Nierfalen

Wat is nierfalen?

Nierfalen betekent dat de nieren niet goed werken. Normaal gesproken zorgen de nieren ervoor dat afvalstoffen uit het bloed worden verwijderd. Dat gebeurt in de nierfilters (glomeruli). Bij nierfalen gebeurt dit onvoldoende. Dat kan op den duur ernstige klachten geven. Mensen met nierfalen die niet worden behandeld zullen uiteindelijk overlijden. Daarom is het van belang dat mensen met nierfalen goed worden behandeld. Als het nierfalen wordt veroorzaakt door een nierziekte gebeurt dit door een dokter die gespecialiseerd is in nieren. Zo’n dokter wordt ‘nefroloog’ genoemd.

De medische term voor nierfalen is ‘nierinsufficiëntie’. Door artsen wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen ‘acute nierinsufficiëntie’ en ‘chronische nierinsufficiëntie’. Van acute nierinsufficiëntie is sprake als het nierfalen kortdurend en van voorbijgaande aard is. Bij chronische nierinsufficiëntie is er sprake van een aanhoudend probleem met de werking van de nieren.

Hoe vaak komt ‘t voor?

Het is moeilijk om exact aan te geven hoeveel mensen per jaar nierfalen krijgen. Wel is bekend dat elk jaar zo’n 2.000 mensen aan de nierdialyse gaan. Dat betekent dat bij hen de werking van de nier zo slecht is geworden dat de functie van de nieren moet worden overgenomen door een dialyse-apparaat of door een donornier. (Bron: Nierstichting)

Oorzaken van nierfalen

De term ‘nierfalen’ betekent eigenlijk niet meer of minder dan ‘slecht werkende nieren’. Het is dus eigenlijk geen diagnose. Er zijn vele ziektebeelden die nierfalen kunnen veroorzaken. Dat kunnen ziekten van de nieren zelf zijn, maar het kan ook dat de nieren onvoldoende bloed krijgen om goed te werken. Dat kan het geval zijn bij bijvoorbeeld shock. Ook een belemmering van de het uitplassen van de urine kan leiden tot slecht werkende nieren doordat nierstuwing ontstaat. Al met al zijn er dus vele verschillende oorzaken voor nierfalen.

Vaak is er sprake van een combinatie van oorzaken, bijv. suikerziekte, overgewicht en hoge bloeddruk. Het gelijktijdig gebruik van bepaalde geneesmiddelen (plaspillen, ACE-remmers) kan daarbij ook nog helpen om de nierfunctie te verminderen. Minder vaak voorkomende oorzaken zijn:

  • dubbelzijdige waterzaknier (hydronefrose) bij een vergrote prostaat
  • gebruik van NSAID’s
  • cholesterol embolieën in de nieren
  • gebruik van antikankermiddelen (chemotherapie)
  • aangeboren afwijking van de nieren, bijv. cystenieren

Onderaan deze webpagina staat een uitgebreide lijst van mogelijke oorzaken van een achteruitgang van de werking van de nieren. Pas bij een sterke achteruitgang wordt gesproken van nierfalen.

Symptomen nierfalen

Niet iedereen met slecht werkende nieren hoeft direct klachten te hebben. Als de aandoening langer bestaat kunnen de volgende klachten optreden:

  • moeheid – 55%
  • lusteloos – 35%
  • minder plassen – 35%
  • misselijk – 32%
  • lage bloeddruk – 27%
  • bleek gezicht – 25%
  • ‘s nachts plassen – 25%
  • droge mond – 23%
  • droge tong – 23%
  • afvallen – 21%
  • lichtgekleurde urine – 21%
  • moeite met plassen – 21%
  • dorst – 20%
  • geen trek in eten – 20%
  • snelle hartslag – 20%
  • donkere urine – 17%
  • spierkrampen – 17%
  • hik – 17%
  • niet kunnen plassen – 15%
  • slaperigheid – 15%
  • slecht slapen – 15%
  • vergeetachtig – 15%
  • verward – 15%
  • dikke enkels – 14%
  • dikke voeten – 14%
  • schuimende urine – 13%
  • braken – 13%
  • bloed in de urine – 12%
  • donkere verkleuring van de huid – 12%
  • roze of rode urine – 12%
  • veel plassen – 12%
  • vaak plassen – 12%
  • buikpijn – 10%
  • duizeligheid – 10%
  • hoge bloeddruk – 10%
  • moeite met concentreren – 10%
  • pijn in de zij – 10%
  • witte streepjes op de nagels – 10%
  • vieze smaak – 10%
  • dikke wenkbrauwen – 9%
  • hartkloppingen – 8%
  • jeuk – 7%
  • minder kracht – 7%
  • kortademigheid – 6%
  • opgezwollen gezicht – 4%
  • dikke benen – 4%
  • diarree – 4%
  • dikke handen – 4%
  • flapperen met de handen – 3%
  • gedragsverandering – 3%
  • droge huid – 2%
  • geen zin in seks – 2%

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Laboratoriumonderzoek

Voor het stellen van de diagnose zijn onderzoek van bloed en urine van belang.

Bloedonderzoek

Stofjes in het bloed die normaal gesproken door de nieren worden uitgescheiden in de urine blijven in het bloed zitten. Dat leidt tot een verhoogd gehalte van dergelijke stofjes, waaronder creatinine en ureum. Bij iemand met slecht werkende nieren zullen dus het creatinine gehalte en het ureum gehalte verhoogd zijn.

In de nieren wordt het hormoon erytropoëtine aangemaakt. Dat is een hormoon dat in het beenmerg de ontwikkeling van rode bloedcellen bevordert. Mensen met slecht werkende nieren maken onvoldoende erytropoëtine aan. Daardoor hebben ze een tekort aan rode bloedcellen. Dat leidt tot bloedarmoede (anemie).

De zogenaamde ‘anion gap‘ kan verhoogd zijn bij mensen met slecht werkende nieren.

Urineonderzoek

Tekst volgt.

Behandeling nierfalen

De behandeling is in eerste instantie afhankelijk van de onderliggende oorzaak. Als de nierfunctie sterk achteruit gaat kan het nodig zijn zogenaamde ‘nierfunctievervangende therapie’ toe te passen. Dit betekent dat de werking van de nieren wordt overgenomen door een kunstnier (nierdialyse) of door een nieuwe nier (niertransplantatie).

Behandeling bloedarmoede bij nierfalen

De bloedarmoede bij nierfalen wordt meestal behandeld met medicijnen die de werking van erytropoëtine nabootsen. De meest gebruikte middelen bevatten epoëtine. Deze middelen worden met een injectie onder de huid toegediend. Voorbeelden van dergelijke middelen zijn darbepoëtine-alfa (Aranesp) en Eprex (epoëtine-alfa).

Aranesp injectiespuit met darbepoëtine alfa variant van epoëtine voor behandeling bloedarmoede bij nierfalen
Aranesp injectiespuit

Lijst met oorzaken van slecht werkende nieren

Hieronder een uitgebreide lijst van oorzaken van het achteruitgaan van de werking van de nieren. Het getal achter de oorzaak geeft een schatting van het aantal mensen dat jaarlijks in Nederland vanwege die oorzaak slechter werkende nieren krijgt.

  • dubbelzijdige waterzaknier (bilaterale hydronefrose) – 13.200
  • nierziekte door suikerziekte (diabetische nefropathie) – 7.976
  • zwangerschap (graviditeit) – 4.200
  • hartaanval (myocardinfarct) – 3.075
  • vergrote prostaat (benigne prostaathypertrofie) – 2.250
  • diabetes type 2 – 1.500
  • hoge bloeddruk (essentiële hypertensie) – 1.155
  • niersteen (nefrolithiasis) – 1.080
  • goedaardig gezwel van de bijschildklier (bijschildklieradenoom) – 540
  • te snel werkende bijschildklier (hyperparathyreoïdie) – 520
  • maligne hypertensie – 510
  • vetpropjes die vastlopen in de bloedvaten (cholesterol embolieën) – 478
  • chronische nierbekkenontsteking (chronische pyelonefritis) – 375
  • gebruik van ibuprofen (Brufen) – 296
  • diabetes type 1 – 293
  • overdosis paracetamol (paracetamol-intoxicatie) – 263
  • boezemflutter (atriumflutter) – 228
  • gebruik van doxorubicine – 225
  • afsterven van nierpapillen (nierpapilnecrose) – 216
  • diabetisch hyperosmolair hyperglycemisch coma – 210
  • gebruik van NeoRecormon (epoëtine bèta) – 203
  • aantasting van het hart door hoge bloeddruk (hypertensieve hartziekte) – 180
  • hemolytisch uremisch syndroom (typische HUS) – 180
  • chronische interstitiële nefritis – 175
  • nierziekte door NSAID’s (NSAID nefropathie) – 168
  • vernauwing van de aortaklep (aortakleptstenose) – 165
  • erfelijke cystenieren (dominant overerfbaar) (hereditaire cystenieren (autosomaal dominant)) – 150
  • ernstige warmtestuwing (hitteberoerte) – 150
  • gebruik van cisplatina – 144
  • spierafbraak (rabdomyolyse) – 144
  • trombose van de nierader (niervenetrombose) – 144
  • verhoogde druk in de longslagader veroorzaakt door andere ziekte (secundaire pulmonale hypertensie) – 144
  • ontsteking van de nieren bij SLE (lupus nefritis) – 134
  • ziekte van Kahler (multipel myeloom) – 125
  • ziekte van Henoch-Schönlein (purpura van Henoch-Schönlein) – 125
  • viskruikinfarct (takotsubo cardiomyopathie) – 124
  • zwangerschapsvergiftiging (pre-eclampsie) – 117
  • goedaardige monoklonale gammopathie (monoclonal gammopathy of undetermined significance) – 105
  • overdosis lithium (lithiumintoxicatie) – 90
  • gebruik van vancomycine (Vancocin) – 75
  • buitenbaarmoederlijke zwangerschap (extra-uteriene graviditeit) – 74
  • syndroom van Wolff-Parkinson-White – 73
  • nierbekkenontsteking (acute pyelonefritis) – 68
  • ontsteking van de alvleesklier (acute pancreatitis) – 68
  • cocaïne overdosis (cocaïne intoxicatie) – 66
  • ziekte van Berger (IgA nefropathie) – 65
  • vernauwing van de overgang van nierbekken naar urineleider (UPJ-stenose) – 64
  • primaire amyloïdose – 58
  • gebruik van anabole steroïden – 56
  • gebruik van Cibacen (benazepril) – 55
  • ontsteking van het hartzakje door bacterie (bacteriële pericarditis) – 54
  • etternier (pyonefrose) – 53
  • antivriesvergiftiging (ethyleenglycolintoxicatie) – 49
  • membraneuze glomerulonefritis (membraneuze glomerulonefritis) – 48
  • ziekte van Kawasaki (mucocutaan lymfklier syndroom) – 47
  • gebruik van methotrexaat – 46
  • gebruik van sulfamethoxazol met trimethoprim (Co-trimoxazol, Bactrimel) – 46
  • toxische-shocksyndroom (toxic shock syndrome) – 45
  • vitamine B1-tekort (thiaminedeficiëntie) – 43
  • verstijving van de hartspier (restrictieve cardiomyopathie) – 43
  • cast-nefropathie – 42
  • HELLP-syndroom – 40
  • ziekte van Wegener (granulomatose met polyangiitis) – 39
  • melk-alkali syndroom – 38
  • tumor lysis syndroom – 38
  • azijnzuurvergiftiging (azijnzuurintoxicatie) – 36
  • syndroom van Potter – 36
  • katatonie – 36
  • ziekte van Moschcowitz (trombotische trombocytopenische purpura) – 32
  • atypisch hemolytisch uremisch syndroom (atypische HUS) – 32
  • voorkomen van hemoglobine in de urine na langdurig lopen of hardlopen (inspanningsgebonden hemoglobinurie) – 30
  • microscopische polyangiitis – 28
  • polyarteritis nodosa  – 28
  • malaria – 27
  • methotrexaat overdosering (methotrexaatintoxicatie) – 27
  • gebruik van Avastin (bevacizumab) – 26
  • syndroom van Sjögren (primair Sjögren-syndroom) – 24
  • gebruik van penicillamine – 23
  • hemolytisch uremisch syndroom (volwassen vorm) – 23
  • splijting van de wand van de grote lichaamsslagader (dissectie van de aorta) – 21
  • compartimentsyndroom van de buik (abdominaal compartimentsyndroom) – 20
  • gebruik van gentamicine – 20
  • syndroom van Eisenmenger – 19
  • stoppen met het gebruik van GHB (GHB-onthoudingssyndroom) – 18
  • kwikvergiftiging (kwikintoxicatie) – 18
  • verzuring door ophoping van melkzuur (lactaatacidose) – 18
  • ziekte van Behçet – 17
  • bacillaire dysenterie (shigellose) – 16
  • bindweefselvorming achter het buikvlies (retroperitoneale fibrose) – 16
  • minimal change disease – 15
  • MELAS-syndroom – 14
  • gebruik van Xarelto (rivaroxaban) – 14
  • syndroom van Alport – 13
  • Middellandse zeekoorts (familiaire mediterrane koorts) – 13
  • MIDD-type diabetes (maternally inherited diabetes and deafness) – 13
  • overdosis XTC (ecstasy intoxicatie) – 12
  • ovariële hyperstimulatiesyndroom – 12
  • kalkneerslag in de nieren (nefrocalcinose) – 10
  • necrotiserende pancreatitis – 10
  • cannabis emesis syndroom – 10
  • gebruik van Entresto (sacubitril + valsartan) – 10
  • serumziekte door geneesmiddelen – 9
  • hantavirus-infectie – 9
  • ziekte van Weil (leptospirose) – 8
  • gebruik van propofol (Diprivan) – 8
  • gebruik van valproïnezuur (Depakine, Convulex) – 8
  • gebruik van levofloxacine tabletten (gebruik van levofloxacine tabletten) – 8
  • infectie in het hart (infectieuze endocarditis) – 7
  • eclampsie (eclampsie) – 7
  • afbraak van rode bloedcellen door geneesmiddelen (auto-immuun hemolytische anemie door geneesmiddelen) – 7
  • compartimentsyndroom van het onderbeen (compartimentsyndroom van het onderbeen) – 7
  • verstopping van de leveraderen (hepatische veno-occlusieve ziekte) – 7
  • IgD-multipel myeloom (IgD-multipel myeloom) – 7
  • antifosfolipidensyndroom (antifosfolipidensyndroom) – 6
  • carcinoïd (carcinoïd) – 6
  • gebruik van colchicine (gebruik van colchicine) – 6
  • gebruik van candesartan (Atacand) (gebruik van candesartan (Atacand)) – 6
  • kleppen in de plasbuis (urethrakleppen) – 5
  • overdosis acetylsalicylzuur (salicylaatintoxicatie) – 5
  • ziekte van Fabry (alfa-galactosidase A deficiëntie) – 5
  • bijschildklierkanker (bijschildkliercarcinoom) – 5
  • blootstelling van het ongeboren kind aan ACE-remmers (intra-uteriene expositie aan ACE-remmers) – 5
  • gebruik van tacrolimus (Prograf) – 5
  • gebruik van triamtereen (Dytac) – 5
  • tekort aan fosfaat in het bloed (hypofosfatemie) – 5
  • gebruik van Adenuric® (febuxostat) – 5
  • syndroom van Goodpasture – 4
  • erythroblastosis foetalis – 4
  • familiaire amyloïdose van de nier (familiaire renale amyloïdose) – 4
  • idiopathische aanvalsgewijze myoglobinurie (idiopathische paroxismale myoglobinurie) – 4
  • aanvalsgewijze koude hemoglobinurie (paroxismale koude hemoglobinurie) – 4
  • light chain deposition disease – 4
  • sikkelcelziekte (sikkelcelanemie) – 4
  • syndroom van Churg-Strauss – 4
  • sclerodermie (systemische sclerose) – 4
  • vernauwing van de mitraalklep (mitralisstenose) – 3
  • crush syndroom – 3
  • trisomie 14 – 3
  • aluminiumvergiftiging (aluminiumintoxicatie) – 3
  • paddenstoelvergiftiging – 3
  • BOR syndroom (branchio-oto-renaal syndroom) – 3
  • aangeboren vernauwing van de grote lichaamsslagader (coarctatio aortae) – 3
  • ziekte van Dent 1 (X-gebonden hypercalciurische nefrolithiasis door een mutatie in het CLCN-5 gen) – 3
  • overdosis colchicine – 3
  • DRESS-syndroom – 3
  • gebruik van voriconazol (Vfend) – 3
  • vergiftiging met tetrachloorkoolstof (tetrachloormethaanintoxicatie) – 2
  • strychninevergiftiging (strychnine-intoxicatie) – 2
  • tropische malaria (malaria door Plasmodium falciparum) – 2
  • salicylaat vergiftiging (acute salicylaat intoxicatie) – 2
  • beschadiging van het ruggenmerg (ruggenmergletsel) – 2
  • gebruik van gabapentine – 2
  • syndroom van Bardet-Biedl – 2
  • asbestziekte (asbestose) – 2
  • blaasschistosomiasis – 2
  • gebruik van rituximab (MabThera) – 2
  • ATRA syndroom – 2
  • syndroom van Lemierre – 2
  • syndroom van Fanconi – 1,5
  • niercrisis bij sclerodermie (renale crise bij systemische sclerose) – 1,4
  • ziekte van Dent 2 (X-gebonden hypercalciurische nefrolithiasis door een mutatie in het OCRL1-gen) – 1,3
  • syndroom van Williams (idiopathische infantiele hypercalciëmie) – 1,2
  • HSE-syndroom (hemorragische shock encefalopathie-syndroom) – 1,2
  • macrofagenactivatiesyndroom – 1,2
  • spierabcessen (pyomyositis) – 1,1
  • nagel-patella syndroom (hereditaire onycho-osteodysplasie) – 1,1
  • methylmalonzuur in het bloed (methylmalonacidemie) – 1,1
  • hart met onderontwikkelde linker kamer (hypoplastisch linkerhart syndroom) – 1,1
  • verbindweefseling van het spierweefsel van het hart (endomyocardiale fibrose) – 1,1
  • gebruik van pregabaline (Lyrica) – 1,1
  • cryoglobulinemie type II – 1,0
  • koolmonoxidevergiftiging (acute koolmonoxideintoxicatie) – 1,0
  • ziekte van Rendu-Osler-Weber (hereditaire hemorrhagische teleangiëctasie) – 1,0
  • syndroom van Denys-Drash – 0,9
  • primaire hyperoxalurie – 0,9
  • syndroom van Heyde – 0,8
  • ziekte van Chagas – 0,8
  • Rocky Mountain spotted fever – 0,8
  • vergiftiging met fenol (fenol intoxicatie) – 0,8
  • thyreotoxische crisis – 0,8
  • chronisch lijmsnuiven – 0,8
  • cryoglobulinemie type III – 0,8
  • ziekte van Keshan – 0,8
  • gebruik van levofloxacine infusievloeistof – 0,8
  • syndroom van Frasier – 0,7
  • adolescente nefronoftise – 0,6
  • infantiele nefronoftise – 0,6
  • juveniele nefronoftise – 0,6
  • nefronoftise – 0,6
  • gebruik van piroxicam – 0,6
  • syndroom van Kearns-Sayre – 0,6
  • vergiftiging met kamfer (kamferintoxicatie) – 0,6
  • gebruik van Zyvoxid (linezolid) – 0,6
  • syndroom van Jeune – 0,6
  • MERS (MERS-CoV infectie) – 0,5
  • spierdystrofie van Duchenne (musculaire dystrofie van Duchenne) – 0,5
  • galactosemie (klassieke galactosemie) – 0,5
  • aangeboren tekort aan carnitine (primaire carnitinedeficiëntie) – 0,5
  • darmschistosomiasis (intestinale schistosomiasis) – 0,5
  • gebruik van Cymevene (ganciclovir) – 0,5
  • maligne antipsychoticasyndroom – 0,4
  • tekort aan het enzym N-acetylglutamaatsynthetase (NAGS-deficiëntie) – 0,4
  • babesiose – 0,4
  • blikseminslag – 0,4
  • plasmacel leukemie – 0,4
  • cadmiumvergiftiging (cadmiumintoxicatie) – 0,4
  • erfelijke amyloïdose van de nier (hereditaire renale amyloïdose) – 0,3
  • tyrosinemie type I – 0,3
  • refeeding-syndroom – 0,3
  • syndroom van Muckle-Wells – 0,3
  • syndroom van Ochoa (urofaciaal syndroom) – 0,3
  • Afrikaanse slaapziekte (trypanosomiasis) – 0,3
  • CREST-syndroom (limited cutaneous sclerosis) – 0,3
  • gebruik van Bosulif (bosutinib) – 0,3
  • WAGR-syndroom – 0,3
  • ehrlichiose (humane monocytaire ehrlichiose) – 0,2
  • syndroom van Liddle – 0,2
  • lymfeklierkanker in de bloedvaten (intravasculair lymfoom) – 0,2
  • loopgravenkoorts (infectie met Bartonella quintana) – 0,2
  • endemische vlektyfus – 0,2
  • mijnworminfectie (ancylostomiasis) – 0,2
  • Ebola koorts (Ebola hemorrhagische koorts) – 0,2
  • congenitaal lymfoedeem, hypoparathyroïdisme, nefropathie, prolapsing mitralisklep en brachytelefalangie-syndroom – 0,2
  • syndroom van Ivemark I (reno-hepato-pancreatische dysplasie) – 0,2
  • geslachtsgebonden sideroblastaire anemie (X-gebonden sideroblastaire anemie) – 0,2
  • primair verworven sideroblastaire anemie – 0,2
  • sideroblastaire anemie – 0,2
  • syndroom van Lowe (oculocerebrorenaal syndroom) – 0,2
  • goudvergiftiging (goudintoxicatie) – 0,2
  • lassakoorts – 0,2
  • syndroom van Senior–Løken type 5 – 0,2
  • aangeboren herpesinfectie (congenitale herpes) – 0,2
  • erfelijke fructose-intolerantie (hereditaire fructose-intolerantie) – 0,2
  • hypofosfatasie – vroeg-infantiele vorm (hypofosfatasie – vroeg-infantiele vorm) – 0,2
  • syndroom van Lesch-Nyhan – 0,2
  • ophoping van het aminozuur cystine in de cellen (cystinose) – 0,1
  • ziekte van McArdle (glycogeenstapelingsziekte type V) – 0,1
  • verlaagd calcium gehalte door een erfelijke afwijking (autosomal dominant hypocalcemia) – 0,1
  • IgM nefropathie – 0,1
  • tekort aan het enzym adenine fosforibosyltransferase (adenine fosforibosyltransferase deficiëntie) – 0,1
  • vergiftiging met ricine (orale ricine intoxicatie) – 0,1
  • syndroom van Wolcott–Rallison – 0,1
  • loiasis – 0,1
  • syndroom van Sensenbrenner – 0,1
  • HHN (hypomagnesiëmie met hypercalciurie en nefrocalcinose) – 0,1
  • syndroom van Alström – 0,1
  • gedeeltelijk tekort aan het enzym lecithine cholesterol acyltransferase (partiële lecithine cholesterol acyltransferase deficiëntie) – 0,1
  • VIPoom – 0,1
  • gebruik van Yervoy (ipilimumab) – 0,1
  • koortsaanvallen na tekenbeet (febris recurrens door Borrelia recurrentis) – 0,1
  • syndroom van Fraser – 0,1
  • koortsaanvallen na luizenbeet (febris recurrens door Borrelia duttoni) – 0,1
  • tekort aan het enzym galactose epimerase (galactose epimerase deficiëntie) – 0,1
  • GAPO syndroom – 0,1
  • syndroom van Alagille – 0,1
  • hart met drie boezems (cor triatriatum) – 0,1
  • syndroom van Cayler – 0,1
  • syndroom van Leigh – 0,1
  • tekort aan het enzym lecithine cholesterol acyltransferase (lecithine cholesterol acyltransferase deficiëntie) – 0,05
  • syndroom van Goldberg (galactosialidose) – 0,05
  • gebruik van Vibativ (telavancine) – 0,04
  • apenmalaria (Plasmodium knowlesi infectie) – 0,03
  • syndroom van Axenfeld-Rieger – 0,02
  • syndroom van Barth (3-methylglutaconacidurie type 2) – 0,02
  • Brazilian purpuric fever – 0,01
  • syndroom van Bartter – 0,01
  • ziekte van Tarui – late vorm (glycogeenstapelingsziekte type VII – late vorm) – 0,01
  • gele koorts – 0,002

Engelse vertaling

renal failure, renal insufficiency

Synoniemen van nierfalen zijn nierinsufficiëntie en renale insufficiëntie


Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 24 oktober 2014
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 4 februari 2017

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *