Diarree

Wat is diarree?

Diarree is dunne ontlasting die vaker komt dan de gewone ontlasting. Dunne ontlasting komt regelmatig voor als symptoom van verschillende aandoeningen. Vrijwel iedereen heeft er wel eens mee te maken. Op deze pagina vindt u informatie over oorzaken en behandeling van diarree.

Een aparte vorm van diarree is waterdunne ontlasting. Hierbij stroomt de ontlasting als water uit een kraan. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen acute diarree en chronische diarree. Met chronische diarree wordt bedoeld diarree die langer dan twee weken aanhoudt. Tenslotte is er nog een aparte pagina over bloederige diarree.

Hoe ontstaat diarree?

Bij diarree is er teveel vocht in de ontlasting. Dit kan op verschillende manieren ontstaan. Normaal gesproken is de ontlasting dun als deze vanuit de dunne darm in de dikke darm komt. In de dikke darm wordt vocht aan de ontlasting onttrokken. De ontlasting wordt hier dus ingedikt. Dit proces kan worden verstoord doordat de dikke darm niet meer goed werkt, bijvoorbeeld door een infectie of een ontsteking. Dan kan diarree ontstaan.

Oorzaken diarree

Er zijn heel veel verschillende oorzaken voor het optreden van diarree. Deze oorzaken kunnen worden ingedeeld in de volgende hoofdgroepen.

  1. Infectie van de darmen, bijvoorbeeld buikgriep, voedselvergiftiging of reizigersdiarree;
  2. Gebruik van bepaalde geneesmiddelen, bijvoorbeeld laxeermiddelen (laxantia);
  3. Ontsteking van de darmen, bijvoorbeeld de ziekte van Crohn of colitis ulcerosa;
  4. Hormonale aandoeningen, bijvoorbeeld ziekte van Graves of andere aandoeningen van de schildklier;
  5. Bepaalde stofwisselingsziekten;
  6. Bepaalde vergiftigingen (intoxicaties);
  7. Overige oorzaken
oorzaken diarree
oorzaken diarree

Klik op de afbeelding hierboven voor een overzicht van oorzaken van diarree met een schatting van het aantal gevallen per jaar in Nederland.

Onderaan de pagina treft u een uitgebreide lijst van de verschillende aandoeningen die diarree kunnen veroorzaken.

Complicaties diarree

Complicaties zijn nadelige bijwerkingen van een aandoening. Bij diarree kan uitdroging (dehydratie) optreden als complicatie. Door het verlies van veel vocht met de ontlasting kan het lichaam een tekort aan vocht oplopen. Dit wordt uitdroging of dehydratie genoemd.

Behandeling diarree

Als diarree wordt veroorzaakt door een infectie kan de diarree helpen om de bacteriën of virussen die de infectie veroorzaken te verwijderen uit het lichaam.

Wat kun je zelf doen?

Het meest gebruikte middel tegen diarree is loperamide. Dit middel is zonder doktersrecept te krijgen bij de drogist of bij internetwinkels. Het is bekend geworden onder de merknaam Imodium, maar is tegenwoordig ook onder andere namen of als merkloos middel beschikbaar.

Wat kan de arts doen?

De arts zal meestal eerst willen weten wat de oorzaak van de diarree is. In eerste instantie zal de dokter vragen stellen: Hoe ziet de diarree eruit? Zit er slijm of bloed bij? Wat heb je gegeten? Ben je in het buitenland geweest? etc. Daarnaast zijn verschillende onderzoeken beschikbaar waarmee de oorzaak van de diarree achterhaald kan worden. Als bekend is wat de oorzaak is kan gericht worden behandeld.

Naast behandeling van de diarree zal de arts ook beoordelen of er sprake is van uitdroging. Als dit het geval is zal ook de uitdroging worden behandeld.

Uitgebreide lijst oorzaken diarree

Hieronder een uitgebreide lijst van mogelijke oorzaken van diarree. Het getal achter de oorzaak is een schatting van het aantal gevallen dat jaarlijks vanwege die oorzaak diarree krijgt.

  • buikgriep door rotavirus (rotavirusinfectie) – 173.250
  • buikgriep door norovirus (norovirusinfectie) – 144.000
  • voedselvergiftiging – 112.500
  • veel frisdrank drinken – 75.000
  • gebruik van een nieuw geneesmiddel – 60.000
  • infectie van de darm door Campylobacter-bacterie (Campylobacter enteritis) – 55.200
  • reizigersdiarree (enteritis veroorzaakt door E. coli) – 45.000
  • infectie van de darm door astrovirus (astrovirusinfectie) – 37.500
  • spastische dikkedarm (prikkelbaredarmsyndroom) – 22.940
  • peuterdiarree (chronische niet-specifieke diarree op de peuterleeftijd) – 19.800
  • cryptosporidiose – 19.140
  • villeus adenoom van de dikke darm (villeus adenoom van het colon) – 14.300
  • inenting (vaccinatie) – 13.200
  • stoppen met het gebruik van SSRI’s (SSRI onttrekkingssyndroom) – 10.000
  • infectie van het maagdarmkanaal door E. coli (E.coli enteritis) – 9.000
  • verhoging van de dosering van een geneesmiddel – 9.000
  • salmonellose (Salmonella enterocolitis) – 7.820
  • infectie van de dunne darm door Giardia lamblia (giardiasis) – 7.650
  • chronische hyperventilatie – 7.200
  • infectie van de darm door adenovirus (enteritis door adenovirus) – 7.200
  • lactose-intolerantie – 6.640
  • overdosis cafeïne (acute cafeïne-intoxicatie) – 6.520
  • verklevingen in de buik (adhesies in de buikholte) – 5.400
  • gebruik van lactulose (Legendal) – 5.310
  • gegeneraliseerde angststoornis – 5.200
  • gebruik van omeprazol (Losec) – 5.000
  • te veel appelsap drinken – 5.000
  • gebruik van metformine (Glucophage, Diaformin) – 4.800
  • vruchtensuikerintolerantie (intestinale fructose-intolerantie) – 4.726
  • gevoelige maag (functionele dyspepsie) – 4.575
  • infectie van de darm door Clostridium-bacterie (C. difficile-infectie) – 3.960
  • premenstrueel syndroom (premenstruele stoornis) – 3.738
  • gebruik van ijzertabletten – 3.000
  • ontstoken divertikel (acute diverticulitis) – 2.900
  • middenoorontsteking (acute otitis media) – 2.754
  • encoprese door verstopping (retentieve encoprese) – 2.678
  • gebruik van diclofenac (Voltaren, Cataflam, Arthrotec) – 2.500
  • blindedarmontsteking (acute appendicitis) – 2.376
  • gebruik van nitrofurantoïne (Furabid / Furadantine) – 2.250
  • dikkedarmkanker (coloncarcinoom) – 1.968
  • alcoholverslaving (chronisch alcoholisme) – 1.890
  • ontsteking van het hart (myocarditis) – 1.800
  • infectie met het cytomegalovirus (cytomegalie) – 1.750
  • runderlintworm (Taenia saginata-infectie) – 1.750
  • enterovirusinfectie (banale enterovirusinfectie) – 1.600
  • gebruik van doxorubicine – 1.600
  • hand-voet-mondziekte – 1.600
  • aantasting van het perifere zenuwstelsel (perifere neuropathie) – 1.554
  • gebruik van metronidazol (Flagyl) – 1.500
  • zesde ziekte (exanthema subitum) – 1.458
  • gebruik van azitromycine (Zithromax) – 1.400
  • maagverlamming (gastroparese) – 1.350
  • migraine – 1.278
  • tekort aan mannosebindend lectine (MBL-deficiëntie) – 1.260
  • gebruik van amoxicilline – 1.130
  • gebruik van antikankermiddelen (chemotherapie) – 1.100
  • gebruik van cisplatina – 1.020
  • colitis ulcerosa – 1.018
  • functionele verstopping (chronische functionele obstipatie) – 1.000
  • gebruik van ciprofloxacine (Ciproxin) – 1.000
  • gebruik van Lariam (mefloquine) – 1.000
  • koemelkeiwitallergie – 1.000
  • gebruik van sint-janskruid – 880
  • gebruik van pravastatine (Selektine) – 850
  • gebruik van amoxicilline met enzymremmer (Augmentin) – 800
  • gebruik van lithium – 800
  • gebruik van fluconazol (Diflucan) – 795
  • niet goed werkende alvleesklier (exocriene pancreas insufficiëntie) – 720
  • ontsteking van de lymfeklieren in de buik (lymfadenitis mesenterica) – 650
  • ziekte van Graves (morbus Graves) – 612
  • gebruik van simvastatine (Zocor) – 600
  • overgevoelig voor gluten (coeliakie) – 593
  • stoppen met het (langdurig) gebruik van heroïne (heroïne-abstinentiesyndroom ) – 585
  • gebruik van claritromycine (Klacid) – 580
  • gebruik van hydrochloorthiazide – 558
  • aantasting van de zenuwen door suikerziekte (diabetische neuropathie) – 544
  • diabetes type 1 – 520
  • voedselvergiftiging door Bacillus cereus diarree-toxine – 494
  • bacteriële overgroei in de dunne darm – 480
  • tekort aan zink (zinkdeficiëntie) – 480
  • slecht werkende nieren (acute nierinsufficiëntie) – 480
  • ziekte van Crohn (enteritis regionalis) – 472
  • menstruatiepijn zonder onderliggende oorzaak (primaire dysmenorroe) – 444
  • operatie aan de prostaat – 444
  • fecoliet – 440
  • stoppen met het gebruik van steroiden (steroïden onttrekkingssyndroom) – 425
  • bacillaire dysenterie (shigellose) – 415
  • gebruik van alendroninezuur (Fosamax) – 375
  • gebruik van amfetamine (speed) – 375
  • gebruik van ibuprofen (Brufen) – 370
  • alvleesklierkanker (pancreascarcinoom) – 364
  • gebruik van esomeprazol (Nexium) – 350
  • endeldarmkanker (rectumcarcinoom) – 347
  • ziekte van Plummer (toxisch nodulair struma) – 316
  • vastzittende ontlasting (fecale impactie) – 308
  • ontsteking van de dikke darm door zuurstoftekort (acute ischemische colitis) – 304
  • jetlag – 300
  • gebruik van pantoprazol (Pantozol) – 290
  • ontsteking van de alvleesklier door alcohol (alcoholische pancreatitis) – 282
  • gebruik van Avastin (bevacizumab) – 280
  • overgevoelig voor geneesmiddelen (geneesmiddelallergie) – 266
  • verhoogd calcium gehalte in het bloed (hypercalciëmie) – 266
  • gebruik van flucloxacilline (Floxapen) – 260
  • gebruik van sertraline (Zoloft) – 250
  • verstoorde schildklierfunctie na de bevalling (postpartum thyroïditis) – 248
  • ontsteking van de darmen door bestraling (bestralingsenteritis) – 240
  • overdosis lithium (lithiumintoxicatie) – 240
  • cocaïne onttrekkingssyndroom – 240
  • aanhoudende ontsteking van de alvleesklier (chronische pancreatitis) – 231
  • aarsmaden (oxyuriasis) – 231
  • gebruik van penicilline – 225
  • psychische oorzaak (psychogeen) – 222
  • pernicieuze anemie – 220
  • amoebendysenterie – 218
  • geneesmiddelen-geïnduceerde bijnierschorsinsufficiëntie – 215
  • short bowel syndroom – 208
  • blootstelling aan blauwalgen – 204
  • Addison crisis (acute bijnierschorsinsufficiëntie) – 200
  • ziekte van Henoch-Schönlein – 200
  • carcinoïd – 199
  • pseudomembraneuze colitis – 197
  • gebruik gefitinib – 192
  • gebruik van erlotinib (Tarceva) – 192
  • schildklierontsteking van De Quervain – 190
  • tuberculose – 186
  • vitamine C-tekort – 184
  • vernauwing van de darmslagader (stenose van de A. mesenterica) – 176
  • gebruik van Constella (linaclotide) – 167
  • alcoholische neuropathie – 167
  • anafylactische reactie – 160
  • gebruik van magnesium oxide – 155
  • somatisatiestoornis – 144
  • ischemie van de darmen – 135
  • schildklieradenoom – 134
  • gebruik van bisfosfonaten – 132
  • abces in de buikholte (intra-abdominaal abces) – 128
  • aantasting van dunne zenuwvezels (dunnevezelneuropathie) – 125
  • gebruik van levothyroxine (Thyrax, Euthyrox)) – 125
  • gebruik van atorvastatine (Lipitor) – 120
  • gebruik van Zaldiar (tramadol + paracetamol) – 120
  • HELLP-syndroom – 120
  • VTEC-infectie – 120
  • microscopische colitis – 119
  • gebruik van colchicine – 117
  • serotoninesyndroom – 112
  • kinkhoest (pertussis) – 111
  • toxische-shocksyndroom – 110
  • hemolytisch uremisch syndroom (typische HUS) – 110
  • gebruik van laxeermiddelen (laxantia) – 110
  • gebruik van misoprostol (oraal) – 107
  • premenstruele dysfore stoornis – 105
  • gebruik van basiliximab (Simulect) – 100
  • gebruik van naproxen (Aleve, Femex, Naprosyne, Naprovite)  – 100
  • gebruik van propranolol (Inderal) – 100
  • gebruik van trimethoprim/sulfamethoxazol – 100
  • overgevoelig voor pinda’s (pinda-allergie) – 100
  • tekort aan foliumzuur (foliumzuurdeficiëntie) – 100
  • dumpingsyndroom (postgastrectomiesyndroom) – 97
  • trombose van de darmslagader (trombose van de A. mesenterica) – 95
  • hepatitis B – 94
  • gebruik van acarbose – 93
  • gebruik van risedroninezuur (Actokit, Actonel) – 90
  • verzuring door alcoholgebruik (alcoholische ketoacidose) – 81
  • kwikvergiftiging (kwikintoxicatie) – 81
  • gebruik van tacrolimus (Prograf) – 80
  • tropische spruw  – 79
  • eosinofiele maagdarmontsteking (eosinofiele gastroenteritis) – 79
  • onvoldoende opname van voedingsstoffen in het bloed (malabsorptiesyndroom) – 78
  • gebruik van fluorouracil (Efudix) – 75
  • syndroom van cyclisch braken – 75
  • gebruik van methotrexaat – 73
  • bloedvergiftiging bij pasgeboren baby (neonatale sepsis) – 72
  • overgevoelig voor tarwe (tarwe allergie) – 72
  • autonome neuropathie – 70
  • gebruik van furosemide (Lasix) – 68
  • tekort aan immuunglobuline A (selectieve IgA-deficiëntie) – 68
  • toediening van fentanyl – 65
  • ziekte van Ménétrier – 65
  • schistosomiasis – 62
  • malaria – 61
  • gebruik van Glivec (imatinib) – 60
  • GHB-onthoudingssyndroom – 60
  • gebruik van Exelon (rivastigmine) – 58
  • gebruik van glimepiride (Amaryl) – 56
  • toxocariasis – 56
  • trombose van de nierader (niervenetrombose) – 54
  • blinde lis syndroom (blind loop syndrome) – 53
  • gebruik van imipramine – 53
  • gebruik van amiodaron (Cordarone) – 50
  • gebruik van capecitabine (Xeloda) – 50
  • gebruik van pemetrexed (Alimta) – 50
  • gebruik van Victoza (liraglutide) – 50
  • aantasting van de darm door HIV-infectie (HIV-enteropathie) – 49
  • darmschistosomiasis (intestinale schistosomiasis) – 48
  • collagene colitis – 48
  • knokkelkoorts (dengue) – 47
  • trombose van de darmader (mesenteriaalvenetrombose) – 47
  • voedselvergiftiging door Bacillus cereus braak-toxine – 44
  • gebruik van meloxicam (Movicox) – 42
  • gebruik van paclitaxel – 41
  • vernauwing van de anus (verworven anusstenose) – 41
  • overgevoelig voor schelpdieren (allergie voor schelpdieren) – 40
  • blaasschistosomiasis – 38
  • digoxine overdosering (digoxine intoxicatie) – 38
  • gebruik van erytromycine – 38
  • veteranenziekte (legionella-pneumonie) – 36
  • gebruik van clomipramine – 36
  • gebruik van Omnic (tamsulosine) – 36
  • gebruik van ranitidine (Zantac) – 36
  • infectie met Encephalitozoon intestinalis – 36
  • infectie met Enterocytozoon bieneusie – 36
  • infectie van de darm door Cyclospora cayetanensis – 36
  • infectie van de darm door Cystoisospora belli – 36
  • infectie van de darm door Entamoeba polecki – 36
  • infectie van de dikke darm door herpes virus – 36
  • ontsteking van de dunne darm (ileïtis) – 36
  • onvoldoende opname van galzouten (malabsorptie van galzouten) – 36
  • slecht werkende alvleesklier (slecht werkende alvleesklier) – 36
  • gebruik van anakinra (Kineret®) – 35
  • verbindweefseling van het beenmerg (primaire myelofibrose) – 35
  • vogel-ei-syndroom – 35
  • ziekte van Kawasaki (syndroom van Kawasaki) – 33
  • lymfeklierkanker in de dikke darm (maligne lymfoom van het colon) – 32
  • ovariële hyperstimulatiesyndroom (OHS) – 31
  • vitamine B6-tekort (vitamine B6-deficiëntie) – 29
  • tuberculose van de longen (pulmonale tuberculose) – 28
  • bestraling voor prostaatkanker (radiotherapie voor prostaatcarcinoom) – 27
  • operatie aan de slokdarm (oesofagusoperatie) – 27
  • primaire biliaire cirrose – 26
  • acute myeloïde leukemie – 26
  • gebruik van griseofulvine – 25
  • gebruik van sulfasalazine – 25
  • ontsteking van het vetweefsel rond de darm (panniculitis mesenterica) – 25
  • gebruik van Rasilez (aliskiren) – 25
  • gebruik van montelukast (Singulair) – 24
  • gebruik van valproïnezuur (Depakine, Convulex) – 24
  • gebruik van digoxine – 24
  • spirochetose van de darmen (intestinale spirochetose) – 24
  • listeriose – 24
  • hereditaire hypogammaglobulinemie – 23
  • syndroom van Waterhouse-Friderichsen – 23
  • infectie door Blastocystis hominis (blastocystose) – 23
  • darmtuberculose (intestinale tuberculose) – 22
  • koudeallergie (primaire koude urticaria) – 21
  • syndroom van Ogilvie (idiopathische intestinale pseudo-obstructie) – 21
  • paratyfus – 21
  • gastrointestinale stromatumor van de maag (GIST van de maag) – 20
  • ziekte van Addison (primaire bijnierschorsinsufficiëntie) – 20
  • gebruik van triamtereen (Dytac) – 20
  • infectie met de EHEC-bacterie – 20
  • overgevoelig voor schaaldieren (allergie voor schaaldieren) – 20
  • gebruik van gliclazide (Diamicron) – 20
  • MIDD-type diabetes (maternally inherited diabetes and deafness) – 20
  • infectie door enterotoxigene Escherichia coli – 20
  • stille schildklierontsteking (stille thyreoïditis) – 20
  • gebruik van clodroninezuur (Bonefos, Ostac) – 20
  • gebruik van axitinib – 19
  • acute fluorvergiftiging (acute fluorose) – 18
  • neonatale sepsis door groep B streptokokken – 18
  • gebruik van Brintellix (vortioxetine) – 18
  • molazwangerschap (mola hydatidosa) – 18
  • inspanningsgebonden hemoglobinurie – 18
  • histoplasmose – 17
  • paddenstoelvergiftiging – 16
  • abces van de milt (miltabces) – 16
  • omgekeerde afstotingsziekte (graft-versus-host reactie) – 16
  • gebruik van Ofev (nintedanib) – 16
  • gebruik van Halaven (eribulin) – 15
  • inhaleren van lachgas (lachgasintoxicatie) – 15
  • urticariële vasculitis (urticariële vasculitis) – 15
  • gebruik van lenalidomide (Revlimid) – 15
  • soja intolerantie (soja intolerantie) – 15
  • ziekte van Behçet – 14
  • maligne lymfoom van de dunne darm – 14
  • gebruik van Esbriet (pirfenidon) – 14
  • ziekte van Weil (leptospirose) – 14
  • infectie met Strongyloides stercoralis (strongyloidiasis) – 13
  • vislintworm (infectie met de vislintworm) – 13
  • buiktyfus – 13
  • fistel tussen ingewanden en huid (enterocutane fistel) – 13
  • histaminevergiftiging (histamine-intoxicatie) – 13
  • gebruik van mesalazine (Asacol, Pentasa, Salofalk) – 13
  • gebruik van Retrovir (zidovudine) – 13
  • gebruik van senna – 13
  • thyreotoxische crisis – 12
  • aluminiumvergiftiging (aluminiumintoxicatie) – 12
  • gebruik van fluvastatine – 12
  • medullair schildkliercarcinoom – 12
  • syndroom van Chilaiditi (hepatodiafragmatische interpositie) – 11
  • gebruik van Ammonaps (fenylbutyraat) – 11
  • afsluiting van de dikke darm (mechanische ileus van het colon) – 11
  • hepatitis E (acute hepatitis E) – 11
  • auto-immuun enteropathie – 11
  • erfelijke dikkedarmkanker (hereditair non-polyposis colorectaal carcinoom) – 11
  • polyarteritis nodosa – 11
  • gebruik van carbamazepine (Tegretol) – 11
  • gebruik van exenatide (Byetta, Bydureon) – 10
  • gebruik van diltiazem (Tildiem) – 10
  • Mycobacterium avium intracellulare-infectie van de darm – 10
  • glucose-galactose resorptiestoornis syndroom – 9
  • eosinofiele colitis – 9
  • gebruik van magnesium supplement – 9
  • microsporidiose – 9
  • syndroom van Zieve – 9
  • gebruik van bortezomib (Velcade) – 9
  • gastrointestinale stromatumor van de dunne darm (GIST van de dunne darm) – 8
  • gebruik van Bosulif (bosutinib) – 8
  • tekort aan IgG-antilichamen in het bloed (hypogammaglobulinemie) – 8
  • gastrinoom van de alvleesklier – 8
  • HIV-infectie (acute HIV-infectie) – 8
  • infectie met atypische mycobacterien – 8
  • vitamine B3-tekort (pellagra) – 8
  • zwarte koorts (viscerale leishmaniasis) – 8
  • aspirine-intolerantie – 8
  • gebruik van mycofenolaatmofetil (CellCept) – 8
  • gebruik van lercanidipine (Lerdip) – 0,6
  • gebruik van mycofenolzuur (Myfortic) – 8
  • gebruik van Tykerb (lapatinib) – 7
  • nicotinevergiftiging (nicotine-intoxicatie) – 7
  • syndroom van Elsberg (radiculitis van de cauda equina) – 7
  • isosporiasis – 7
  • ziekte van Whipple – 7
  • gebruik van oxaliplatine – 7
  • infectie van de darm door Plesiomonas (gastroenteritis door Plesiomonas) – 7
  • gastrointestinale stromatumor van de dikke darm (GIST van de dikke darm) – 6
  • gebruik van Daliresp / Libertek (roflumilast) – 6
  • gebruik van miltefosine (merknaam: Impavido) – 6
  • DRESS-syndroom – 6
  • gebruik van crizotinib – 6
  • ontsteking van de endeldarm door bestraling (radiatieproctitis) – 6
  • stoppen met het gebruik van van morfine of morfine-achtige geneesmiddelen (opiaatonttrekking) – 6
  • gebruik van celecoxib (Celebrex) – 6
  • gebruik van filgrastim – 6
  • loodvergiftiging (chronische loodintoxicatie) – 6
  • aangeboren vernauwing van de maaguitgang (pylorushypertrofie) – 6
  • acrodermatitis enteropathica – 6
  • mijnworminfectie (ancylostomiasis) – 6
  • ziekte van Steinert (myotone dystrofie type 1) – 6
  • gebruik van entacapone – 6
  • chronische hepatitis B – 6
  • gas in de wand van de darm (pneumatosis intestinalis) – 6
  • necrotiserende enterocolitis – 6
  • primaire scleroserende cholangitis – 5
  • eosinofiele oesofagitis – 5
  • Lady Windermere-syndroom (pulmonale Mycobacterium avium complex infectie) – 5
  • ziekte van Fabry (alfa-galactosidase A deficiëntie) – 5
  • Brainerd’s diarrhea (postinfectieuze diarree) – 5
  • gebruik van ethambutol – 5
  • gebruik van flutamide – 5
  • gebruik van quinapril – 5
  • gebruik van ramipril – 5
  • gebruik van Rapamune (sirolimus) – 5
  • zinkvergiftiging (zinkintoxicatie) – 5
  • gebruik van azathioprine – 5
  • gebruik van famotidine – 5
  • idiopathic bile acid malabsorption – 5
  • aangeboren tekort aan lactase (congenitale lactasedeficiëntie) – 5
  • impetigo herpetiformis – 5
  • mestcelziekte (systemische mastocytose) – 5
  • ziekte van Takayasu (takayasu-arteriitis) – 5
  • cholera – 5
  • acute intermitterende porfyrie – 5
  • IPEX-syndroom – 5
  • verwijdering van de galblaas – 5
  • bezoar – 4
  • voedselvergiftiging door Stafylococcus aureus (Stafylococcus aureus enteritis) – 4
  • lactobezoar – 4
  • vlokatrofie door geneesmiddelen (medicatie-geïnduceerde vlokatrofie) – 4
  • ontsteking van de slokdarm door cytomegalovirus (CMV-oesofagitis) – 4
  • familiaire adenomateuze polypose – 4
  • gebruik van etanercept (Enbrel) – 4
  • gebruik van hydroxycarbamide (Hydrea) – 4
  • aanvalsgewijze koude hemoglobinurie (paroxismale koude hemoglobinurie) – 4
  • POEMS syndroom – 4
  • zweepworminfectie (trichuriasis) – 4
  • gebruik van Invokana (canagliflozine) – 4
  • dengue hemorrhagische koorts – 4
  • gebruik van HIV-remmers (gebruik van antiretrovirale middelen) – 4
  • primaire amyloïdose – 4
  • tufting-enteropathie – 4
  • arteria mesenterica superior syndroom – 4
  • Hymenolepis infectie (hymenolepiasis) – 4
  • infectie van de darm door Aeromonas – 4
  • voedselvergiftiging door Clostridium perfringens – 4
  • bloedvergiftiging na miltverwijdering (postsplenectomiesepsis) – 3
  • langdurige koolmonoxidevergiftiging (chronische koolmonoxideintoxicatie) – 3
  • paradichloorbenzeen intoxicatie – 3
  • bijnierinfarct (bijnierinfarct) – 3
  • gebruik van Jevtana (cabazitaxel) – 3
  • gebruik van Yervoy (ipilimumab) – 3
  • blindedarmontsteking bij een niet-gedraaide dikkedarm (acute appendicitis bij non-rotatie van het colon) – 3
  • gastrinoom van de dunne darm (gastrinoom van de dunne darm) – 3
  • kaposisarcoom in de darm (intestinaal kaposisarcoom) – 3
  • Mexicaanse griep (nieuwe influenza A (H1N1)) – 3
  • gebruik van Pravafenix (fenofibraat/pravastatine) – 3
  • ganglioneuroom – 3
  • vagotomie – 3
  • gebruik van thiamazol (Strumazol) – 3
  • infectie van de darm door Balantidium coli (balantidiasis) – 3
  • exogene hyperthyreoïdie door schildklierhormoontabletten – 3
  • neuronal intestinal dysplasia type A – 3
  • neuronal intestinal dysplasia type B – 3
  • gebruik van Votrient (pazopanib) – 3
  • papegaaienziekte (psittacose) – 3
  • gebruik van hydroxychloroquine (Plaquenil) – 3
  • gebruik van sotalol (Sotacor) – 3
  • HSE-syndroom (hemorragische shock encefalopathie-syndroom) – 3
  • gebruik van EkliraGenuair (aclidium bromide) – 3
  • gebruik van Daklinza (daclatasvir) – 3
  • gebruik van Eviplera (rilpivirine/tenofovir/emtricitabine) – 3
  • miliaire tuberculose – 2
  • draaiing van de baarmoeder (torsie van de uterus) – 2
  • vergiftiging met formaldehyde (formaldehydeintoxicatie) – 2
  • gebruik van Inspra (eplerenon) – 2
  • gebruik van Afinitor (everolimus) – 2
  • glucose-galactose resorptiestoornis syndroom – 2
  • sucrose intolerantie – 2
  • gebruik van Combivir (lamivudine/zidovudine) – 2
  • kopervergiftiging (koperintoxicatie) – 2
  • portal hypertensive colopathy (portal hypertensive colopathy) – 2
  • West-Nijl koorts (West-Nijl virusinfectie) – 2
  • draaiing van de blinde darm (volvulus van het caecum) – 2
  • hongeroedeem (kwashiorkor) – 2
  • niet-dysenterische amoebencolitis – 2
  • common variable immunodeficiency – 2
  • VIPoom – 2
  • gebruik van Yondelis (trabectedine) – 2
  • noma (cancrum oris) – 2
  • exogene hyperthyreoïdie door eten van met schildklier verontreinigd vlees – 2
  • gebruik van etacrynezuur (Edecrin) – 2
  • duplicatiecyste van de dunne darm – 2
  • immunoproliferatieve dunne darmziekte – 2
  • aangeboren vernauwing van de anus (congenitale anusstenose) – 2
  • anaplasmose (humane granulocytaire anaplasmose) – 2
  • hyper-IgD syndroom- 2
  • cryptokokkeninfectie door het lichaam (gedissemineerde cryptokokkeninfectie) – 2
  • ziekte van Hartnup – 2
  • infectie met de Capillaria-worm (capillariasis) – 2
  • gebruik van fenofibraat– 2
  • gebruik van kinidine – 2
  • gebruik van Rasilamlo (aliskiren/amlodipine) – 2
  • zoutverlies door aandoening van de hersenen (syndroom van cerebraal zoutverlies) – 2
  • gebruik van imiquimod (Aldara) – 2
  • gebruik van betahistine (Betaserc) – 2
  • te snel werkende schildklier door andere oorzaak van buitenaf (exogene hyperthyreoïdie) – 1,5
  • sclerodermie (systemische sclerose) – 1,3
  • aconitine-vergiftiging (aconitine-intoxicatie) – 1,3
  • asymmetrisch periflexuraal exantheem – 1,3
  • Strongyloides hyperinfectie syndroom – 1,3
  • taaislijmziekte (cystische fibrose) – 1,2
  • metaaldampkoorts – 1,2
  • pancreatic exocrine insufficiency – 1,2
  • gebruik van Mimpara (cinacalcet) – 1,2
  • gebruik van Plenaxis (abarelix) – 1,2
  • collageneuze enteritis – 1,2
  • gebruik van Stribild (elvitegravir-cobicistat-gemcitabine-tenofovir) – 1,2
  • haarbal (trichobezoar) – 1,1
  • gebruik van Truvada (tenofovir/emtricitabine) – 1,1
  • gebruik van Caprelsa (vandetanib) – 1,0
  • botulisme – 1,0
  • gebruik van ofloxacine (Tarivid) – 1,0
  • overgevoelig voor garnalen (allergie voor garnalen) – 1,0
  • gebruik van duloxetine (Cymbalta) – 1,0
  • trichinose – 1,0
  • Chinese leverbotinfectie (clonorchiasis) – 1,0
  • microvillusinclusieziekte – 1,0
  • proximale myotone myopathie (myotone dystrofie type 2) – 1,0
  • vergiftiging met seleen (seleniumintoxicatie) – 1,0
  • tekort aan het enzym VLCAD (VLCAD-deficiëntie) – 0,9
  • amoebenabces van de lever – 0,9
  • Marburg hemorrhagische koorts – 0,9
  • gebruik van Orencia (abatacept) – 0,9
  • ziekte van Byler (PFIC-type 1) – 0,8
  • congenitale transcobalamine-II-deficientie – 0,8
  • paragonimiasis – 0,8
  • ernstige gecombineerde immuundeficiëntie door DCLRE1C-deficiëntie (SCID – Athabaskantype) – 0,8
  • mixed connective tissue disease – 0,8
  • syndroom van Lemierre – 0,8
  • burkitt-lymfoom – sporadische vorm – 0,8
  • fasciolopsiasis – 0,8
  • gebruik van Benlysta (belimumab) – 0,8
  • paracoccidioïdomycose – 0,7
  • atypisch hemolytisch uremisch syndroom (atypische HUS) – 0,7
  • darmsteen (enteroliet) – 0,7
  • kinderverlamming (poliomyelitis) – 0,7
  • geslachtsgebonden ‘severe combined immunodeficiency‘ syndroom (X-gebonden ‘severe combined immunodeficiency’ syndroom) – 0,6
  • syndroom van Allgrove (triple-A syndroom) – 0,6
  • adderbeet – 0,6
  • amoeboom in de dikke darm (amoeboom in het colon) – 0,6
  • gebruik van Ethyol (amifostine) – 0,6
  • lassakoorts – 0,6
  • lymfeklierkanker in de bloedvaten (intravasculair lymfoom) – 0,6
  • plastickoorts (plastickoorts) – 0,6
  • voedselvergiftiging door eten van schaaldieren – 0,6
  • sarcoïdose van de maag – 0,6
  • tekort aan het enzym adenosine deaminase (adenosine-deaminase deficiëntie) – 0,6
  • hantavirus-infectie – 0,6
  • hemolytisch uremisch syndroom (volwassen vorm) – 0,6
  • MCAD tekort (MCAD-deficiëntie) – 0,6
  • gebruik van Lertec (enalapril en lercanidipine) – 0,5
  • syndroom van Cronkhite-Canada – 0,5
  • gebruik van brentuximab (Adcetris) – 0,5
  • gebruik van doxylamine – 0,5
  • leiomyoom van de slokdarm (leiomyoom van de oesofagus) – 0,5
  • porphyria variegata – 0,5
  • syndroom van Sipple (MEN-syndroom type II) – 0,5
  • ciguatera vergiftiging – 0,5
  • buikvliesontsteking door tuberculose (peritonitis tuberculosa) – 0,5
  • afsluiting van de blinde darm (mechanische ileus van het caecum) – 0,4
  • urticaria pigmentosa – 0,4
  • vergiftiging met ricine (orale ricine intoxicatie) – 0,4
  • gebruik van Daklinza (daclatasvir) – 0,4
  • gebruik van Janumet (sitagliptine / metformine) – 0,4
  • abnormaal schildklierweefsel in de eierstok (struma ovarii) – 0,4
  • haringwormziekte (anisakiasis) – 0,4
  • gebruik van Cimzia (certolizumab pegol) – 0,4
  • Ebola koorts (Ebola hemorrhagische koorts) – 0,3
  • neuroblastoom van de bijnier – 0,3
  • syndroom van Nezelof – 0,3
  • infectie met de kleine leverbot (opisthorchiasis) – 0,3
  • ZAP70 tekort (ZAP70 deficiëntie) – 0,3
  • burkitt-lymfoom bij HIV-infectie (HIV-geassocieerd burkitt-lymfoom) – 0,3
  • stralingsziekte (acute stralingsziekte) – 0,3
  • neuroblastoom in de borstholte – 0,3
  • gebruik van Incivo (telaprevir) – 0,3
  • MHC-klasse-II-deficiëntie (MHC-klasse-II-deficiëntie) – 0,3
  • infectie met het MERS-virus (MERS-CoV infectie) – 0,3
  • builenpest (Yersinia pestis-infectie) – 0,3
  • infectie met Dicrocoelium dendriticum (dicrocoeliose) – 0,3
  • syndroom van Wolfram – 0,3
  • capillairleksyndroom – 0,2
  • glucagon producerende tumor (glucagonoom) – 0,2
  • murray-valley-encefalitis – 0,2
  • Rocky Mountain spotted fever – 0,2
  • tekort aan transcobalamine 2 (transcobalamine 2-deficiëntie) – 0,2
  • vergiftiging met vanadium (vanadiumintoxicatie) – 0,2
  • TAR-syndroom – 0,2
  • gebruik van Votubia (everolimus) – 0,2
  • erfelijke fructose-intolerantie (hereditaire fructose-intolerantie) – 0,2
  • gastrointestinale stromatumor van de slokdarm (GIST van de oesofagus) – 0,2
  • gebruik van Cayston (aztreonam) – 0,2
  • gebruik van Vibativ (telavancine) – 0,2
  • gebruik van Elonva (corifollitropine alfa) – 0,2
  • TRAPS (TNF receptor associated periodic syndrome) – 0,2
  • ziekte van Wolman – 0,2
  • Capnocytophaga canimorsus sepsis – 0,2
  • idiopathische myo-intimale hyperplasie van de mesenteriale venen – 0,2
  • vogelgriep (aviaire influenza) – 0,2
  • Krim-Congo hemorragische koorts – 0,2
  • ziekte van Niemann-Pick – 0,2
  • syndroom van Barth (3-methylglutaconacidurie type 2) – 0,2
  • lysine proteïne-intolerantie – 0,1
  • coccidioïdomycose (acute coccidioïdomycose) – 0,1
  • hongeroedeem (kwashiorkor) – 0,1
  • neurolytische plexus-coeliacusblokkade – 0,1
  • vergiftiging met stekelpapaver (Argemone mexicana-vergiftiging) – 0,1
  • echinostomiasis – 0,1
  • neuroblastoom – 0,1
  • scrubtyfus – 0,1
  • gebruik van Emselex (darifenacine) – 0,1
  • tekort aan het enzym enteropeptidase in de darm (intestinale enteropeptidase deficiëntie) – 0,1
  • ethylmalon encephalopathie – 0,1
  • anaplasmose (humane granulocytaire anaplasmose) – 0,1
  • X-gebonden agammaglobulinemie – 0,1
  • chronische granulomateuze ziekte – 0,1
  • OPSI – 0,1
  • syndroom van Omenn – 0,1
  • wondbotulisme – 0,1
  • syndroom van Satoyoshi – 0,1
  • mitochondrial neurogastrointestinal encephalopathy syndrome – 0,1
  • gebruik van Herceptin (trastuzumab) – 0,1
  • syndroom van Sanfilippo (mucopolysacharidose III) – 0,1
  • tekort aan het enzym purine nucleoside fosforylase – 0,1
  • tekort aan het enzym MCC (MCC deficiëntie) – 0,1
  • gebruik van ticlopidine – 0,1
  • malonyl-CoA decarboxylase deficiëntie – 0,05
  • geslachtsgebonden chronische granulomateuze ziekte – 0,04
  • olifantsziekte (lymfatische filariasis) – 0,04
  • neuroblastoom in de nek (neuroblastoom in de nek) – 0,04
  • gray baby-syndroom (chlooramfenicol-toxiciteit bij pasgeborenen) – 0,03
  • ontsteking van de hersenen door het Kunjin virus (Kunjin-encefalitis) – 0,03
  • ziekte van Degos (maligne atrofische papulose) – 0,02
  • porfyrie door ALA dehydratase deficiëntie – 0,02
  • pokken (variola) – 0,0002

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 14 april 2015
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 5 oktober 2016


Synoniemen diarree: diarre, diarrhee, diarhee, dunne ontlasting, dijare, dijarree, dijaree, dunne poep, waterdunne poep, diarre

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *