Bloedgroepen

Wat zijn bloedgroepen?

Bloed van mensen kan worden ingedeeld in verschillende groepen. Dit worden ‘bloedgroepen’ genoemd. De indeling is op grond van verschillen in de rode bloedcellen. Rode bloedcellen kunnen namelijk verschillende soorten stofjes bevatten op de celmembraan. De stofjes die op de celmembraan van rode bloedcellen zitten worden erfelijk bepaald. Je wordt er dus mee geboren.

Ontdekking van de bloedgroepen

Voor 1900 werden al bloedtransfusies gegeven. Veel mensen overleden echter na een bloedtransfusie. In 1900 ontdekte Karl Landsteiner dat er verschillende soorten bloed waren, en dat vermenging van deze verschillende soorten leidde tot klontering van rode bloedcellen. Door vooraf een beetje bloed van de bloeddonor en een beetje bloed van de ontvanger te vermengen werd bepaald of de beide soorten bloed overeenkwamen. Op grond van deze bevinding werd duidelijk dat er verschillende soorten bloed bestonden.

uitvinder bloedgroepen systeem Karl Landsteiner
Karl Landsteiner (1868-1943)

Later ontdekte men dat de klontering van verschillende soorten rode bloedcellen te maken had met bepaalde stofjes die op de celmembraan van de rode bloedcellen zitten. Het bleek dat de rode bloedcellen ofwel een stofje A op de celmembraan hadden, ofwel een stofje B. Ook waren er mensen met rode bloedcellen die geen van beide stofjes op de celmembraan hadden. Dit werd ‘nul’ genoemd en wordt aangegeven met een 0 of een O.

De stofjes A en B worden bloedgroepantigenen genoemd. Welke van deze bloedgroepantigenen op de rode bloedcellen zitten is erfelijk bepaald. Er is dus een gen, een stukje DNA, dat bepaalt welk van de bloedgroepantigenen op jouw rode bloedcellen zitten: A, B of geen van beide. Een dergelijk gen wordt overgeërfd van ouder op kind. Dat betekent dat iedereen twee van dergelijke genen heeft geërfd, eentje van de vader en eentje van de moeder. Het kan dus voorkomen dat je van je vader bijvoorbeeld bloedgroepantigeen A erft en van je moeder bloedgroepantigeen B. Zo kunnen dus verschillende combinaties voorkomen. Uiteindelijk kun je dan de volgende zes combinaties krijgen:

  • A0
  • AA
  • AB
  • BB
  • B0
  • 00

Aanwezigheid van één bloedgroepantigeen A leidt tot bloedgroep A, dus ook als het voorkomt in combinatie met 0. Hetzelfde geldt voor bloedgroepantigeen B. Dat betekent dat er uiteindelijk vier verschillende bloedgroepen zijn:

  • A0 & AA → bloedgroep A
  • B0 & BB → bloedgroep B
  • AB → bloedgroep AB
  • 00 → bloedgroep 0

De bovenstaande indeling in bloedgroepen is de meest gebruikte indeling: de AB0-indeling. Hierbij wordt dus gekeken of rode bloedcellen op hun celmembraan een A-antigeen, een B-antigeen, of geen van beide hebben. Er zijn echter ook andere bloedgroepsystemen, waaronder het zogenaamde ‘resus bloedgroepsysteem’.

Testen om de bloedgroep te bepalen

Om te bepalen welke bloedgroep iemand heeft kan het type antistoffen dat iemand in het bloed heeft worden bepaald. Mensen die bloedgroepantigeen A op de celmembranen van hun rode bloedcellen hebben zullen geen antistoffen aanmaken tegen A, maar wel tegen B. De antistoffen worden ‘anti-B antistoffen’ genoemd. Mensen die bloedgroepantigeen B op de celmembranen van hun rode bloedcellen hebben zullen geen antistoffen aanmaken tegen B, maar wel tegen A. Deze antistoffen worden ‘anti-A antistoffen’ genoemd. Mensen met bloedgroep 0 hebben zowel anti-A als anti-B antistoffen, en mensen met bloedgroep AB hebben geen anti-A en ook geen anti-B antistoffen.