longembolie - stroomdiagram voor diagnostiek longembolie

Longembolie

Wat is een longembolie?

Een longembolie is een aandoening waarbij een bloedstolsel vastloopt in een slagader in de long. Het stolsel ontstaat in een bloedvat elders in het lichaam, meestal in het been. Daar laat het los en wordt vervolgens met de bloedstroom meegevoerd naar de longen. Daar loopt het stolsel vast in één van de slagaders van de long. Doordat het stolsel de bloedtoevoer naar een deel van de long belemmert kunnen klachten optreden.

Longembolie

Hoe vaak komt ‘t voor?

Longembolie is een redelijk vaak voorkomende aandoening. Per jaar krijgen naar schatting ruim 15 duizend mensen in Nederland een longembolie.

Bij wie komt ‘t voor?

Iedereen kan een longembolie krijgen maar de aandoening komt vooral voor bij ouderen en bij mensen die langere tijd bedlegerig zijn of stilgezeten hebben. Door inactiviteit is de kans op het krijgen van een trombosebeen verhoogd. Een trombosebeen is meestal de oorsprong van het stolsel van een longembolie.

Oorzaken longembolie

De aandoening wordt veroorzaakt doordat elders in het lichaam een bloedprop (stolsel) is ontstaan. Dat wordt trombose genoemd. De oorzaken van longembolie zijn daarom dezelfde als de oorzaken voor trombose.

Bloed stroomt onvoldoende door

Bloed dat goed doorstroomt zal minder snel stollen. Als het bloed niet goed doorstroomt zal sneller trombose ontstaan. Dat gebeurt bijvoorbeeld als je onvoldoende beweegt. Door te lopen en de beenspieren te gebruiken wordt bloed als het ware vanuit de benen richting het hart gepompt.

Bij mensen die gedurende langere tijd niet of weinig lopen zal het bloed minder snel vanuit de benen naar het hart stromen. Dan kan het bloed in de bloedvaten gaan stollen en ontstaat een trombosebeen. Dit kan dus voorkomen bij mensen die bedlegerig zijn, bijvoorbeeld vanwege een chronische ziekte of na een operatie.

Heel soms komt het voor bij mensen die een lange intercontinentale vliegreis maken. Doordat ze langere tijd stilzitten in een krappe vliegtuigstoel kan het bloed in de benen gaan stollen.

Bloed is dikker dan normaal

Hoe stroperiger het bloed, des te langzamer het stroomt en hoe groter de kans op trombose. Bloed kan indikken als er minder bloedplasma (vocht) in de bloedvaten zit. Dat kan bijvoorbeeld voorkomen bij uitdroging (dehydratie).

Een andere reden dat bloed stroperiger wordt is als het aantal bloedcellen toeneemt. Dat komt voor bij de ziekte polycytemie, maar bijvoorbeeld ook bij bloedkanker (leukemie). Een andere reden kan zijn het gebruik van bepaalde geneesmiddelen die de aanmaak van rode bloedcellen bevorderen, zoals erytropoietine (EPO).

Stollingsafwijkingen

Afwijkingen van de bloedstolling kunnen aanleiding geven tot het ontstaan van trombose. Voorbeelden van aandoeningen waarbij het bloed sneller stolt zijn een tekort aan proteine C (proteine C-deficientie), tekort aan proteine S (proteine S-deficientie).

Risicofactoren

Risicofactoren voor het krijgen van longembolieën zijn:

  • botbreuken, vooral:
    • gebroken heup
    • gebroken bovenbeen
    • gebroken bekken
  • grote operatie
  • grote verwonding, bijvoorbeeld na verkeersongeval
  • kanker
  • verlamming, bijvoorbeeld ten gevolge van een dwarslesie
  • gebruik van de anticonceptiepil: risico wordt versterkt door roken
  • overgewicht
  • inactiviteit / bedlegerigheid
  • zwangerschap

Daarnaast is er nog een aantal aandoeningen en omstandigheden waarbij longembolieën kunnen voorkomen. Het getal achter elke oorzaak geeft een schatting van het aantal mensen dat jaarlijks in Nederland vanwege die oorzaak een longembolie krijgt.

  • trombose – >10.000
    • trombosebeen (diepe veneuze trombose van het been)
    • oppervlakkige trombose van een ader in het onderbeen (tromboflebitis van het onderbeen)
    • trombose van de arm (diepe veneuze trombose van de arm)
    • oppervlakkige trombose van een ader in het bovenbeen (tromboflebitis van het bovenbeen)
    • bloedprop in een ader in het bekken (bekkenvenetrombose)
    • trombose van de nierader (niervenetrombose)
    • trombose van de ader van de eierstok (V. ovarica trombose)
    • bloedstolsel in de rechterboezem van het hart (trombose in het rechter atrium) – 160
  • protrombine G20210A mutatie – 135
  • tekort aan proteïne-C (proteïne-C-deficiëntie) – 90
  • tekort aan proteïne-S (proteïne-S-deficiëntie) – 90
  • ruggenmerginfarct – 23
  • gebruik van Avastin (bevacizumab) – 16
  • verwijding van de ader in de knieholte (aneurysma van de V. poplitea) – 12
  • katatonie – 11
  • phlegmasia cerulea dolens – 10
  • erfelijke hyperhomocysteïnemie (hereditaire hyperhomocysteïnemie) – 7
  • antifosfolipidensyndroom – 7
  • syndroom van Lemierre – 6
  • ziekte van Lyell (toxische epidermale necrolyse) – 4
  • gebruik van Certican (everolimus) – 4
  • gebruik van lenalidomide (Revlimid) – 2
  • gebruik van oestrogeen met desogestrel (Marvelon) – 2
  • ziekte van Mondor – 1,5
  • gebruik van Humira (adalimumab) – 1,4
  • gebruik van memantine (Ebixa, Nemdatine en merkloos) – 1,1
  • homocystinurie – 1,0
  • bindweefselvorming achter het buikvlies (retroperitoneale fibrose) – 0,7
  • syndroom van Klippel-Trénaunay – 0,6
  • gebruik van tamoxifen – 0,6
  • gebruik van NeoRecormon (epoëtine bèta) – 0,6
  • gebruik van Aranesp (darbepoetin alfa) – 0,5
  • gebruik van Pregnyl (HCG) – 0,3
  • lekkage van cement na opvullen van ingezakte wervel (cementlekkage na vertebroplastiek of kyfoplastiek) – 0,3
  • volwassen T-cel leukemie/lymfoom – acute vorm – 0,2
  • chirurgische verwijdering van de maag (gastrectomie) – 0,2
  • gebruik van Rapamune (sirolimus) – 0,2
  • gebruik van etacrynezuur (Edecrin) – 0,06
  • tekort aan stollingsfactor XII (factor XII deficiëntie) – 0,06
  • gebruik van Victrelis (boceprevir) – 0,04
  • gebruik van parecoxib (Dynastat) – 0,04
  • gebruik van Yasmin – 0,02

Longembolie en vliegen

Er is een verband tussen het maken van een lange vliegreis en het voorkomen van longembolie. Het risico op het krijgen van een longembolie tijdens een lange vliegreis is vooral verhoogd bij mensen die al een andere risicofactor hebben voor trombose/embolie. Dat geldt dus bijvoorbeeld voor mensen met een aangeboren stollingsstoornis, en voor vrouwen die de anticonceptiepil gebruiken.

De absolute kans dat iemand met een verhoogd risico een longembolie krijgt tijdens een lange vlucht is nog steeds heel klein.

Symptomen longembolie

De volgende klachten kunnen optreden bij patienten met een longembolie. Het percentage dat achter de symptomen vermeld staat geeft aan bij hoeveel van de patienten de klacht aanwezig is. Sommige klachten hebben geen betrekking op de longembolie zelf maar op de onderliggende aandoening, namelijk een trombosebeen.

Longembolie (pulmonale embolie)
Longembolie (bron: thrombosisadviser.com)

Op de afbeelding is te zien hoe een bloedstolsel vanuit het been (onder) via het hart in de longslagader terecht komt. Daar loopt het stolsel vast en veroorzaakt een onderbreking van de doorbloeding van een deel van de long (rode gedeelte in de long).

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Bij het stellen van de diagnose spelen de symptomen, het lichamelijk onderzoek, bloedonderzoek en beeldvormend onderzoek een rol. Ook kan een hartfilmpje helpen bij het stellen van de diagnose.

Vraaggesprek met de patiënt

Tijdens het vraaggesprek met de patiënt zal de arts achterhalen welke symptomen er zijn. Die kunnen soms een aanwijzing geven voor de diagnose. De meeste symptomen kunnen echter ook bij andere aandoeningen voorkomen.

Naast klachten zal de arts ook vragen naar risicofactoren voor trombose en embolie.

Lichamelijk onderzoek

  • Bij lichamelijk onderzoek door de arts valt het op dat de patient met longembolie vaak snel ademt.
  • Als de arts tegelijkertijd aanwijzingen vindt voor het bestaan van een trombosebeen – een rood gezwollen en pijnlijk (onder)been – dan zal aanvullend onderzoek worden gedaan naar longembolie.
  • Soms is er sprake van cyanose: een blauwpaarse verkleuring van vooral de lippen en de tong door een verlaagd zuurstof gehalte in het bloed.

Bloedonderzoek

  • Bij mensen met trombose en embolie is het gehalte aan d-dimeren in het bloed verhoogd. D-dimeren zijn stofjes die vrijkomen bij de afbraak van een bloedstolsel.
  • Als door de longembolie een flink deel van de long niet wordt doorbloed zal ter plekke geen zuurstof kunnen worden opgenomen. Daardoor kan het zuurstof gehalte in het slagaderlijk bloed verlaagd zijn. Het koolzuur gehalte van het bloed loopt dan vaak op. Dit wordt ‘hypercapnie‘ genoemd.

Beeldvormend onderzoek

  • Op een röntgenfoto van de borstkas zijn vaak géén afwijkingen zichtbaar. Bij een patiënt met longklachten zonder afwijkingen op de röntgenfoto moet dus gedacht worden aan de mogelijkheid van een longembolie. Bij veel andere aandoeningen die longklachten geven zijn namelijk wél afwijkingen zichtbaar op de longfoto.
  • Op een CT-scan van de borstkas is een longembolie meestal goed zichtbaar. Dit onderzoek wordt tegenwoordig gedaan om de diagnose te bevestigen.
  • Als de CT-scan geen duidelijkheid geeft kan een zogenaamde perfusiescan worden gedaan. Hierbij wordt een radioactieve stof in de bloedbaan gespoten. Het deel van de long dat afgesloten is van bloedvoorziening (door het stolsel) is dan te zien als een uitsparing op de scanfoto die vervolgens wordt gemaakt.
  • De ‘gouden standaard’ voor het vaststellen van longembolieën is angiografie van de longslagader (pulmonalisangiografie). Echter, omdat hierbij contrastvloeistof moet worden ingespoten wordt dit onderzoek niet vaak gedaan.

Onderzoek naar trombosebeen

Als bij iemand een longembolie wordt vastgesteld zal de arts altijd nagaan waar het bloedstolsel vandaan komt. Omdat de oorsprong van het bloedstolsel vaak een trombosebeen is zullen de benen dus ook nagekeken worden.

Electrocardiogram (ECG)

Op een ECG – ook wel ‘hartfilmpje’ genoemd – zijn vaak afwijkingen zichtbaar die op een longembolie wijzen. Doordat het stolsel de doorbloeding van (een deel van) de long belemmert zal het hart de neiging hebben om harder te gaan pompen. Het gaat dan om de rechterkamer van het hart. Vanuit de rechterkamer wordt namelijk bloed in de longslagader gepompt. De druk in de rechterkamer kan flink toenemen bij een grote longembolie. De wand tussen rechterkamer en linkerkamer zal door de verhoogde druk in de rechterkamer naar links worden gedrukt. Dit kan op het ECG worden waargenomen.

Beslisregels bij verdenking longembolie

Tegenwoordig maken huisartsen vaak gebruik van beslisregels. Hierbij worden bepaalde vragen gesteld en wordt gekeken naar afwijkingen bij lichamelijk onderzoek. Op grond van een puntensysteem wordt vervolgens ingeschat wat de kans is dat iemand een longembolie heeft. Als die kans serieus aanwezig is wordt aanvullend onderzoek gedaan.

Hieronder de veel gebruikte beslisregels volgens Wells. De arts kent punten toe als een kenmerk aanwezig is. Bij een score van 4 of lager is een longembolie onwaarschijnlijk. Bij een score van boven de 4 is een longembolie waarschijnlijk.

longembolie - beslisregels volgens Wells bij verdenking op longembolie

Met de score van Wells worden verdere stappen genomen om de diagnose longembolie te bevestigen, dan wel te verwerpen. Dat kan aan de hand van een beslisschema. Zie afbeelding hieronder.

longembolie - stroomdiagram voor diagnostiek longembolie

Behandeling longembolie

De behandeling van longembolie is erop gericht dat het bloedstolsel niet verder in grootte toeneemt. Dit gebeurt met geneesmiddelen die de bloedstolling tegengaan. Er zijn twee groepen geneesmiddelen die hiervoor gebruikt worden: heparines en coumarine-achtige middelen.

Antistollingsmiddelen

Mensen met een longembolie worden behandeld met antistollingsmiddelen. De behandeling wordt meestal 3-6 maanden voortgezet.

Heparines

Heparines zijn een bepaald soort geneesmiddelen die het samenklonteren van bloed belemmeren. Ze worden gebruikt bij de behandeling van trombose en embolie omdat ze belemmeren dat de trombus (het stolsel) groter wordt. Deze middelen worden direct in de bloedbaan of onderhuids gespoten. Voorbeelden zijn het oorspronkelijke heparine en nieuwere middelen zoals nadroparine en enoxaparine.

enoxaparine subcutane injectie bij de behandeling van trombose en longembolie
enoxaparine subcutane injectie voor de behandeling van trombose en longembolie (bron: Mattes)

Coumarine-achtige middelen

Coumarine-achtige middelen zijn geneesmiddelen die de aanmaak van een bloedstolsel tegengaan. Ze worden geslikt als tabletten. Voorbeelden zijn marcoumar en acenocoumarol. Deze middelen moeten altijd langere tijd gebruikt worden. Om de juiste dosering te bepalen moet af en toe bloed geprikt worden.

Pijnstillers

Longembolie kan flinke pijnklachten in de borstkas veroorzaken. Deze pijn kan in eerste instantie het best met paracetamol behandeld worden. Als paracetamol niet helpt zijn zwaardere pijnstillers nodig.

Toediening van extra zuurstof

Bij een grote longembolie wordt een flink stuk van de long niet of onvoldoende doorbloed. Op die plek kan geen zuurstof meer worden opgenomen in het bloed waardoor het zuurstof gehalte in het bloed daalt. Bij een flinke daling van het zuurstof gehalte zal zuurstof via een slangetje in de neus worden toegediend.

Verwijderen van het stolsel door een operatie

In ernstige levensbedreigende gevallen kan besloten worden het bloedstolsel door middel van een operatie te verwijderen. Dit is een grote ingreep die zelf ook niet zonder risico’s is.

Beloop en prognose

Longembolieën kunnen van patiënt tot patiënt een heel verschillend beloop hebben. Een kleine longembolie kan niet of nauwelijks klachten geven, terwijl een grote longembolie dodelijk kan zijn.

De behandeling met antistollingsmiddelen wordt meestal drie tot zes maanden voortgezet. In die periode blijft de patiënt onder controle bij de behandelend arts. Daarna is in principe geen controle meer nodig.

Ruim de helft van de mensen die een longembolie doormaakt heeft drie jaar later nog steeds last van kortademigheid. De reden hiervan is niet helemaal duidelijk.

Een paar procent van de mensen die een longembolie doormaakt heeft blijft een verhoogde bloeddruk in de longslagaders houden. Dit wordt ‘chronische trombo-embolische pulmonale hypertensie’ genoemd.

Preventie longembolie

Mensen met een verhoogd risico op het krijgen van een longembolie worden soms behandeld met laagmoleculair-gewicht heparine (LMWH). De kans op het ontstaan van een longembolie wordt hierdoor kleiner.

Verder lezen / Referenties

  • FA Klok, JE Vahl ea, ‘Acute longembolie; een wolf in schaapskleren’, gepubliceerd in de rubriek ‘Klinische les’ van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 2012; 156: A3675.
  • ICM Mos, M Tan ea, ‘Diepveneuze trombose en longembolie uitsluiten met klinische beslisregels en D-dimeertesten’, gepubliceerd in de rubriek ‘Stand van zaken’ van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 2010; 154: A2054.
  • FA Klok, KW van Kralingen & MV Huisman, ‘Langdurig aanhoudende kortademigheid na een acute longembolie’, gepubliceerd in de rubriek ‘Onderzoek’ van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 2009; 153: A245.
  • M Levi, FR Rosendaal & HR Büller, ‘Diepe veneuze trombose en longembolie door een vliegreis’, gepubliceerd in de rubriek ‘Capita selecta’ van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van 11 november 2006; 150(45): pagina’s 2474-2477.

Engelse vertaling

pulmonary embolism


Gepubliceerd door: Simpto.nl
Datum van publicatie: 30 juli 2014
Auteur: Erwin Douwes
Laatst bijgewerkt op: 13 februari 2018


Synoniemen voor longembolie zijn acute longembolie, longembolieën, bloedpropje in de longen, bloedstolsel in de longen, bloedproppen in de longslagader, bloedstolsel in de longader, verstopping van de longslagader, longslagaderverstopping, bloedklonter in de longen, ruiterembolus, en ruiterembolie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *