Xanthelasmata

Wat zijn xanthelasmata?

Xanthelasmata zijn gelige bultjes die ontstaan door ophoping van vet onder de huid. Meestal zitten ze aan het ooglid, en dan vooral aan de kant van de neus. Xanthelasma van het ooglid wordt xanthelasma palpebrarum genoemd.

Hoe vaak komt ’t voor?

Ongeveer 1% van de bevolking heeft xanthelasmata. Xanthelasmata komen iets vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.

Wat is de oorzaak?

Het is niet precies bekend waarom xanthelasmata ontstaan. Wel is duidelijk dat het verschijnsel vaker voorkomt bij bepaalde aandoeningen, waaronder:

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Meestal wordt de diagnose gesteld op grond van de lokatie en het aspect van de bultjes. Eventueel kan de diagnose worden bevestigd met behulp van een biopsie. Hierbij wordt een stukje huid uit een bultje verwijderd. Dit wordt vervolgens door een patholoog onder de microscoop bekeken. Daarbij worden kenmerkende afwijkingen gezien, namelijk zogenaamde schuimcellen. Dat zijn macrofagen die veel vetten (lipiden) hebben opgenomen. Deze schuimcellen zitten voornamelijk rond de bloedvaatjes van de huid.

Wat is de behandeling?

Wanneer xanthelasmata vanuit cosmetisch oogpunt storend zijn dan kunnen ze worden verwijderd. Dat kan middels een kleine operatieve ingreep onder plaatselijke verdoving. Andere mogelijkheden zijn behandeling met etsende middelen, laserbehandeling en elektrocauterisatie.

Etsende middelen

Etsende middelen die worden gebruikt bij de behandeling van xanthelasmata zijn trichlooracetaat en Solcoderm. Solcoderm zalf bevat een combinatie van flurouracil en salicylzuur.

Laserbehandeling

Na verdoving worden de huidafwijkingen met een CO2-laser weggesneden. Na de behandeling blijft een wondje over dat binnen een week zal genezen.

Elektrocauterisatie

Met deze methode wordt de huidafwijking weggebrand met een zogenaamd diathermieapparaat. Ook hier blijft na behandeling een wondje over dat binnen een aantal dagen zal genezen.

Verder lezen / Referenties

  • MA Kemler, W Deenstra en M Kon, ‘Xanthelasma palpebrarum‘, gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 12 mei 1996; 140(19): pagina’s 1014-1017.

Plaats een reactie