Bloedarmoede

Wat is bloedarmoede?

Bloedarmoede betekent dat er te weinig hemoglobine in het bloed zit. Hemoglobine is het stofje dat ervoor zorgt dat rode bloedcellen zuurstof kunnen opnemen in de longen en vervolgens kunnen afstaan in de weefsels en organen.

De medische term voor bloedarmoede is ‘anemie’.

Hoe vaak komt ‘t voor?

Bloedarmoede komt heel vaak voor. Per jaar krijgen naar schatting 100.000-200.000 mensen in Nederland bloedarmoede. Omdat de klachten niet altijd op de voorgrond treden weten mensen soms niet dat ze bloedarmoede hebben.

Wat zijn oorzaken van bloedarmoede?

Er zijn ontzettend veel verschillende oorzaken voor bloedarmoede. De meest voorkomende oorzaken zijn:

Zeldzame oorzaken voor het ontstaan van bloedarmoede zijn:

Onderaan deze webpagina vind je een uitgebreid overzicht van oorzaken voor bloedarmoede.

Welke symptomen geeft bloedarmoede?

Als bloedarmoede in korte tijd ontstaat zullen vaak eerder klachten optreden dan wanneer dat geleidelijk gebeurt. In het laatste geval kan het gebeuren dat iemand zich pas bij de dokter meldt als het hemoglobine gehalte in het bloed al heel laag is.

Typische klachten die kunnen optreden zijn:

Soms ook:

Als bloedarmoede langzaam ontstaat zijn er vaak lang geen klachten. Pas als de bloedarmoede ernstig wordt ontstaan dan bovenstaande.

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Lichamelijk onderzoek

Een arts zal op grond van de klachten en het lichamelijk onderzoek al snel een idee krijgen van het bestaan van bloedarmoede. Bij lichamelijk onderzoek zijn de slijmvliezen van de mond en de ogen vaak bleek.

bleke conjunctiva bij bloedarmoede
bleke conjunctiva bij bloedarmoede

Bloedonderzoek in het laboratorium

De diagnose is eenvoudig te bevestigen met bloedonderzoek. Bij bloedonderzoek is het hemoglobine gehalte verlaagd.

Bij mannen is het hemoglobine gehalte normaal gesproken hoger dan 8,1 mmol/l en bij vrouwen 7,5 mmol/l. Als het hemoglobine gehalte lager is dan deze waarden wordt gesproken van bloedarmoede.

Door het laten bepalen van de grootte en de kleur van rode bloedcellen te bepalen krijgt de arts een idee van de oorzaak van de bloedarmoede.

De grootte van de rode bloedcellen wordt met een Engelste term ‘mean corpuscular volume’ of ‘MCV’ genoemd. Het MCV wordt uitgedrukt in femtoliter (fl). Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • Bloedarmoede met relatief kleine rode bloedcellen (microcytaire anemie): MCV is kleiner dan 80 fl
  • Bloedarmoede met normale rode bloedcellen (normocytaire anemie): MCV is tussen 80-100 fl
  • Bloedarmoede met relatief grote rode bloedcellen (macrocytaire anemie): MCV is groter dan 100 fl

Een voorbeeld van een microcytaire anemie is bloedarmoede door een tekort aan ijzer. Een voorbeeld van macrocytaire anemie is bloedarmoede door een tekort aan vitamine B12 (pernicieuze anemie).

Zelftests voor bloedarmoede

Er zijn tegenwoordig tests op de markt waarmee mensen zelf thuis kunnen testen of ze bloedarmoede hebben. Voorbeelden van dergelijke testen zijn:

  • FERRI-Check
  • Kernel Multi-check

Behandeling bloedarmoede

In het algemeen zal een arts eerst willen weten wat de onderliggende oorzaak is. Pas als die bekend is kan een geschikte behandeling worden gekozen.

Wanneer echter sprake is van een ernstige bloedarmoede kan de arts besluiten om een bloedtransfusie te geven.

Er zijn ook medicijnen beschikbaar die de aanmaak van rode bloedcellen in het beenmerg bevorderen. Deze geneesmiddelen zijn afgeleid van het hormoon erytropoëtine. De generieke naam van dit soort middelen is epoëtine.


Uitgebreid overzicht van oorzaken van bloedarmoede

De aandoeningen en omstandigheden hieronder kunnen aanleiding geven tot het ontstaan van bloedarmoede. Het getal achter de aandoening is een schatting van het aantal mensen dat jaarlijks in Nederland vanwege die aandoening bloedarmoede krijgt.

Oorzaken bloedarmoede >10.000/jaar

Oorzaken bloedarmoede >1.000/jaar

Oorzaken bloedarmoede >100/jaar

Oorzaken bloedarmoede >10/jaar

Oorzaken bloedarmoede <10/jaar

  • penicillose – 9
  • acute monocytaire leukemie – 9
  • Middellandse zeekoorts (familiaire mediterrane koorts) – 9
  • nierbloeding (renale bloeding) – 9
  • familiaire adenomateuze polypose – 9
  • maagpoliep – 9
  • zwarte koorts (viscerale leishmaniasis) – 8
  • kanker aan de basis van de tong (tongbasiscarcinoom) – 8
  • syndroom van Sheehan (postpartum hypopituïtarisme) – 8
  • aangeboren tekort aan intrinsic factor (congenitale intrinsic factor deficiëntie) – 8
  • gebruik van mycofenolzuur (Myfortic) – 8
  • babesiose – 7
  • T-LGL-leukemie – 7
  • ziekte van Marchiafava-Bignami (centrale demyelinisering van het corpus callosum) – 7
  • lupussyndroom bij pasgeboren baby (neonataal lupussyndroom) – 6
  • syndroom van Pautrier-Woringer (lipomelanotische reticulose) – 6
  • aderlaten (flebotomie) – 6
  • gebruik van topiramaat – 6
  • hypereosinofilie syndroom – 6
  • syndroom van Plummer-Vinson – 6
  • gebruik van voriconazol (Vfend) – 6
  • ijzerstapeling in de longen (primaire pulmonale hemosiderose) – 6
  • marmerbeenziekte (osteopetrose) – 5
  • gebruik van Afinitor (everolimus) – 5
  • lymfeklierkanker in de dunne darm (maligne lymfoom van de dunne darm) – 5
  • gebruik van Rapamune (sirolimus) – 5
  • zwartwaterkoorts (hemolytische anemie bij Pl. Falciparum infectie) – 5
  • acute erytremie en erytroleukemie – 4
  • omleidingsoperatie van de maag (gastrische bypass operatie) – 4
  • rhesusziekte (rhesus antagonisme) – 4
  • ziekte van Weil (leptospirose) – 4
  • Fanconi anemie – 4
  • mijnworminfectie (ancylostomiasis) – 4
  • aangeboren syfilis (congenitale syfilis) – 4
  • geslachtsgebonden sideroblastaire anemie (X-gebonden sideroblastaire anemie) – 4
  • IPEX-syndroom – 4
  • megakaryoblastaire leukemie (acute megakaryoblastaire leukemie) – 4
  • primair verworven sideroblastaire anemie – 4
  • sideroblastaire anemie – 4
  • tekort aan biotine (biotine deficiëntie) – 4
  • tekort aan het enzym pyruvaatkinase (pyruvaatkinase deficiëntie) – 4
  • chikungunya – 3
  • ziekte van Whipple – 3
  • notenkraker syndroom (compressie van de linker v. renalis tussen de a. mesenterica superior en de aorta) – 3
  • ziekte van Wegener (granulomatose met polyangiitis) – 3
  • bijschildklierkanker (bijschildkliercarcinoom) – 3
  • hemoglobine-E-ziekte – 3
  • gebruik van brentuximab (Adcetris) – 3
  • gebruik van Roaccutane (isotretinoïne) – 3
  • hemoglobine-C-ziekte – 3
  • tekort aan selenium (seleniumdeficiëntie) – 3
  • vitamine A-tekort (vitamine A-deficiëntie) – 3
  • ziekte van Gaucher – 3
  • ziekte van Madelung (benigne symmetrische lipomatose) – 3
  • syndroom van Pautrier-Woringer (lipomelanotische reticulose) – 3
  • hyperlysinemie – 3
  • gebruik van Opsumit (macitentan) – 2
  • gebruik van pentamidine – 2
  • gebruik van Daklinza (daclatasvir) – 2
  • anaplasmose (humane granulocytaire anaplasmose) – 2
  • gebruik van bumetanide (Burinex) – 2
  • purpura fulminans – 2
  • aangeboren tekort aan ferritine in het bloed (congenitale hypotransferrinemie) – 2
  • NK-LGL-leukemie – 2
  • dyskeratosis congenita – 2
  • Mycobacterium avium intracellulare-infectie van de darm – 2
  • nierfilterontsteking na infectie met streptococ-bacterie (acute poststreptokokkenglomerulonefritis) – 2
  • parvovirus-infectie bij het ongeboren kind (foetale parvovirusinfectie) – 2
  • tekort aan koper (koperdeficiëntie) – 2
  • ziekte van Wilson (hepatolenticulaire degeneratie) – 2
  • subcutaan panniculitis-achtig T-cellymfoom – 2
  • plasmacel leukemie – 2
  • te langzaam werkende schildklier door bestraling in het halsgebied (radiotherapie-geïnduceerde hypothyreoïdie) – 2
  • gewone variabele immuundeficiëntie (common variable immunodeficiency) – 2
  • ziekte van Rosai-Dorfman (sinushistiocytose met massale lymfadenopathie) – 2
  • verbindweefseling van het beenmerg met verlaagd aantal bloedcellen (acute panmyelose met myelofibrose) – 2
  • methylmalonzuur in het bloed (methylmalonacidemie) – 2
  • Afrikaanse slaapziekte (trypanosomiasis) – 1,4
  • T-cel prolymfocytaire leukemie – 1,4
  • tekort aan transcobalamine-II (congenitale transcobalamine-II-deficientie) – 1,4
  • erfelijke hemofagocytaire lymfohistiocytose (primaire hemofagocytaire lymfohistiocytose) – 1,4
  • ziekte van Simmonds (necrose van de hypofysevoorkwab) – 1,4
  • pseudomyxoom van het buikvlies (pseudomyxoma peritonei) – 1,3
  • tropische malaria (malaria door Plasmodium falciparum) – 1,3
  • hepatoblastoom – 1,3
  • stralingsziekte (acute stralingsziekte) – 1,3
  • Blackfan-Diamond-anemie (constitutionele aplastische anemie) – 1,3
  • ketotische glycinemie – 1,3
  • leiomyoom van de slokdarm (leiomyoom van de oesofagus) – 1,3
  • chirurgische verwijdering van de maag (gastrectomie) – 1,1
  • hepcidine aanmaakstoornis – 1,1
  • remming beenmergactiviteit door inflammatoire cytokinen (remming beenmergactiviteit door inflammatoire cytokinen) – 1,1
  • resectie van het ileum – 1,1
  • te weinig ijzer in de voeding – 1,1
  • neonatal-onset multisystem inflammatory disease – 1,1
  • NK-cellymfocytose – 1,1
  • essentiële cryoglobulinemische vasculitis – 1,1
  • aceruloplasminemie – 1,0
  • brucellose – 1,0

Oorzaken bloedarmoede <1/jaar

  • ferroportineziekte (hemochromatose type 4) – 0,9
  • erfelijke pyropoikilocytose (hereditaire pyropoikilocytose) – 0,9
  • syndroom van Imerslund-Gräsbeck – 0,9
  • ziekte van Tarui – klassieke vorm (glycogeenstapelingsziekte type VII – klassieke vorm) – 0,9
  • zweepworminfectie (trichuriasis) – 0,9
  • angioimmunoblastair T-cel lymfoom – 0,8
  • syndroom van Cornelia de Lange – 0,8
  • gebruik van argatroban (Arganova) – 0,8
  • mixed connective tissue disease – 0,8
  • auto-immuun lymfoproliferatief syndroom type Ia – 0,8
  • gebruik van Simponi (golimumab) – 0,8
  • syndroom van McLeod (McLeod neuroacanthocytosissyndroom) – 0,6
  • wondergezwel bij het staartbeen (sacrococcygeaal teratoom) – 0,6
  • fasciolopsiasis – 0,6
  • gebruik van lamivudine – 0,6
  • overdosis chlooramfenicol (chlooramfenicol intoxicatie) – 0,6
  • te langzaam werkende schildklier door geneesmiddel (geneesmiddelen-geïnduceerde hypothyreoïdie) – 0,6
  • auto-immuun lymfoproliferatief syndroom type II – 0,5
  • gebruik van Votubia (everolimus) – 0,5
  • ehrlichiose (humane monocytaire ehrlichiose) – 0,5
  • gebruik van Combivir (lamivudine/zidovudine) – 0,5
  • syndroom van Van Goethem (radiodigitofaciale dysplasie) – 0,4
  • syndroom van Peutz-Jeghers – 0,3
  • tekort aan het enzym aldolase A (glycogeenstapelingsziekte type XII) – 0,3
  • gamma zware ketenziekte (gamma zware ketenziekte) – 0,3
  • histiocytose (Langerhans-cel histiocytose) – 0,3
  • blue rubber bleb nevus syndroom – 0,3
  • hamartoom van de milt – 0,3
  • tekort aan het enzym triosefosfaatisomerase (triosefosfaatisomerase deficiëntie) – 0,2
  • syndroom van Aicardi–Goutières – 0,2
  • tekort aan het enzym glucose-6-fosfaat isomerase (glucose-6-fosfaat isomerase deficiëntie) – 0,2
  • eosinofiele fasciitis – 0,2
  • echinostomiasis – 0,2
  • ziekte van Günther (congenitale erythropoietische porfyrie) – 0,2
  • gebruik van ticlopidine – 0,2
  • overgehydrateerde erfelijke stomatocytose – 0,2
  • hypofosfatasie – perinatale vorm- 0,2
  • tekort aan het enzym mevalonaat kinase (mevalonate kinase deficiëntie) – 0,2
  • vergiftiging met stekelpapaver (Argemone mexicana-vergiftiging) – 0,2
  • erfelijke orotinezuuracidurie (hereditaire orotinezuuracidurie) – 0,1
  • syndroom van Aicardi–Goutières – 0,1
  • syndroom van Camurati-Engelmann (progressieve diafysaire dysplasie) – 0,1
  • apenmalaria (Plasmodium knowlesi infectie) – 0,1
  • hemoglobine-SC-ziekte – 0,1
  • infectie met Dicrocoelium dendriticum (dicrocoeliose) – 0,1
  • ziekte van Wolman – 0,1
  • schildklierontsteking van Riedel (chronische fibreuze thyreoïditis van Riedel) – 0,1
  • granuloma inguinale – 0,1
  • erytropoëtische protoporfyrie – 0,1
  • isobutyryl-coenzyme A dehydrogenase deficiency (IBD-deficiëntie) – 0,1
  • littoral-cell angioma – 0,1
  • syndroom van Hoyeraal-Hreidarsson (progressieve pancytopenie-immuundeficiëntie-cerebellaire hypoplasie) – 0,04
  • mucolipidose type IV – 0,04
  • syndroom van Seckel – 0,03
  • ziekte van Camisa (keratoderma hereditarium mutilans met ichtyose) – 0,03
  • gedilateerde cardiomyopathie met ataxie (3-methylglutaconacidurie type 5) – 0,03
  • dyserytropoëtische anemie met trombocytopenie – 0,02
  • Ewing sarcoom – 0,02

Engelse vertaling

anemia


Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 7 oktober 2014
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 23 januari 2017

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *