Posttrombotisch syndroom

Wat is het posttrombotisch syndroom?

Het posttrombotisch syndroom is een huidaandoening die ontstaat door een verhoogde druk in de aders van het onderbeen. Het is een complicatie van een trombosebeen (diepe veneuze trombose in het been). Door de trombose ontstaan afwijkingen in de bloedvaten die ertoe leiden dat het bloed niet meer goed afgevoerd kan worden. Het gevolg is een verhoging van de druk in de aders van het been. Dit leidt op den duur tot huidafwijkingen aan het onderbeen en andere klachten.

Hoe vaak komt het voor?

Het posttrombotisch syndroom komt vaak voor. Ongeveer de helft van de mensen die een trombosebeen hebben gehad krijgt binnen twee jaar dit posttrombotisch syndroom.

Hoe ontstaat het?

Tijdens lopen zorgen de beenspieren ervoor dat bloed naar boven (richting het hart) wordt gepompt. De bloedvaten (aders) in het been bevatten klepjes. De klepjes zorgen ervoor dat het bloed niet door de zwaartekracht terugstroomt naar de voeten. Zo helpen ze bij het afvoeren van bloed vanuit de benen richting het hart.

Door de aanwezigheid van een stolsel in de ader (trombose) kunnen de kleppen beschadigd raken. Ze zijn dan niet meer goed in staat om terugstromen van bloed naar de voeten tegen te gaan. Het gevolg is dat de druk in de aderen toeneemt. Dit wordt ‘veneuze hypertensie’ genoemd. Het leidt tot schade aan de vaatwand, met name bij de allerdunste bloedvaatjes. Dat zijn de zogenaamde ‘haarvaten’ of ‘capillairen’ in de huid.

Door de verhoogde druk in de haarvaten kunnen schadelijke stofjes, die normaal met het bloed worden afgevoerd, uit de bloedbaan treden. Ze komen dan in de huid terecht. Daar kunnen ze schade toebrengen aan de huid. Zo ontstaan de voor het posttrombotisch syndroom kenmerkende huidafwijkingen.

Symptomen posttrombotisch syndroom

De volgende klachten en afwijkingen kunnen voorkomen:

  • vermoeid of zwaar gevoel in het been
  • zwelling van het onderbeen door oedeem
  • donkere verkleuring van het onderbeen
  • dunner worden van de huid van het onderbeen (huidatrofie); tesamen met de zwelling van het onderbeen ontstaat een strak gespannen, vaak glanzende huid
  • jeuk aan het onderbeen
  • ontsteking van de huid aan het onderbeen
  • witte plekken op het onderbeen
  • tintelend of prikkend gevoel in het onderbeen
  • slecht genezende wondjes aan het onderbeen

Dezelfde klachten en afwijkingen kunnen optreden in de arm na trombose in de arm.

In principe geldt hoe uitgebreider de trombose, des te uitgebreider de huidafwijkingen.

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Er is sprake van het posttrombotisch syndroom als iemand die een trombosebeen heeft gehad op diezelfde plek huidafwijkingen en andere klachten krijgt. Om dit vast te stellen kan gebruik worden gemaakt van de zogenaamde Villalta-score.

Villalta-score

De Villalta-score wordt bepaald aan de hand van een speciale vragenlijst. Deze vragenlijst bevat 11 items. Vijf items gaan over klachten van de patiënt. De overige zes items gaan over bevindingen van de arts bij lichamelijk onderzoek. Afhankelijk van de antwoorden die worden gegeven wordt per item een score toegekend. De totaalscore geeft aan of er sprake is van posttrombotisch syndroom.

Beeldvormend onderzoek

Verder kan beeldvormend onderzoek worden gedaan om aan te tonen dat de aders in het been het bloed niet meer goed afvoeren. Dit kan met zogenaamd duplexonderzoek of met flebografie. Omdat flebografie meer belastend is voor de patiënt wordt meestal gekozen voor duplexonderzoek.

Duplexonderzoek

Met behulp van duplexonderzoek kunnen niet alleen bloedvaten worden afgebeeld, maar kan ook de richting van de bloedstroom in bloedvaten worden bepaald. Bij mensen met posttrombotisch syndroom zijn de kleppen in de aders aangetast. Het gevolg is dat het bloed niet meer goed naar boven stroomt, maar stilstaat of juist naar beneden stroomt. Dit terugstromen wordt ook wel ‘reflux’ genoemd.

Flebografie

Bij flebografie wordt contrastmiddel in de bloedvaten gespoten. Vervolgens worden röntgenopnamen gemaakt. Hierop is het contrastmiddel in de bloedvaten goed zichtbaar. Bij mensen met posttrombotisch syndroom zijn kenmerkende afwijkingen zichtbaar.

Wat is de behandeling?

Het posttrombotisch syndroom is niet goed te genezen. Daarin is het van groot belang om maatregelen te nemen die helpen voorkomen dat het posttrombotisch syndroom ontstaat. Dus in eerste instantie is preventie van belang.

Preventie van posttrombotisch syndroom

Om de kans op het ontstaan van het posttrombotisch syndroom te verlagen is goede behandeling van het trombosebeen van belang. Dat betekent het gebruik van antistollingsmiddelen (bloedverdunners) en zogenaamde ‘compressietherapie’. In sommige ziekenhuizen wordt bij uitgebreide trombose geprobeerd het stolsel zelf op te lossen.

Antistollingsmiddelen

Antistollingsmiddelen gaan uitbreiding van de trombus (het stolsel) tegen,  en helpen het ontstaan van nieuwe stolsels voorkomen.

Compressietherapie

De kans op het krijgen van posttrombotisch syndroom kan worden verminderd door compressietherapie. Met compressietherapie wordt bedoeld het tegengaan van ophoping van bloed in de bloedvaten van de benen door druk van buitenaf uit te oefenen. Dat gebeurt door het dragen van compressiekousen (steunkousen).

Compressiekousen zijn elastische kousen die zich als het ware om het onderbeen knellen. Ze worden overdag gedragen omdat bij lopen en staan het bloed door de zwaartekracht naar beneden zakt. Het onderbeen en de voet worden daardoor dikker. Vanwege de elasticiteit zullen ze meer druk uitoefenen naarmate het been dikker wordt.

Voorheen werd aangeraden om de steunkousen zo lang mogelijk te dragen. Dat betekent in ieder geval twee jaar, maar soms zelfs levenslang. Uit onderzoek is echter gebleken dat de noodzaak van het dragen van compressiekousen voor iedereen verschillend is. Sommigen kunnen na een half jaar al stoppen, anderen moeten de steunkousen veel langer dragen.

Het is aangetoond dat compressietherapie de kans op het ontstaan van complicaties vermindert. Dat betekent minder kans op het ontstaan van spataderen, en op het ontstaan van een ‘open been’.

Stolsel oplossen (trombolyse)

In sommige ziekenhuizen wordt trombose behandeld met trombolyse. Dat betekent dat het bloedstolsel – de ‘trombus’ – met behulp van een geneesmiddel wordt opgelost. Het betreffende middel – ‘trombolyticum’ genoemd – wordt door middel van een katheter direct in het stolsel gespoten. tPA (tissue plasminogen activator) is een voorbeeld van zo’n trombolyticum.

Aangenomen werd dat trombolyse zou kunnen helpen om het posttrombotisch syndroom te voorkomen. Uit onderzoek is echter gebleken dat het posttrombotisch syndroom net zo vaak voorkomt bij mensen die trombolyse kregen als bij mensen die bloedverdunners kregen.

Een nadeel van trombolyse is dat door deze behandeling bloedingen kunnen optreden.

Wat kun je zelf doen?

Verder zijn er een aantal dingen die je zelf kunt doen om de kans op het ontstaan van het posttrombotisch syndroom te verminderen.

Ten eerste is het van belang om de bloeddoorstroming in het been te bevorderen. Dat kan door ervoor te zorgen de benen regelmatig te gebruiken. Daarmee zorg je ervoor dat de beenspieren het bloed in de aders van het been als het ware omhoog masseren. Dit helpt de druk in de bloedvaten van het been laag de houden. In de praktijk betekent dat dus veel wandelen. Maar ook andere activiteiten waarbij de benen worden gebruikt helpen ophoping van bloed in de benen tegen te gaan.

Verder is het van belang om strakke kleding rond de bovenbenen te vermijden. Strakke kleding verhindert namelijk de afvloed van bloed vanuit de benen richting het hart.

Als je lang achter elkaar zit is het van belang om het been op een verhoging te leggen. Dat voorkomt ook dat bloed zich in het onderbeen en de voet ophoopt.

Wat is het beloop?

Posttrombotisch syndroom is moeilijk te genezen. Het zal vaak aanhoudend klachten geven.

Mensen met posttrombotisch syndroom hebben een verhoogde kans om spataderen te krijgen. Ook zullen ze door de slechte doorbloeding van het been sneller een ‘open been’ krijgen.

Andere talen

Engelse vertaling

post-thrombotic syndrome, postphlebitic syndrome, venous stress disorder

Duitse vertaling

Postthrombotisches Syndrom

ICD10-code

I87.0

Verder lezen / Referenties

  • S Vedantham, SZ Goldhaber ea, ‘Pharmacomechanical Catheter-Directed Thrombolysis for Deep-Vein Thrombosis’, gepubliceerd in het New England Journal of Medicine van 7 december 2017; 377(23): pagina’s 2240-2252.
  • AJ ten Cate-Hoek, ‘Posttrombotisch syndroom, is de kous af?; De rol van compressie bij preventie en behandeling’, gepubliceerd in de rubriek ‘Stand van zaken’ van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 20 mei 2015; 159: A8726.

Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 14 april 2018
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 14 april 2018

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *