Niervenetrombose

Wat is niervenetrombose?

Niervenetrombose is een aandoening waarbij een bloedstolsel (trombus) in de ader van de nier ontstaat. De nierader zorgt voor afvoer van bloed vanuit de nier via de onderste holle ader naar het hart. Door de niervenetrombose is deze afvoer belemmerd. Dit kan tot verschillende afwijkingen en klachten leiden.

Niervenetrombose werd voor het eerst beschreven in 1861 door de duitse patholoog Dr Friedrich Daniël von Recklinghausen.

eerste beschrijving niervenetrombose door Friedrich Daniel von Recklinghausen (1833-1910)
Dr Friedrich Daniël von Recklinghausen (1833-1910)

Hoe vaak komt ‘t voor?

Niervenetrombose komt niet zo vaak voor. Jaarlijks wordt deze diagnose in Nederland naar schatting 400-500 keer gesteld.

Wat is de oorzaak?

Meestal komt niervenetrombose voor bij mensen met een verhoogde bloedstolling. Het kan zijn dat de verhoogde stolling wordt veroorzaakt door een nierziekte met een zogenaamde nefrotisch syndroom. Een voorbeeld is de nierziekte membraneuze glomerulopathie. Nefrotisch syndroom verhoogt de bloedstolling.

Een stolsel in de niervene kan echter ook ontstaan doordat bijvoorbeeld een gezwel van de nier doorgroei in het bloedvat. Dit kan voorkomen bij mensen met niercelkanker (Grawitz tumor). Ook is het mogelijk dat de de ader van buitenaf wordt dichtgedrukt. Dit kan voorkomen bij mensen met retroperitoneale fibrose. De doorbloeding van de ader wordt dan belemmerd. Omdat het bloed langzamer stroomt gaat het eerder klonteren. Zo kan een stolsel in de ader ontstaan.

Andere oorzaken kunnen zijn uitdroging (dehydratie), het antifosfolipidensyndroom, de ziekte van Behçet en een niertransplantatie. Ook beschadiging van de nierader door een klap van buitenaf kan leiden tot niervenetrombose.

Symptomen niervenetrombose

Niervenetrombose hoeft niet altijd direct klachten te geven. Als dat wel zo is kunnen de onderstaande klachten optreden. Sommige klachten worden niet direct veroorzaakt door de niervenetrombose zelf, maar door de onderliggende aandoening.

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Er bestaat geen test waarmee direct de diagnose kan worden gesteld.

Bij laboratoriumonderzoek kunnen aanwijzingen worden gevonden voor een onderliggende oorzaak. De diagnose wordt meestal bevestigd met beeldvormend onderzoek. Als de onderliggende oorzaak een nefrotisch syndroom is zal vaak een nierbiopsie worden gedaan. Hiermee kan worden bepaald welke nierziekte de aandoening veroorzaakt.

Laboratoriumonderzoek

Bij bloedonderzoek kunnen afwijkingen worden gevonden die wijzen op een onderliggende oorzaak. Als de onderliggende oorzaak een nefrotisch syndroom is kan bijvoorbeeld het albumine gehalte in het bloed verlaagd zijn. Dit wordt hypalbuminemie genoemd. Als de onderliggende oorzaak een stollingsstoornis is kunnen hiervoor aanwijzingen worden gevonden.

Als de onderliggende oorzaak een nierziekte met nefrotisch syndroom is zal het eiwit gehalte in de urine verhoogd zijn. Dit wordt proteïnurie genoemd.

Andere afwijkingen die bij laboratoriumonderzoek kunnen worden gevonden zijn:

Beeldvormend onderzoek

Bij echoscopie zal de aangetaste nier vaak vergroot zijn. Dit kan echter ook bij andere aandoeningen voorkomen. Echo-doppler onderzoek kan ook bloedstromen meten. Hierbij kan de afname van de doorbloeding van de nierader soms worden gezien.

Een CT-scan met inspuiten van contrastmiddel is vaak nodig om de diagnose te kunnen stellen. Dit wordt CT-angiografie genoemd. De nier is meestal vergroot. Het contrastmiddel kan vanwege het stolsel de nierader niet vullen. Zo ontstaat een zogenaamd vullingsdefect. Ook kan met CT-scan een eventuele onderliggende oorzaak, zoals bijvoorbeeld niercelkanker, worden gezien.

Om de stralenbelasting van een CT-scan te vermijden wordt soms een MRI-scan met inspuiten van contrastmiddel gedaan.

Niervenetrombose leidt tot afsluiting van de nierader. Dat betekent dat er stuwing van bloed in de nier zal optreden. Dit leidt vaak tot zwelling van de nier. Ook zal het bloed proberen langs andere bloedvaatjes een uitweg te vinden. Als de niervenetrombose langere tijd bestaat ontstaan op die manier zogenaamde collateralen. Dat zijn kleinere bloedvaatjes die door de toegenomen doorbloeding gaan uitzetten en kronkelen. Dit is op CT-scan en MRI-scan met contrastmiddel meestal goed zichtbaar. Zie afbeelding hieronder.

niervenetrombose op MRI-scan
Bron: Roberto Schubert, Radiopaedia.org, rID: 17319

Nierbiopsie

Bij een nierbiopsie wordt een klein stukje weefsel uit de nier verwijderd. Dit wordt vervolgens door een patholoog onderzocht onder de microscoop. Aan de afwijkingen die hierbij worden gezien wordt de diagnose gesteld. De meest voorkomende onderliggende nierziekte is membraneuze glomerulopathie.

Wat is de behandeling?

Vroeger werd het bloedstolsel in de nierader vaak met een operatie verwijderd. Dit is echter een grote ingreep die regelmatig complicaties geeft. Daarom bestaat behandeling tegenwoordig meestal uit het geven van antistollingsmiddelen. Met antistollingsmiddelen zal het stolsel vaak oplossen. Bovendien wordt voorkomen dat opnieuw stolsels ontstaan.

Verder is de behandeling afhankelijk van de onderliggende oorzaak die wordt gevonden. Zo zal bij nefrotisch syndroom door een onderliggende nierziekte behandeling gericht zijn op de nierziekte en vermindering van de gevolgen van het nefrotisch syndroom. De nierziekte zelf zal bijvoorbeeld met corticosteroïden of afweeronderdrukkende middelen (immunosuppressiva) worden behandeld.

Om verlies van eiwit in de urine (proteïnurie) door het nefrotisch syndroom tegen te gaan kunnen ACE-remmers worden voorgeschreven. Ditzelfde effect geven zogenaamde angiotensine-II-receptor antagonisten.

Als de onderliggende oorzaak niercelkanker is zal de behandeling heel anders zijn. Niercelkanker zal mogelijk geopereerd worden.

Beloop en prognose

De prognose is afhankelijk van de onderliggende oorzaak en van eventuele complicaties die optreden. Het is daarom lastig om in het algemeen iets te zeggen over beloop en prognose.

Als de trombose in de nierader met succes wordt behandeld is de kans groot dat de werking van de nier zal verbeteren.

Het optreden van niervenetrombose bij mensen met kanker kan een teken zijn van uitzaaiing van de kanker. De prognose is in dat geval niet gunstig.

Bij mensen die een niertransplantatie hebben gehad kan niervenetrombose leiden tot afstoten van de nier.

Een complicatie die kan optreden bij mensen met niervenetrombose is longembolie. Hierbij komt het bloedstolsel los van de wand van de nierader. Het wordt vervolgens met de bloedstroom meegevoerd en loopt vast in de longen.

Engelse vertaling

renal vein thrombosis, RVT

ICD10-code

I82.3

Synoniemen voor niervenetrombose zijn trombose nierader, trombose van de nierader, trombose van de vena renalis, trombose V. renalis, niervenethrombose, trombose niervene, thrombose niervene


Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 15 februari 2017
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 15 februari 2017

Leave A Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *