Bloed braken

Bloed braken

Met ‘bloed braken’ wordt bedoeld het opbraken van bloed, bloederig slijm of bloederig braaksel. Het is een symptoom waarvoor altijd een arts geraadpleegd moet worden.

De medische term voor bloed braken is ‘haematemesis’ of ‘hematemesis’.

Oorzaken van bloed braken

Hieronder een uitgebreide lijst met mogelijke oorzaken van ‘bloed braken’. Het getal achter de oorzaak is een schatting van het aantal mensen dat jaarlijks in Nederland vanwege die oorzaak bloed opbraakt.

Veel voorkomende oorzaken van bloed braken: >1.000/jaar

Minder vaak voorkomende oorzaken van bloed braken: <1.000/jaar

Zeldzame oorzaken van bloed braken: <100/jaar

Zeer zeldzame oorzaken van bloed braken: <10/jaar

  • SLE (lupus) – 8
  • gebruik van fenytoïne (Diphantoïne) – 8
  • syndroom van Heyde – 8
  • invasieve aspergillose (gedissemineerde aspergillose) – 7
  • buitenbaarmoederlijke zwangerschap (extra-uteriene graviditeit) – 7
  • verwonding aan de slokdarm (oesofagusletsel) – 7
  • bloeduitstorting in de wand van de slokdarm (oesofagushematoom) – 6
  • trombose van de miltader (vena lienalis trombose) – 6
  • sarcoïdose – 5
  • ingeslikt bloed van bijv. bloedneus – 5
  • toxocariasis – 5
  • acute necrotiserende oesofagitis – 5
  • portal hypertensive gastropathy – 5
  • vernauwing van de aortaklep (aortakleptstenose) – 4
  • syndroom van Münchhausen – 4
  • tekort aan alfa-1-antitrypsine (alfa-1-antitrypsine deficiëntie) – 4
  • gebruik van amiodaron (Cordarone) – 4
  • na aanleggen van een portocavale shunt – 4
  • gebruik van abciximab (ReoPro) – 4
  • ziekte van Rendu-Osler-Weber (hereditaire hemorrhagische teleangiëctasie) – 4
  • maligne hypertensie (maligne hypertensie) – 3
  • dengue hemorrhagische koorts (dengue hemorrhagische koorts) – 3
  • aantasting van het hart door hoge bloeddruk (hypertensieve hartziekte) – 3
  • kalkneerslag in de nieren (nefrocalcinose) – 3
  • tekort aan bloedplaatjes bij pasgeborenen door antilichaamreactie (neonatale allo-immuuntrombocytopenie) – 3
  • tekort aan het enzym glucose-6-fosfaat dehydrogenase (glucose-6-fosfaat dehydrogenase deficiëntie) – 3
  • ziekte van Von Willebrand – type 2 – 3
  • gebruik van colchicine – 3
  • gastrinoom van de alvleesklier – 3
  • aanhoudende ontsteking van de alvleesklier (chronische pancreatitis) – 3
  • ontsteking van het hartzakje door bacterie (bacteriële pericarditis) – 2
  • overdosis XTC (ecstasy intoxicatie) – 2
  • trombose van de poortader (vena porta trombose) – 2
  • verhoogde druk in de longslagader veroorzaakt door andere ziekte (secundaire pulmonale hypertensie) – 2
  • hantavirus-infectie – 2
  • bloedvergiftiging door een katheter in een bloedvat (lijnsepsis) – 2
  • diffuse intravasale stolling – 2
  • gebruik van leflunomide (Arava) – 2
  • gebruik van vincristine (Oncovin) – 2
  • hartaanval van de achterwand van het hart (achterwandinfarct) – 2
  • HELLP-syndroom – 2
  • ijzerstapelingsziekte (hemochromatose) – 2
  • gebruik van Ammonaps (fenylbutyraat) – 2
  • chronische hepatitis C – 2
  • kattenkrabziekte – 2
  • maagpoliep – 2
  • ziekte van Kahler (multipel myeloom) – 2
  • ziekte van Von Willebrand – type 3 – 2
  • syfilis (primaire syfilis) – 1,4
  • kopervergiftiging (koperintoxicatie) – 1,4
  • syndroom van Wolff-Parkinson-White – 1,3
  • viskruikinfarct (takotsubo cardiomyopathie) – 1,3
  • chronische lymfatische leukemie (chronische lymfatische B-celleukemie) – 1,3
  • syndroom van Sjögren (primair Sjögren-syndroom) – 1,2
  • ziekte van Behçet – 1,2
  • vitamine B1-tekort (thiaminedeficiëntie) – 1,2
  • infectie in het hart (infectieuze endocarditis) – 1,1
  • folliculair lymfoom – 1,0
  • compartimentsyndroom van de buik (abdominaal compartimentsyndroom) – 1,0
  • gebruik van sulfasalazine – 1,0
  • infectie door parvovirus B19 – 1,0
  • gastrinoom van de dunne darm – 1,0

Extreem zeldzame oorzaken van bloed braken: <1/jaar

  • acute myeloïde leukemie – 0,9
  • ziekte van Werlhof (idiopathische trombocytopenische purpura) – 0,9
  • ziekte van Hodgkin (Hodgkin-lymfoom) – 0,8
  • ijzerstapeling in de longen (primaire pulmonale hemosiderose) – 0,8
  • syndroom van Budd-Chiari – 0,8
  • afsterven van weefsel in de milt door slechte doorbloeding (miltinfarct) – 0,7
  • HIV-infectie (acute HIV-infectie) – 0,7
  • essentiële trombocytemie – 0,7
  • hemofilie A (factor VIII-deficiëntie) – 0,7
  • verbindweefseling van het beenmerg (primaire myelofibrose) – 0,6
  • aspirin-like defect – 0,6
  • huidbloedingen na bloedtransfusie (posttransfusie purpura) – 0,6
  • ontsteking van de slokdarm door cytomegalovirus (CMV-oesofagitis) – 0,6
  • polycytemie (polycytemia vera) – 0,6
  • MALT-lymfoom van de maag – 0,6
  • carcinoïd – 0,6
  • Krim-Congo hemorragische koorts (Krim-Congo hemorragische koorts) – 0,6
  • syndroom van Guillain-Barré – 0,6
  • aangeboren cytomegalie (congenitale cytomegalovirusinfectie (symptomatisch)) – 0,5
  • gebruik van mesalazine (Asacol, Pentasa, Salofalk) – 0,5
  • gebruik van paclitaxel – 0,5
  • jeugdreuma (juveniele idiopathische artritis) – 0,5
  • koolmonoxidevergiftiging (acute koolmonoxideintoxicatie) – 0,5
  • overdosis acetylsalicylzuur (salicylaatintoxicatie) – 0,5
  • verstijving van de hartspier (restrictieve cardiomyopathie) – 0,5
  • mixed connective tissue disease – 0,5
  • chronische myeloïde leukemie – 0,5
  • duplicatiecyste van de maag – 0,5
  • Strongyloides hyperinfectie syndroom – 0,5
  • malaria – 0,5
  • syndroom van Shwachman-Diamond – 0,4
  • verbindweefseling van de lever door verstopping in de galkanaaltjes (primaire biliaire cirrose) – 0,4
  • gebruik van piroxicam – 0,4
  • hemolytisch uremisch syndroom (typische HUS) – 0,4
  • rhesusziekte (rhesus antagonisme) – 0,4
  • knokkelkoorts (dengue) – 0,4
  • auto-immuun hemolytische anemie – 0,3
  • zygomycose – 0,3
  • acute lymfatische leukemie – 0,3
  • gebruik van mycofenolaatmofetil (CellCept) – 0,3
  • gebruik van mycofenolzuur (Myfortic) – 0,3
  • gebruik van Pradaxa (dabigatran) – 0,3
  • lassakoorts – 0,3
  • polyarteritis nodosa van de huid (cutane polyarteritis) – 0,3
  • serumziekte door geneesmiddelen (serumziekte door geneesmiddelen) – 0,3
  • spataderen in de maag (fundusvarices) – 0,3
  • syndroom van Sandifer – 0,3
  • toxisch megacolon – 0,3
  • vitamine E-vergiftiging (hypervitaminose E) – 0,3
  • syndroom van Eisenmenger – 0,3
  • haarcelleukemie (hairy-cell leukemie) – 0,3
  • syndroom van Felty – 0,3
  • ziekte van Wilson (hepatolenticulaire degeneratie) – 0,3
  • polyarteritis nodosa– 0,3
  • primaire amyloïdose – 0,3
  • blue rubber bleb nevus syndroom – 0,2
  • syndroom van Peutz-Jeghers – 0,2
  • verworven hemofilie A – 0,2
  • auto-immuun lymfoproliferatief syndroom type II – 0,2
  • duplicatiecyste van de dunne darm – 0,2
  • grijze bloedplaatjes syndroom (gray platelet syndroom) – 0,2
  • POEMS syndroom – 0,2
  • syndroom van Ogilvie (idiopathische intestinale pseudo-obstructie) – 0,2
  • tekort aan fosfaat in het bloed (hypofosfatemie) – 0,2
  • ziekte van Moschcowitz (trombotische trombocytopenische purpura) – 0,2
  • mantelcellymfoom – 0,2
  • purpura fulminans – 0,2
  • sarcoïdose van de maag – 0,2
  • Ebola koorts (Ebola hemorrhagische koorts) – 0,2
  • aangeboren toxoplasmose (congenitale toxoplasmose) – 0,2
  • erythroblastosis foetalis – 0,2
  • Middellandse zeekoorts (familiaire mediterrane koorts) – 0,2
  • nierbekkenontsteking met gasvorming rond de nieren (emfysemateuze pyelonefritis) – 0,2
  • ziekte van Waldenström (macroglobulinemie van Waldenström) – 0,2
  • Marburg hemorrhagische koorts – 0,1
  • vergiftiging met ricine (orale ricine intoxicatie) – 0,1
  • gebruik van Brilique (ticagrelor) – 0,1
  • sikkelcelziekte (sikkelcelanemie) – 0,1
  • hemofilie B (factor IX-deficiëntie) – 0,1
  • syndroom van Scott – 0,1
  • vernauwing van de mitraalklep (mitralisstenose) – 0,1
  • antifosfolipidensyndroom – 0,1
  • bloeding in het ruggenmerg (hematorrachie) – 0,1
  • bloedvergiftiging door Streptococcus pyogenes (Streptococcus pyogenes sepsis) – 0,1
  • gebruik van ifosfamide – 0,1
  • gebruik van Rapamune (sirolimus) – 0,1
  • hart met onderontwikkelde linker kamer (hypoplastisch linkerhart syndroom) – 0,1
  • marginalezonelymfoom (milt-marginale zone B-cel lymfoom) – 0,1
  • syndroom van DiGeorge – 0,1
  • tekort aan bloedplaatjes door infectie met de Helicobacter-bacterie (H. pylori-geïnduceerde trombocytopenie) – 0,1
  • toxoplasmose (systemische toxoplasmose) – 0,1
  • tropische splenomegalie-syndroom – 0,1
  • verbindweefseling van het spierweefsel van het hart (endomyocardiale fibrose) – 0,1
  • chronische myelomonocytaire leukemie – 0,1
  • marmerbeenziekte (osteopetrose) – 0,1
  • syndroom van Caroli – 0,1
  • asbestziekte (asbestose) – 0,1
  • Lady Windermere-syndroom (pulmonale Mycobacterium avium complex infectie) – 0,1
  • primaire scleroserende cholangitis (primaire scleroserende cholangitis) – 0,1
  • ziekte van Weil (leptospirose) – 0,1
  • angioimmunoblastair T-cel lymfoom – 0,1
  • thyreotoxische crisis – 0,1
  • gebruik van etacrynezuur (Edecrin) – 0,1
  • aplastische anemie – 0,1
  • atypisch hemolytisch uremisch syndroom (atypische HUS) – 0,1
  • Kyasanur forest disease – 0,1
  • ziekte van Chagas – 0,1
  • TAR-syndroom – 0,1
  • trombose van de leverader (vena hepatica trombose) – 0,1
  • syndroom van Kasabach-Merritt – 0,1
  • aangeboren herpesinfectie (congenitale herpes) – 0,1
  • aangeboren vernauwing van de grote lichaamsslagader (coarctatio aortae) – 0,1
  • alfa-thalassemie – 0,1
  • beta-thalassemie – 0,1
  • buiktyfus – 0,1
  • hemangioom van de dikke darm (hemangioom van het colon) – 0,1
  • hemolytisch uremisch syndroom (volwassen vorm) – 0,1
  • overgevoelig voor heparine (allergische reactie op heparine) – 0,1
  • paratyfus – 0,1
  • spierdystrofie van Duchenne (musculaire dystrofie van Duchenne) – 0,1
  • tekort aan bloedplaatjes door heparine (heparine-geïnduceerde trombocytopenie) – 0,1
  • tekort aan het enzym alfa-mannosidase – 0,1
  • histoplasmose – 0,05
  • zwarte koorts (viscerale leishmaniasis) – 0,04
  • aangeboren verbindweefseling van de lever (congenitale leverfibrose) – 0,04
  • babesiose – 0,04
  • cryoglobulinemie type II – 0,04
  • hemofilie C (factor XI-deficiëntie) – 0,04
  • loopgravenkoorts (infectie met Bartonella quintana) – 0,04
  • lupussyndroom bij pasgeboren baby (neonataal lupussyndroom) – 0,04
  • pseudoxanthoma elasticum – 0,04
  • ziekte van Castleman – 0,04
  • mijnworminfectie (ancylostomiasis) – 0,04
  • cryoglobulinemie type III – 0,03
  • mestcelziekte (systemische mastocytose) – 0,03
  • promyelocytenleukemie – 0,03
  • syndroom van Bernard-Soulier – 0,03
  • syndroom van Lambert-Eaton (Lambert-Eaton myastheen syndroom) – 0,03
  • ziekte van Glanzmann (Glanzmann-thrombastenie) – 0,03
  • Omsk hemorrhagic fever – 0,03
  • gele koorts – 0,03
  • miltvuur (anthrax) – 0,03
  • aangeboren amegakaryocytaire trombocytopenie (congenitale amegakaryocytaire trombocytopenie) – 0,02
  • aangeboren syfilis (congenitale syfilis) – 0,02
  • aanvalsgewijze nachtelijke hemoglobinurie (paroxismale nachtelijke hemoglobinurie) – 0,02
  • Afrikaanse slaapziekte (trypanosomiasis) – 0,02
  • auto-immuun enteropathie – 0,02
  • chikungunya – 0,02
  • CREST-syndroom (limited cutaneous sclerosis) – 0,02
  • histiocytose (Langerhans-cel histiocytose) – 0,02
  • leverbotinfectie (fascioliasis) – 0,02
  • tekort aan mitochondriaal complex III (mitochondriaal complex III-deficiëntie) – 0,02
  • congenital disorder of glycosylation type Ia – 0,02
  • eosinofiele fasciitis – 0,02
  • gebruik van eptifibatide (Integrelin) – 0,02
  • gebruik van tirofiban (Aggrastat) – 0,02
  • HSE-syndroom (hemorragische shock encefalopathie-syndroom) – 0,02
  • IgD-multipel myeloom – 0,02
  • storage pool disease – 0,02
  • subcutaan panniculitis-achtig T-cellymfoom – 0,02
  • syndroom van Evans – 0,02
  • T-LGL-leukemie – 0,02
  • verworven hemofagocytair syndroom (secundaire hemofagocytaire lymfohistiocytose) – 0,02
  • ziekte van Whipple – 0,02
  • syndroom van Schmidt (polyglandulair auto-immuunsyndroom type II) – 0,02
  • syndroom van Sézary – 0,02
  • koortsaanvallen na tekenbeet (febris recurrens door Borrelia recurrentis) – 0,01
  • sarcoom van bloedvaten in de lever (hemangioendotheliaal sarcoom van de lever) – 0,01
  • ziekte van Niemann-Pick – 0,01
  • koortsaanvallen na luizenbeet (febris recurrens door Borrelia duttoni) – 0,01
  • tekort aan transcobalamine-II (congenitale transcobalamine-II-deficientie) – 0,01
  • acute erytremie en erytroleukemie – 0,01
  • endemische vlektyfus – 0,01
  • hersenvliesontsteking door Toscana-virus (meningitis door Toscana-virus) – 0,01
  • lymfeklierkanker in de bloedvaten (intravasculair lymfoom) – 0,01
  • megakaryoblastaire leukemie (acute megakaryoblastaire leukemie) – 0,01
  • onyalai – 0,01
  • refeeding-syndroom – 0,01
  • wandelende milt (ectopische milt) – 0,01
  • aangeboren tekort aan carnitine (primaire carnitinedeficiëntie) – 0,01
  • arseenvergiftiging (arsenicumintoxicatie) – 0,01
  • Fanconi anemie – 0,01
  • ross-river-virus infectie – 0,01
  • stralingsziekte (acute stralingsziekte) – 0,01
  • syndroom van Morquio (mucopolysacharidose IV) – 0,01
  • ziekte van Gaucher – 0,01
  • syndroom van Sebastian – 0,01
  • erytropoëtische protoporfyrie – 0,01
  • syndroom van Sanfilippo (mucopolysacharidose III) – 0,01
  • chronisch lijmsnuiven – 0,004
  • draaiing van de miltslagader (torsie van de arteria lienalis) – 0,004
  • dyserytropoëtische anemie met trombocytopenie – 0,004
  • dyskeratosis congenita – 0,004
  • ehrlichiose (humane monocytaire ehrlichiose) – 0,004
  • hepatosplenaal gamma/delta-lymfoom – 0,004
  • NK-LGL-leukemie – 0,004
  • polyglandulair auto-immuunsyndroom type I – 0,004
  • syndroom van Hoyeraal-Hreidarsson (progressieve pancytopenie-immuundeficiëntie-cerebellaire hypoplasie) – 0,004
  • syndroom van Schnitzler – 0,004
  • verbindweefseling van het beenmerg met verlaagd aantal bloedcellen (acute panmyelose met myelofibrose) – 0,004
  • ziekte van Keshan – 0,004
  • ziekte van Maroteaux-Lamy (mucopolysacharidose type VI) – 0,004
  • syndroom van Epstein – 0,003
  • Blackfan-Diamond-anemie (constitutionele aplastische anemie) – 0,003
  • syndroom van Hunter (mucopolysacharidose type II) – 0,003
  • ziekte van Sandhoff – 0,003
  • apenmalaria (Plasmodium knowlesi infectie) – 0,002
  • auto-immuun lymfoproliferatief syndroom type Ia – 0,002
  • scrubtyfus – 0,002
  • sodoku (spirillose) – 0,002
  • syndroom van Axenfeld-Rieger – 0,002
  • syndroom van Barth (3-methylglutaconacidurie type 2) – 0,002
  • ziekte van Tangier (familiaire alfa-lipoproteïne deficiëntie) – 0,002
  • Argentijnse hemorragische koorts – 0,001
  • Boliviaanse hemorragische koorts – 0,001
  • lymfocytaire choriomeningitis – 0,001
  • syndroom van Hermansky-Pudlak – 0,001
  • syndroom van Alström – 0,001
  • leukocyte adhesion deficiency type 3 – 0,001
  • syndroom van Wiskott-Aldrich – 0,0004
  • SFTS-bunyavirus-infectie – 0,0002
  • fytosterolemie – 0,0001

Synoniemen ‘bloed braken’

bloedbraken, braken van bloed, uitbraken van bloed, met bloed vermengd braaksel, bloedbraak, bloederig braaksel, bloed bij het braaksel, bloed bij braaksel, bloederig braaksel, bloederig braaksel gebraakt, bloed opbraken, opbraken van bloed, bloed bij braaksel, opbraken bloederig slijm, hematemesis, haematemesis