekte) – 0,15
  • gebruik van Elonva (corifollitropine alfa) – 0,10
  • gebruik van lovastatine (Mevacor) – 0,10
  • gebruik van Simponi (golimumab) – 0,10
  • gebruik van Vibativ (telavancine) – 0,10
  • kobaltvergiftiging door inname van kobalt (kobaltintoxicatie door ingestie van kobalt) – 0,09
  • hemofilie A (factor VIII-deficiëntie) – 0,09
  • syndroom van Muckle-Wells – 0,08
  • lassakoorts – 0,07
  • builenpest (Yersinia pestis-infectie) – 0,07
  • gebruik van Fampyra (fampridine) – 0,07
  • riftdalkoorts – 0,07
  • kanker van spierweefsel in het oor (rabdomyosarcoom in het oor) – 0,06
  • syndroom van Susac (retinocochleacerebrale vasculopathie) – 0,06
  • tekort aan koper (koperdeficiëntie) – 0,05
  • gebruik van Leganto (rotigotine) – 0,05
  • gebruik van octocog alfa (Kogenate, Kovaltry, Advate, Helixate Nexgen) – 0,05
  • gebruik van procaïnamide (Pronestyl) – 0,05
  • syndroom van Bartter – 0,04
  • gebruik van azilsartan – 0,04
  • vogelgriep (aviaire influenza) – 0,03
  • gebruik van dicycloverine – 0,02
  • gebruik van Firdapse (amifampridine) – 0,02
  • gebruik van Striverdi Respimat (olodaterol) – 0,02
  • gebruik van ticlopidine (gebruik van ticlopidine) – 0,02
  • gebruik van Ultibro Breezhaler (indacaterol/glycopyrronium) – 0,02
  • hemofilie B (factor IX-deficiëntie) – 0,015
  • hemofilie C (factor XI-deficiëntie) – 0,010
  • familial isolated vitamin E deficiency – 0,008
  • PEHO-syndroom – 0,004

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Publicatiedatum: 16 november 2015
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 29 mei 2017

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *