Bloedneus

Oorzaken bloedneus

Bijna iedereen heeft wel eens een bloedneus gehad. Meestal gaat dat vanzelf weer over. Soms houdt een bloedneus langere tijd aan, of komt regelmatig terug. Dat is een reden om de huisarts te raadplegen.

bloedneus

Er zijn zeer veer verschillende oorzaken voor een bloedneus. De meeste oorzaken vallen onder één van de volgende hoofdgroepen:

  • Verwonding aan of in de neus: bijvoorbeeld gebroken neus, voorwerp in de neus, maar bijvoorbeeld ook neuspeuteren;
  • Ontsteking van het neusslijmvlies (rinitis) of de neusbijholten (sinusitis);
  • Aantasting van bloedvaten in de neusholte, bijvoorbeeld bij de ziekte van Wegener;
  • Aantasting van het neusslijmvlies, bijvoorbeeld door snuiven van cocaïne;
  • Gebruik van geneesmiddelen: er zijn veel geneesmiddelen die een verhoogde bloedingsneiging kunnen veroorzaken;
  • Aangeboren stoornis van de bloedstolling: voorbeelden zijn hemofilie en de ziekte van Werlhof;
  • Bloedkanker (leukemie)

Als de oorzaak van de bloedneus niet direct duidelijk is wordt wel gesproken van een ‘spontane bloedneus’ of ‘idiopathische bloedneus’. De medische naam voor bloedneus is ‘epistaxis’.

Behandeling bloedneus

Wat kan ik zelf doen?

Bij een bloedneus kan de bloeding meestal worden gestelpt door de neus dicht te knijpen. Na tien minuten dichtknijpen zou de bloeding gestopt moeten zijn. Als dat niet het geval is wordt aangeraden om de huisarts te raadplegen.

Wat kan de arts doen?

De arts kan de bloeding stelpen door een tampon in het betreffende neusgat te stoppen. Hiermee wordt de neusholte opgevuld. Zie afbeelding hieronder.

bloedneus behandeling - inbrengen tampon
Bron: Cerimes

Als niet direct duidelijk is wat de oorzaak is zal de arts dat verder willen onderzoeken. De huisarts zal proberen een diagnose te stellen.

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Meestal gaat een bloedneus vanzelf weer over. In dat geval wordt meestal geen arts geraadpleegd en zal ook geen diagnose worden gesteld. Als de bloedneuzen vaker optreden zal vaak wel een arts worden bezocht. De arts kan met behulp van vragen te stellen en lichamelijk onderzoek proberen erachter te komen wat de oorzaak van de bloedneuzen is. Eventueel kan aanvullend onderzoek worden gedaan, bijvoorbeeld bloedonderzoek of beeldvormend onderzoek.

Als de huisarts er zelf niet uitkomt kan worden doorverwezen naar een medisch specialist. Meestal zal dat een KNO-arts zijn. Als er echter aanwijzingen zijn voor een stoornis van de bloedstolling zal worden verwezen naar een internist of hematoloog.

Engelse vertaling

nosebleed

ICD10-code

R04.0

Verder lezen / Referenties

Synoniemen voor bloedneus zijn neusbloeding, bloedende neus en epistaxis.


Bloedneus – differentiaal diagnose

Hieronder een uitgebreide lijst met meer dan vierhonderd oorzaken voor een bloedneus. Een dergelijke lijst met mogelijke oorzaken wordt wel ‘differentiaaldiagnose‘ genoemd.

Het getal achter de oorzaak is een schatting van het aantal mensen dat jaarlijks in Nederland vanwege die oorzaak een bloedneus krijgt.

Vaak voorkomende oorzaken van een bloedneus: >1.000/jaar

Regelmatig voorkomende oorzaken van een bloedneus: >100/jaar

Zeldzame oorzaken voor een bloedneus: <100/jaar

  • acute myeloïde leukemie – 99
  • spataderen in de maag (fundusvarices) – 97
  • sarcoïdose – 97
  • afsterven van weefsel in de milt door slechte doorbloeding (miltinfarct) – 94
  • syndroom van Felty – 91
  • gebruik van nitrofurantoïne (Furabid / Furadantine) – 90
  • ziekte van Moschcowitz (trombotische trombocytopenische purpura) – 90
  • kattenkrabziekte – 89
  • essentiële trombocytemie – 88
  • gebruik van Arixtra (fondaparinux) – 85
  • gebruik van Lixiana (edoxaban) – 84
  • slecht werkend hart (hartfalen) – 83
  • SLE (systemische lupus erythematodes) – 77
  • chronische myeloïde leukemie – 77
  • hartaanval van de onderwand van het hart (onderwandinfarct) – 75
  • jeugdreuma (juveniele idiopathische artritis) – 75
  • toxocariasis – 73
  • verbindweefseling van de lever door verstopping in de galkanaaltjes (primaire biliaire cirrose) – 70
  • gebruik van Livocab (levocabastine) neusspray – 70
  • gebroken schedelbasis (schedelbasisfractuur) – 68
  • syndroom van Shwachman-Diamond – 66
  • syndroom van Sjögren (primair Sjögren-syndroom) – 65
  • trombose van de miltader (vena lienalis trombose) – 65
  • gebruik van budesonide (Rhinocort, Pulmicort) – 63
  • mantelcellymfoom – 60
  • infectie in het hart (infectieuze endocarditis) – 60
  • ziekte van Von Willebrand – type 3 – 60
  • vitamine K-tekort (vitamine K-deficiëntie) – 60
  • barotrauma van het oor (barotitis media) – 59
  • gebruik van claritromycine (Klacid) – 58
  • auto-immuun hemolytische anemie – 56
  • neuskanker (neuscarcinoom) – 56
  • ziekte van Wegener (granulomatose met polyangiitis) – 56
  • marginalezonelymfoom (milt-marginale zone B-cel lymfoom) – 48
  • neusbijholteontsteking – 45
  • ziekte van Rendu-Osler-Weber (hereditaire hemorrhagische teleangiëctasie) – 45
  • juveniel angiofibroom – 45
  • gebruik van Xarelto (rivaroxaban) – 44
  • tekort aan het enzym glucose-6-fosfaat dehydrogenase (glucose-6-fosfaat dehydrogenase deficiëntie) – 44
  • vitamine C-tekort (vitamine C-deficiëntie) – 41
  • gebruik van Zaltrap (aflibercept) – 40
  • aantasting neusslijmvlies door snuiven van cocaïne – 40
  • gebruik van amiodaron (Cordarone) – 38
  • gebroken neustussenschot (septumfractuur) – 36
  • gebruik van rosuvastatine (Crestor) – 36
  • slecht werkende lever (leverfalen) – 34
  • nierbekkenontsteking met gasvorming rond de nieren (emfysemateuze pyelonefritis) – 33
  • haarcelleukemie (hairy-cell leukemie) – 32
  • atypisch hemolytisch uremisch syndroom (atypische HUS) – 31
  • bloedende spataderen in de maag (bloedende fundusvarices) – 31
  • gebruik van fluconazol (Diflucan) – 30
  • gebruik van glimepiride (Amaryl) – 28
  • gebruik van mebeverine (Duspatal) – 28
  • niet goed werkende alvleesklier (exocriene pancreas insufficiëntie) – 26
  • granuloma teleangiectaticum van de neus – 25
  • aantasting van het hart door hoge bloeddruk (hypertensieve hartziekte) – 25
  • bloedvergiftiging door een katheter in een bloedvat (lijnsepsis) – 24
  • boezemflutter (atriumflutter) – 24
  • gebruik van leflunomide (Arava) – 24
  • gebruik van montelukast (Singulair) – 24
  • gebruik van Omnic (tamsulosine) – 24
  • erythroblastosis foetalis – 24
  • overgevoelig voor gluten (coeliakie) – 24
  • gebruik van Ammonaps (fenylbutyraat) – 23
  • ijzerstapelingsziekte (hemochromatose) – 23
  • tekort aan bloedplaatjes door heparine (heparine-geïnduceerde trombocytopenie) – 22
  • vernauwing van de aortaklep (aortakleptstenose) – 22
  • syfilis (primaire syfilis) – 21
  • gebruik van metronidazol (Flagyl) – 20
  • verhoogde druk in de longslagader veroorzaakt door andere ziekte (secundaire pulmonale hypertensie) – 20
  • aangeboren toxoplasmose (congenitale toxoplasmose) – 19
  • acute lymfatische leukemie – 19
  • tekort aan bloedplaatjes door infectie met de Helicobacter-bacterie (H. pylori-geïnduceerde trombocytopenie) – 17
  • viskruikinfarct (takotsubo cardiomyopathie) – 17
  • gebruik van Glivec (imatinib) – 17
  • ziekte van Waldenström (macroglobulinemie van Waldenström) – 16
  • kanker in de neuskeelholte (nasofarynxcarcinoom) – 16
  • gebruik van geneesmiddelen tegen epilepsie (gebruik van anti-epileptica) – 16
  • hemolytisch uremisch syndroom (volwassen vorm) – 15
  • promyelocytenleukemie – 13
  • acuut reuma – 12
  • gebruik van Zyprexa (olanzapine) – 12
  • syndroom van Ogilvie (idiopathische intestinale pseudo-obstructie) – 12
  • gebruik van acenocoumarol – 11
  • aspirin-like defect – 11
  • gebruik van Pradaxa (dabigatran) – 11
  • syndroom van Wolff-Parkinson-White – 10
  • hartaanval van de achterwand van het hart (achterwandinfarct) – 10
  • gebruik van doxorubicine – 10
  • Lady Windermere-syndroom (pulmonale Mycobacterium avium complex infectie) – 10
  • hypofyseadenoom – 10

Zeer zeldzame oorzaken voor een bloedneus: <10/jaar

  • lymfebaanontsteking van de arm (lymfangitis) – 9
  • invasieve aspergillose (gedissemineerde aspergillose) – 9
  • aanvalsgewijze nachtelijke hemoglobinurie (paroxismale nachtelijke hemoglobinurie) – 9
  • HIV-infectie (acute HIV-infectie) – 8
  • vernauwing van de grote lichaamsslagader door aderverkalking (atherosclerose van de aorta) – 8
  • gebruik van fenytoïne (Diphantoïne) – 8
  • hantavirus-infectie – 8
  • syndroom van Churg-Strauss (eosinofiele granulomateuze polyangiitis) – 7
  • hemofilie A (factor VIII-deficiëntie) – 7
  • buitenbaarmoederlijke zwangerschap (extra-uteriene graviditeit) – 7
  • ontsteking van het hartzakje door bacterie (bacteriële pericarditis) – 7
  • gebruik van Ventavis (iloprost) – 7
  • ziekte van Glanzmann (Glanzmann-thrombastenie) – 6
  • babesiose – 6
  • lupussyndroom bij pasgeboren baby (neonataal lupussyndroom) – 6
  • verstijving van de hartspier (restrictieve cardiomyopathie) – 6
  • antifosfolipidensyndroom – 6
  • vitamine B1-tekort (thiaminedeficiëntie) – 6
  • tekort aan fosfaat in het bloed (hypofosfatemie) – 6
  • syndroom van Guillain-Barré – 5
  • gebruik van cabergoline (Dostinex) – 5
  • gebruik van fosinopril (Monopril) – 5
  • knokkelkoorts (dengue) – 5
  • gebruik van ruxolitinib (Jakavi) – 5
  • rhesusziekte (rhesus antagonisme) – 5
  • primaire scleroserende cholangitis – 5
  • zwarte koorts (viscerale leishmaniasis) – 5
  • esthesioneuroblastoom – 5
  • lymfebaanontsteking van het been (lymfangitis van het been) – 5
  • syndroom van Kasabach-Merritt – 4
  • ziekte van Castleman – 4
  • gebruik van mycofenolaatmofetil (CellCept) – 4
  • gebruik van mycofenolzuur (Myfortic) – 4
  • polyarteritis nodosa van de huid (cutane polyarteritis) – 4
  • serumziekte door geneesmiddelen – 4
  • gebruik van Brilique (ticagrelor) – 4
  • aangeboren syfilis (congenitale syfilis) – 4
  • fistel tussen slagader en ader in de longen (pulmonale arterioveneuze fistel) – 4
  • gebruik van azelastine neusspray – 4
  • prolactinoom – 4
  • polyarteritis nodosa – 4
  • endemische vlektyfus – 4
  • megakaryoblastaire leukemie (acute megakaryoblastaire leukemie) – 4
  • zygomycose – 4
  • terugkerende kraakbeenontsteking (recidiverende polychondritis) – 4
  • gebruik van abciximab (ReoPro) – 4
  • syndroom van Evans – 3
  • aplastische anemie – 3
  • T-LGL-leukemie – 3
  • aangeboren tekort aan fibrinogeen (congenitale afibrinogenemie) – 3
  • verworven hemofagocytair syndroom (secundaire hemofagocytaire lymfohistiocytose) – 3
  • gebruik van Afinitor (everolimus) – 3
  • gebruik van Rupafin (rupatadine) – 3
  • primaire amyloïdose – 3
  • acute monocytaire leukemie – 3
  • overgevoelig voor heparine (allergische reactie op heparine) – 3
  • paratyfus – 3
  • tekort aan het enzym alfa-mannosidase (alfa-mannosidose) – 3
  • gebruik van colchicine – 3
  • tekort aan bloedplaatjes bij pasgeborenen door antilichaamreactie (neonatale allo-immuuntrombocytopenie) – 3
  • sikkelcelziekte (sikkelcelanemie) – 3
  • tropische splenomegalie-syndroom – 3
  • ziekte van Niemann-Pick – 3
  • syndroom van Eisenmenger – 3
  • aangeboren tekort aan protrombine (congenitale protrombine-deficiëntie) – 3
  • syndroom van Sézary – 3
  • verworven hemofilie A – 3
  • aanhoudende ontsteking van de alvleesklier (chronische pancreatitis) – 3
  • gebruik van penicillamine – 3
  • gebruik van Rapamune (sirolimus) – 2
  • gebruik van Certican (everolimus) – 2
  • overdosis XTC (ecstasy intoxicatie) – 2
  • histiocytose (Langerhans-cel histiocytose) – 2
  • ziekte van Weil (leptospirose) – 2
  • aangeboren vernauwing van de grote lichaamsslagader (coarctatio aortae) – 2
  • grijze bloedplaatjes syndroom (gray platelet syndroom) – 2
  • gebruik van topiramaat – 2
  • purpura fulminans – 2
  • toxisch megacolon – 2
  • gebruik van Levitra (vardenafil) – 2
  • gebruik van Roaccutane (isotretinoïne) – 2
  • gebruik van vincristine (Oncovin) – 2
  • gebruik van isotretinoïne – 2
  • POEMS syndroom – 2
  • microscopische polyangiitis – 2
  • NK-LGL-leukemie – 2
  • Middellandse zeekoorts (familiaire mediterrane koorts) – 2
  • gebruik van Revolade (eltrombopag) – 2
  • TAR-syndroom – 2
  • alfa-thalassemie – 2
  • beta-thalassemie – 2
  • gebruik van Victrelis (boceprevir) – 2
  • HSE-syndroom (hemorragische shock encefalopathie-syndroom) – 2
  • chikungunya – 2
  • papegaaienziekte (psittacose) – 1,6
  • ziekte van Chagas – 1,6
  • bloeding in het ruggenmerg (hematorrachie) – 1,6
  • gebruik van Eliquis (apixaban) – 1,5
  • acute erytremie en erytroleukemie – 1,5
  • subcutaan panniculitis-achtig T-cellymfoom – 1,5
  • ziekte van Whipple – 1,5
  • buiktyfus – 1,5
  • hepatosplenaal gamma/delta-lymfoom – 1,4
  • Afrikaanse slaapziekte (trypanosomiasis) – 1,4
  • leverbotinfectie (fascioliasis) – 1,4
  • ziekte van Gaucher – 1,4
  • auto-immuun enteropathie – 1,4
  • angioimmunoblastair T-cel lymfoom – 1,3
  • bloedvergiftiging door Streptococcus pyogenes (Streptococcus pyogenes sepsis) – 1,2
  • blootstelling aan droge lucht (expositie aan droge lucht) – 1,2
  • syndroom van DiGeorge (22q11.2-deletiesyndroom) – 1,2
  • toxoplasmose (systemische toxoplasmose) – 1,2
  • IgD-multipel myeloom – 1,2
  • gezwel in het mediastinum – 1,2
  • gebruik van Syntaris (flunisolide) neusspray – 1,1
  • uitdrogende damp / uitgedroogd neusslijmvlies – 1,1
  • vernauwing van de mitraalklep (mitralisstenose) – 1,1
  • syndroom van Epstein – 1,1
  • hemofilie B (factor IX-deficiëntie) – 1,1
  • mestcelziekte (systemische mastocytose) – 1,1
  • compartimentsyndroom van de buik (abdominaal compartimentsyndroom) – 1,0
  • gebruik van sulfasalazine – 1,0
  • cryoglobulinemie type II – 1,0
  • acute invasieve bijholteontsteking door een schimmel (acute invasieve mycotische sinusitis) – 1,0
  • syndroom van Sanfilippo (mucopolysacharidose III) – 1,0

Extreem zeldzame oorzaken voor een bloedneus: <1/jaar

  • histoplasmose – 0,9
  • sarcoom van bloedvaten in de lever (hemangioendotheliaal sarcoom van de lever) – 0,9
  • ziekte van Wilson (hepatolenticulaire degeneratie) – 0,9
  • stralingsziekte (acute stralingsziekte) – 0,9
  • aangeboren amegakaryocytaire trombocytopenie (congenitale amegakaryocytaire trombocytopenie) – 0,9
  • mixed connective tissue disease – 0,8
  • koortsaanvallen na tekenbeet (febris recurrens door Borrelia recurrentis) – 0,8
  • Fanconi anemie – 0,8
  • gebruik van nilotinib (Tasigna) – 0,8
  • myeloproliferatieve ziekten – 0,7
  • cryoglobulinemie type III – 0,7
  • hemangioom van de dikke darm (hemangioom van het colon) – 0,7
  • syndroom van Budd-Chiari – 0,7
  • hemofilie C (factor XI-deficiëntie) – 0,7
  • tekort aan stollingsfactor X (factor X deficiëntie) – 0,7
  • koortsaanvallen na luizenbeet (febris recurrens door Borrelia duttoni) – 0,7
  • gebruik van mesalazine (Asacol, Pentasa, Salofalk) – 0,7
  • gebruik van pregabaline (Lyrica) – 0,7
  • rinosporidiose – 0,7
  • tekort aan stollingsfactor V (factor V deficiëntie) – 0,7
  • trombose van de leverader (vena hepatica trombose) – 0,7
  • ehrlichiose (humane monocytaire ehrlichiose) – 0,6
  • polyglandulair auto-immuunsyndroom type I – 0,6
  • dengue hemorrhagische koorts – 0,6
  • aangeboren herpesinfectie (congenitale herpes) – 0,6
  • gebruik van pembrolizumab (Keytruda) – 0,6
  • marmerbeenziekte (osteopetrose) – 0,6
  • wandelende milt (ectopische milt) – 0,6
  • tekort aan stollingsfactor VII (factor VII deficiëntie) – 0,6
  • carcinoïd – 0,6
  • chronische myelomonocytaire leukemie – 0,6
  • Krim-Congo hemorragische koorts – 0,5
  • gebruik van paclitaxel – 0,5
  • gebruik van Tobi Podhaler (tobramycine) – 0,5
  • koolmonoxidevergiftiging (acute koolmonoxideintoxicatie) – 0,5
  • gebruik van fexofenadine – 0,5
  • syndroom van Morquio (mucopolysacharidose IV) – 0,5
  • aangeboren verbindweefseling van de lever (congenitale leverfibrose) – 0,5
  • plasmacel leukemie – 0,4
  • tekort aan transcobalamine-II (congenitale transcobalamine-II-deficientie) – 0,4
  • Argentijnse hemorragische koorts – 0,4
  • Boliviaanse hemorragische koorts – 0,4
  • syndroom van Chédiak–Higashi – 0,4
  • erytropoëtische protoporfyrie – 0,4
  • overdosis acetylsalicylzuur (salicylaatintoxicatie) – 0,4
  • mazelen (morbilli) – 0,4
  • draaiing van de miltslagader (torsie van de arteria lienalis) – 0,3
  • auto-immuun lymfoproliferatief syndroom type II – 0,3
  • Kyasanur forest disease – 0,3
  • ziekte van Tangier (familiaire alfa-lipoproteïne deficiëntie) – 0,3
  • syndroom van Lambert-Eaton (Lambert-Eaton myastheen syndroom) – 0,3
  • ziekte van Maroteaux-Lamy (mucopolysacharidose type VI) – 0,3
  • kanker van spierweefsel in de neusholte (rabdomyosarcoom in de neusholte) – 0,3
  • syndroom van Scott – 0,2
  • eosinofiele fasciitis – 0,2
  • syndroom van Schnitzler – 0,2
  • asbestziekte (asbestose) – 0,2
  • Leishmania-infectie van de huid (cutane leishmaniasis) – 0,2
  • linguatulose van de neuskeelholte (nasofaryngeale linguatulose) – 0,2
  • gebruik van Votubia (everolimus) – 0,2
  • gebruik van prasugrel – 0,2
  • scrubtyfus – 0,2
  • syndroom van Schmidt (polyglandulair auto-immuunsyndroom type II) – 0,2
  • storage pool disease – 0,2
  • Ebola koorts (Ebola hemorrhagische koorts) – 0,2
  • slangenbeet – 0,16
  • onyalai – 0,16
  • Blackfan-Diamond-anemie (constitutionele aplastische anemie) – 0,15
  • verbindweefseling van het beenmerg met verlaagd aantal bloedcellen (acute panmyelose met myelofibrose) – 0,15
  • arseenvergiftiging (arsenicumintoxicatie) – 0,14
  • syndroom van Hermansky-Pudlak – 0,13
  • chronisch lijmsnuiven – 0,13
  • apenmalaria (Plasmodium knowlesi infectie) – 0,12
  • Leishmania-infectie van de slijmvliezen (mucocutane leishmaniasis) – 0,12
  • ziekte van Keshan – 0,11
  • leukocyte adhesion deficiency type 3 – 0,11
  • syndroom van Wiskott-Aldrich – 0,10
  • gebruik van ifosfamide – 0,10
  • gebruik van Tazocin (piperacilline + tazobactam) – 0,10
  • hart met onderontwikkelde linker kamer (hypoplastisch linkerhart syndroom) – 0,10
  • verbindweefseling van het spierweefsel van het hart (endomyocardiale fibrose) – 0,10
  • sodoku (spirillose) – 0,10
  • syndroom van Bernard-Soulier – 0,08
  • syndroom van Sebastian – 0,08
  • syndroom van Heyde – 0,08
  • thyreotoxische crisis – 0,08
  • SFTS-bunyavirus-infectie – 0,07
  • aangeboren tekort aan carnitine (primaire carnitinedeficiëntie) – 0,07
  • Marburg hemorrhagische koorts – 0,06
  • Omsk hemorragische koorts – 0,06
  • spierdystrofie van Duchenne (musculaire dystrofie van Duchenne) – 0,05
  • difterie – 0,05
  • dyskeratosis congenita – 0,05
  • syndroom van Hoyeraal-Hreidarsson (progressieve pancytopenie-immuundeficiëntie-cerebellaire hypoplasie) – 0,05
  • ziekte van Von Gierke (glycogeenstapelingsziekte type I) – 0,05
  • glioom van de neus (maligne glioom in de neus) – 0,05
  • hersenvliesontsteking door Toscana-virus (meningitis door Toscana-virus) – 0,05
  • ziekte van Dercum (lipomatosis dolorosa) – 0,04
  • loopgravenkoorts (infectie met Bartonella quintana) – 0,04
  • refeeding-syndroom – 0,04
  • mijnworminfectie (ancylostomiasis) – 0,04
  • ross-river-virus infectie – 0,04
  • syndroom van Hunter (mucopolysacharidose type II) – 0,03
  • ziekte van Sandhoff – 0,03
  • lymfeklierkanker in de bloedvaten (intravasculair lymfoom) – 0,03
  • auto-immuun lymfoproliferatief syndroom type Ia – 0,02
  • CREST-syndroom (limited cutaneous sclerosis) – 0,02
  • gebruik van eptifibatide (Integrelin) – 0,02
  • gebruik van tirofiban (Aggrastat) – 0,020
  • dyserytropoëtische anemie met trombocytopenie – 0,013
  • syndroom van Alström – 0,012
  • gele koorts – 0,012
  • lymfocytaire choriomeningitis – 0,010
  • syndroom van Axenfeld-Rieger – 0,002
  • syndroom van Barth (3-methylglutaconacidurie type 2) – 0,002
  • fytosterolemie – 0,001

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 6 juni 2017
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 6 juni 2017

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.