Trombocytopenie

Wat is trombocytopenie?

Trombocytopenie is een tekort aan bloedplaatjes (trombocyten). Omdat bloedplaatjes een belangrijke rol spelen bij het stollen van bloed kan een tekort aan bloedplaatjes leiden tot bloedingen.

Het aantal bloedplaatjes in bloed wordt uitgedrukt per microliter bloed. Bij een gezond persoon is het aantal bloedplaatjes tussen 150.000 – 450.000 bloedplaatjes per microliter. Dus minder dan 150.000 bloedplaatjes per microliter spreken we van een tekort aan bloedplaatjes. Klachten treden vaak pas op bij waarden lager dan 50.000 bloedplaatjes per microliter.

Behalve de medische term ‘trombocytopenie’ wordt ook de term ‘trombopenie’ gebruikt voor te weinig bloedplaatjes.

Trombocytopenie moet niet verward worden met ‘trombocytopathie’. Bij trombocytopatie is er geen tekort aan bloedplaatjes maar is de werking van de bloedplaatjes gestoord. Bij ‘trombocytose’ zijn er te veel bloedplaatjes in het bloed.

Hoe vaak komt het voor?

Er zijn geen exacte gegevens bekend over het voorkomen van trombocytopenie. Naar schatting gaat het jaarlijks om zo’n tienduizend gevallen in Nederland.

Oorzaken trombocytopenie

Er zijn veel mogelijke oorzaken voor het ontstaan van trombocytopenie. De oorzaken kunnen worden onderverdeeld in drie belangrijke groepen:

  • Onvoldoende aanmaak van bloedplaatjes, bijvoorbeeld bij aandoeningen van het beenmerg of aantasting van het beenmerg door antikankermiddelen (chemotherapie);
  • Versnelde afbraak of verbruik van bloedplaatjes, bijvoorbeeld bij bepaalde infecties, uitgebreide trombose en diffuse intravasale stolling;
  • Opslag van bloedplaatjes buiten de bloedbaan

Een uitgebreide lijst van meer dan 300 verschillende oorzaken van trombocytopenie is onderaan weergegeven.

Symptomen trombocytopenie

Bloedplaatjes spelen een belangrijke rol bij de bloedstolling. Zij zorgen ervoor dat er een korstje op een wond komt zodat het bloeden stopt. Een tekort aan bloedplaatjes zal dus leiden tot een verhoogde bloedingsneiging. Dit kan zich uiten in de volgende symptomen:

puntbloedinkjes bij trombocytopenie
puntbloedinkjes bij trombocytopenie

Hoe wordt het bepaald?

Een tekort aan bloedplaatjes kan eenvoudig worden bepaald door bloed af te nemen en door een speciaal apparaat het aantal bloedplaatjes te laten bepalen. Normaal gesproken hebben we tussen de 150.000 – 450.000 bloedplaatjes per microliter bloed. Er is dus sprake van een tekort aan bloedplaatjes (trombocytopenie) als het aantal bloedplaatjes kleiner is dan 150.000 bloedplaatjes per microliter. Bij waarden tussen de 50.000-150.000 zijn er meestal echter nog geen klachten. Die komen pas bij waarden onder de 50.000 bloedplaatjes per microliter.

Om te kijken of er sprake is van onvoldoende aanmaak van bloedplaatjes moet het beenmerg worden onderzocht. Dit gebeurt met een beenmergpunctie.

Behandeling trombocytopenie

Bij een ernstig tekort aan bloedplaatjes zal een zogenaamde ‘trombocyten-transfusie’ worden gegeven. De patiënt krijgt dan bloedplaatjes die bij een bloeddonor zijn afgenomen via een infuus toegediend.

Lijst met oorzaken voor te weinig bloedplaatjes (trombocytopenie)

Bij onderstaande oorzaken komt trombocytopenie voor. Het getal achter de oorzaak geeft een schatting van het aantal gevallen van de betreffende aandoening per jaar in Nederland waarbij een tekort aan bloedplaatjes voorkomt.

Vaak voorkomende oorzaken van trombocytopenie (>1.000/jaar)

  • gebruik van cisplatina – 2.040
  • non-Hodgkin lymfoom – 2.025
  • infectie met het cytomegalovirus – 2.000
  • ziekte van Pfeiffer – 1.944
  • ziekte van Lyme – 1.850
  • alcoholverslaving – 1.400
  • vitamine B12-tekort – 1.344
  • gebruik van doxorubicine – 1.320
  • verhoogde druk in de poortader – 1.155

Regelmatig voorkomende oorzaken van trombocytopenie (>100<1.000/jaar)

Zeldzame oorzaken van trombocytopenie (<100/jaar)

Zeer zeldzame oorzaken van trombocytopenie (<10/jaar)

  • aanvalsgewijze nachtelijke hemoglobinurie – 9
  • hyperreactive malarial splenomegaly – 9
  • ontsteking van het hartzakje door bacterie (bacteriële pericarditis) – 8
  • gebruik van fenytoïne (Diphantoïne) – 8
  • trombose in de lever – 8
  • gebruik van carbamazepine (Tegretol) – 7
  • gebruik van mebeverine (Duspatal) – 7
  • babesiose – 6
  • lupussyndroom bij pasgeboren baby (neonatale lupus) – 6
  • vitamine B1-tekort – 6
  • acute monocytaire leukemie – 6
  • gebruik van hydrochloorthiazide – 6
  • verstijving van de hartspier – 6
  • gebruik van pantoprazol (Pantozol) – 6
  • syndroom van Ogilvie – 6
  • angioimmunoblastair T-cel lymfoom – 6
  • marmerbeenziekte (osteopetrose) – 5
  • gebruik van Rapamune (sirolimus) – 5
  • toxoplasmose – 5
  • syndroom van Kasabach-Merritt – 5
  • primaire scleroserende cholangitis – 5
  • alfa-thalassemie – 5
  • beta-thalassemie – 5
  • gebruik van mycofenolzuur (Myfortic) – 5
  • polyarteritis nodosa van de huid – 5
  • serumziekte door geneesmiddelen – 5
  • ziekte van Castleman – 4
  • sikkelcelziekte – 4
  • bloedvergiftiging door Streptococcus pyogenes – 4
  • gebruik van brentuximab (Adcetris) – 4
  • gebruik van Roaccutane (isotretinoïne) – 4
  • grijze bloedplaatjes syndroom – 4
  • mixed connective tissue disease – 4
  • aangeboren syfilis – 4
  • aanhoudende ontsteking van de alvleesklier – 4
  • polyarteritis nodosa – 4
  • endemische vlektyfus – 4
  • megakaryoblastaire leukemie – 4
  • aangeboren verbindweefseling van de lever (congenitale leverfibrose) – 4
  • gebruik van imipramine – 4
  • gebruik van Roaccutane (isotretinoïne) – 4
  • T-LGL-leukemie – 3
  • verworven hemofagocytair syndroom – 3
  • vruchtwaterembolie – 3
  • buiktyfus – 3
  • gebruik van bumetanide (Burinex) – 3
  • gebruik van sulfasalazine – 3
  • overgevoelig voor heparine – 3
  • paratyfus – 3
  • tekort aan het enzym alfa-mannosidase – 3
  • Rocky Mountain spotted fever – 3
  • erfelijke hemofagocytaire lymfohistiocytose – 3
  • acute erytremie en erytroleukemie – 3
  • ziekte van Niemann-Pick – 3
  • syndroom van Eisenmenger – 3
  • aangeboren rode hond (congenitale rubella) – 3
  • syndroom van Sézary – 3
  • cryoglobulinemie type II – 3
  • ziekte van Wilson – 3
  • histiocytose – 2
  • ziekte van Weil – 2
  • gebruik van ibuprofen (Brufen) – 2
  • gebruik van ethambutol – 2
  • gebruik van thiamazol (Strumazol) – 2
  • cryoglobulinemie type III – 2
  • aangeboren herpesinfectie (congenitale herpesinfectie) – 2
  • TAR-syndroom – 2
  • NK-LGL-leukemie – 2
  • gebruik van Avastin (bevacizumab) – 2
  • chikungunya – 2
  • HSE-syndroom – 2
  • gewone variabele immuundeficiëntie – 2
  • ziekte van Chagas – 2
  • methylmalonzuur in het bloed – 2
  • verbindweefseling van het beenmerg met verlaagd aantal bloedcellen – 2
  • compartimentsyndroom van de buik – 2
  • subcutaan panniculitis-achtig T-cellymfoom – 2
  • syndroom van Lambert-Eaton – 2
  • ziekte van Gaucher – 2
  • ziekte van Whipple – 2
  • Afrikaanse slaapziekte – 1,4
  • hepatosplenaal gamma/delta-lymfoom – 1,4
  • leverbotinfectie – 1,4
  • T-cel prolymfocytaire leukemie – 1,4
  • auto-immuun enteropathie – 1,4
  • syndroom van Epstein – 1,4
  • overdosis XTC – 1,3
  • ketotische glycinemie – 1,3
  • IgD-multipel myeloom – 1,2
  • chronische myelomonocytaire leukemie – 1,2
  • volwassen T-cel leukemie/lymfoom – acute vorm – 1,1
  • gebruik van pyrazinamide – 1,1
  • gebruik van propylthiouracil – 1,0
  • syndroom van Morquio – 1,0
  • Fanconi anemie – 1,0
  • histoplasmose – 1,0
  • syndroom van Sanfilippo – 1,0

Extreem zeldzame oorzaken van trombocytopenie (<1/jaar)

  • isovaleriaanacidemie – 0,9
  • onyalai – 0,9
  • syndroom van Fechtner – 0,9
  • sarcoom van bloedvaten in de lever – 0,9
  • anaplasmose – 0,9
  • stralingsziekte – 0,9
  • gebruik van Votubia (everolimus) – 0,9
  • carcinoïd – 0,8
  • koortsaanvallen na tekenbeet – 0,8
  • gebruik van Jevtana (cabazitaxel) – 0,8
  • syndroom van Schmidt – 0,8
  • overdosis acetylsalicylzuur – 0,8
  • gebruik van infliximab (Remicade, Inflectra) – 0,8
  • gebruik van norfloxacine – 0,8
  • hemangioom van de dikke darm – 0,8
  • Krim-Congo hemorragische koorts – 0,8
  • syndroom van Budd-Chiari – 0,8
  • koortsaanvallen na luizenbeet – 0,7
  • tekort aan fosfaat in het bloed (hypofosfatemie) – 0,7
  • auto-immuun lymfoproliferatief syndroom type Ia – 0,7
  • arseenvergiftiging – 0,7
  • aangeboren tekort aan transcobalamine-II – 0,6
  • ehrlichiose – 0,6
  • polyglandulair auto-immuunsyndroom type I – 0,6
  • chronische eosinofiele leukemie – 0,6
  • wandelende milt – 0,6
  • vernauwing van de mitraalklep (mitralisstenose) – 0,5
  • eosinofiele fasciitis – 0,5
  • mestcelziekte (mastocytose) – 0,5
  • Argentijnse hemorragische koorts – 0,4
  • Boliviaanse hemorragische koorts – 0,4
  • vogelgriep – 0,4
  • syndroom van Aicardi–Goutières – 0,4
  • erytropoëtische protoporfyrie – 0,4
  • gebruik van Incivo (telaprevir) – 0,4
  • aangeboren vernauwing van de grote lichaamsslagader – 0,4
  • gebruik van Arzerra (ofatumumab) – 0,4
  • chronische stralingsziekte – 0,3
  • draaiing van de miltslagader – 0,3
  • auto-immuun lymfoproliferatief syndroom type II – 0,3
  • gebruik van carbimazol – 0,3
  • hamartoom van de milt – 0,3
  • asbestziekte – 0,3
  • ziekte van Maroteaux-Lamy – 0,3
  • gebruik van mesalazine (Asacol, Pentasa, Salofalk) – 0,3
  • syndroom van Schnitzler – 0,2
  • tekort aan transcobalamine 2 – 0,2
  • syndroom van Sebastian – 0,2
  • ziekte van Tangier – 0,2
  • scrubtyfus – 0,2
  • syndroom van Hoyeraal-Hreidarsson – 0,2
  • chronisch lijmsnuiven – 0,2
  • Blackfan-Diamond-anemie – 0,2
  • syndroom van Griscelli type 2 – 0,2
  • syndroom van Griscelli type 3 – 0,2
  • hart met onderontwikkelde linker kamer (hypoplastische linker hart syndroom) – 0,2
  • verbindweefseling van het spierweefsel van het hart – 0,2
  • ziekte van Rendu-Osler-Weber – 0,2
  • syndroom van Wiskott-Aldrich – 0,1
  • koolmonoxidevergiftiging – 0,1
  • syndroom van Hunter – 0,1
  • ziekte van Sandhoff – 0,1
  • syndroom van Heyde – 0,1
  • apenmalaria – 0,1
  • thyreotoxische crisis – 0,1
  • ziekte van Keshan – 0,1
  • sodoku – 0,1
  • dyskeratosis congenita – 0,1
  • spierdystrofie van Duchenne – 0,1
  • SFTS-bunyavirus-infectie – 0,1
  • aangeboren tekort aan carnitine – 0,1
  • hersenvliesontsteking door Toscana-virus – 0,1
  • littoral-cell angioma – 0,05
  • refeeding-syndroom – 0,04
  • ross-river-virus infectie – 0,04
  • CREST-syndroom – 0,04
  • lymfeklierkanker in de bloedvaten – 0,03
  • loopgravenkoorts – 0,03
  • lymfocytaire choriomeningitis – 0,03
  • syndroom van Seckel – 0,03
  • mijnworminfectie – 0,03
  • hyper IgM syndroom type 5 – 0,02
  • gebruik van eptifibatide (Integrelin) – 0,02
  • syndroom van Alström – 0,01
  • fytosterolemie – 0,01
  • syndroom van Axenfeld-Rieger – 0,003
  • syndroom van Barth – 0,003
  • gele koorts – 0,0003

Engelse vertaling

thrombocytopenia

ICD10-code

D69.6


Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 3 december 2014
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 22 september 2017


Synoniemen voor trombocytopenie zijn tekort aan bloedplaatjes, te weinig bloedplaatjes, verlaagde bloedplaatjes, verlaagde trombocyten, verlaagd aantal bloedplaatjes, thrombopenie, trombopenie, en thrombocytopenie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *