Wat is bloedstolling?

Bloedstolling is het proces in ons lichaam dat ervoor zorgt dat een bloeding gestopt wordt en wonden gedicht worden. Dit proces wordt ook wel ‘hemostase’ genoemd. Het is een aaneenschakeling van chemische reacties in ons lichaam die uiteindelijk leidt tot de vorming van de kleefstof ‘fibrinogeen’. Daarmee is het proces van bloedstolling echter nog niet afgerond. De kleefstof moet namelijk ook weer opgeruimd worden. Dit deel van het bloedstollingsproces wordt ‘fibrinolyse’ genoemd.

Intrinsiek en extrinsiek stollingssysteem

Er wordt onderscheid gemaakt tussen een intrinsiek stollingssysteem en een extrinsiek stollingssysteem. Extrinsiek betekent ‘van buitenaf’. In dit geval gaat het om een beschadiging (verwonding) van buitenaf. Intrinsiek betekent ‘van binnen’. In dit geval gaat het om een beschadiging van iets dat zich in het lichaam bevindt.

Extrinsieke stollingssysteem

Het extrinsieke stollingssysteem wordt ingeschakeld wanneer van buitenaf een beschadiging (wond) optreedt van de huid of de slijmvliezen, bijvoorbeeld een snijwond. Bij een dergelijke beschadiging zullen in eerste instantie bloedplaatjes samenklonteren om de wond af te sluiten.

Vervolgens zal in de huid of slijmvliezen een stofje worden uitgescheiden. Dit stofje wordt ‘trombokinase’ of ‘stollingsfactor III’ genoemd. Stollingsfactor III brengt vervolgens voor een domino-effect op gang waarbij uiteindelijk het stofje ‘fibrinogeen’ wordt gevormd.

Fibrinogeen is een lijmstof die de wond als het ware dichtplakt.

Intrinsieke stollingssysteem

Het intrinsieke stollingssysteem wordt ingeschakeld wanneer zich in het lichaam een vreemd voorwerp bevindt. Daarmee wordt bedoeld iets dat niet in het lichaam thuishoort.

Door de aanwezigheid van het vreemde voorwerp zal het weefsel zowel stollingsfactor XI als stollingsfactor XII activeren. Net als bij het extrinsieke stollingssysteem wordt hierdoor een domino-effect opgestart dat uiteindelijk leidt tot de vorming van fibrinogeen.

Stollingsfactoren

Zoals hierboven aangegeven maken het intrinsieke en extrinsieke stollingssysteem gebruik van zogenaamde ‘stollingsfactoren’. Er zijn vijftien verschillende stollingsfactoren. Ze worden aangegeven met een romeins cijfer, dus stollingsfactor I tot en met stollingsfactor XV.

Vitamine K

Voor de aanmaak van bepaalde stollingsfactoren is vitamine K nodig. Het gaat om de stollingsfactoren II, VII, IX en X. Hiervan wordt gebruik gemaakt bij mensen met een verhoogd risico op het ontstaan van trombose. Zij kunnen namelijk worden behandeld met zogenaamde ‘vitamine K-antagonisten’. Dat zijn geneesmiddelen die de werking van vitamine K – en daarmee de vorming van de betreffende stollingsfactoren – tegengaan. Een voorbeeld van zo’n vitamine K-antagonist is fenprocoumon (Marcoumar).

Wat kan er mis gaan?

In grote lijnen kunnen er twee dingen mis gaan: (1) de bloedstolling werkt niet goed, of (2) de bloedstolling werkt te goed.

Als de bloedstolling niet goed werkt zal een bloeding langer aanhouden en leiden tot meer bloedverlies. Er wordt wel gesproken van een ‘versterkte bloedingsneiging’ of ‘hemorragische diathese’.

Als de bloedstolling te goed werkt kan dat leiden tot de vorming van bloedstolsels op plaatsen en momenten dat dat eigenlijk niet zou moeten. Hierdoor kunnen trombose en embolie ontstaan.

Versterkte bloedingsneiging

Een versterkte bloedingsneiging kan aangeboren zijn. Dat is het geval bij stollingsstoornissen, zoals bijvoorbeeld bij hemofilie (bloederziekte). Vaker komt een versterkte bloedingsneiging voor door gebruik van bepaalde medicamenten. Dat geldt bijvoorbeeld voor acetylsalicylzuur (aspirine) dat de samenklontering van bloedplaatjes tegengaat.

Een andere reden voor het ontstaan van een versterkte bloedingsneiging is een ziekte van de lever. In de lever worden namelijk de stollingsfactoren aangemaakt.

Versterkte bloedstolling

Een versterkte bloedstolling kan leiden tot het ontstaan van trombose en embolie. Ook hier kunnen aangeboren aandoeningen een rol spelen. Daarnaast zijn er een aantal risicofactoren die de kans op het ontstaan van trombose en embolie verhogen. Risicofactoren voor het ontstaan van trombose en embolie zijn onder andere gebrek aan lichaamsbeweging, roken, overgewicht en gebruik van de anticonceptiepil. Bij hartritmestoornissen zoals boezemfibrilleren is er een verhoogde kans op het ontstaan van bloedstolsels in het hart.