Boezemfibrilleren

Bijgewerkt op 26 juni 2023

Wat is boezemfibrilleren?

Boezemfibrilleren is een aandoening waarbij de boezem van het hart in een veel te hoog tempo wordt geprikkeld. Dit leidt vaak tot een onregelmatige hartslag. Boezemfibrilleren is een hartritmestoornis. De medische term voor deze aandoening is atriumfibrilleren.

Dit artikel gaat over het voorkomen, oorzaken, symptomen, diagnostiek en behandeling van boezemfibrilleren (atriumfibrilleren).

Hoe vaak komt ’t voor?

Boezemfibrilleren is de meest voorkomende hartritmestoornis. De aandoening wordt jaarlijks bij naar schatting 15.000 Nederlanders ontdekt. In totaal zijn er zo’n 360.000 mensen in Nederland bij wie boezemfibrilleren is vastgesteld.

Bij wie komt ’t voor?

Boezemfibrilleren kan in principe bij iedereen voorkomen. De kans om het te krijgen neemt toe bij stijgende leeftijd. Bij mensen onder de 25 jaar komt het nauwelijks voor. Bij ouderen komt het betrekkelijk veel voor. De aandoening komt iets vaker bij mannen voor dan bij vrouwen.

De kans op het krijgen van boezemfibrilleren is verhoogd bij mensen met een hoge bloeddruk, een aandoening van de hartspier, van de kransslagaderen, of van een hartklep. Daarnaast komt het ook vaker voor bij mensen met een te snel werkende schildklier (hyperthyreoïdie).

Wat is de oorzaak?

Het is niet altijd duidelijk waardoor boezemfibrilleren ontstaat. Wel zijn een aantal risicofactoren bekend. Zo geven een hoge bloeddruk (hypertensie) en hartklepafwijkingen een verhoogd risico op het ontstaan van boezemfibrilleren. Andere risicofactoren zijn onder andere hartfalen, coronaire hartziekte, cardiomyopathie en aangeboren hartafwijkingen. Ook bepaalde longaandoeningen geven een verhoogd risico op boezemfibrilleren, zoals bijvoorbeeld slaapapneu syndroom en COPD. Verder ontstaat boezemfibrilleren regelmatig na een operatie, en dan met name een operatie aan het hart. Na bijna 1 op de 5 hartoperaties ontstaat boezemfibrilleren.

Bij ongeveer de helft van de mensen met boezemfibrilleren zijn een of meer risicofactoren of onderliggende oorzaken aanwezig. Een uitgebreid overzicht van risicofactoren voor het krijgen van boezemfibrilleren staat in de tabel hieronder.

Risicofactoren voor boezemfibrilleren
aangeboren hartafwijking
acuut reuma
cardiomyopathie
COPD
coronaire hartziekte
hartfalen
hartoperatie
hyperthyreoidie
operatie (overig)
overgewicht
overmatig alcoholgebruik
roken
slaapapneu syndroom
suikerziekte (diabetes mellitus)
Lijst met risicofactoren voor boezemfibrilleren

Familiair boezemfibrilleren

Bij een klein deel van de mensen met boezemfibrilleren komt de aandoening in de familie voor. Dat duidt er op dat een erfelijke afwijking leidt tot een verhoogd risico op het krijgen van de aandoening. Inmiddels zijn verschillende genen ontdekt die een rol spelen bij dit verhoogde risico. Ze staan in de tabel hieronder genoemd. Afwijkingen in deze genen kunnen dus leiden tot een verhoogd risico op het krijgen van boezemfibrilleren.

BETROKKEN GENEN
ABCC9-gen
GJA5-gen
KCNA5-gen
KCNJ1-gen
KCNQ1-gen
MYL4-gen
NPPA-gen
NUP155-gen
SCN1B-gen
SCN2B-gen
SCN5A-gen
genen die betrokken kunnen zijn bij familiair boezemfibrilleren

Welke symptomen geeft het?

Vaak zal een aanval van boezemfibrilleren ongemerkt voorbij gaan. Als er wel klachten optreden dan komen de volgende het meest voor:

Paroxismaal atriumfibrilleren

Er wordt onderscheid gemaakt tussen aanvalsgewijs boezemfibrilleren en niet-aanvalsgewijs boezemfibrilleren. Aanvalsgewijs boezemfibrilleren wordt door artsen paroxismaal atriumfibrilleren genoemd. Bij paroxismaal atriumfibrilleren komen de klachten in aanvallen. De klachten gaan echter ook weer vanzelf over. Bij niet-aanvalsgewijs boezemfibrilleren is de ritmestoornis van het hart continu aanwezig.

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Artsen kunnen vermoeden dat er sprake is van boezemfibrilleren op grond van de klachten, de aanwezigheid van risicofactoren en de bevindingen bij lichamelijk onderzoek. De diagnose kan worden bevestigd met behulp van een hartfilmpje (ECG).

Lichamelijk onderzoek

Bij lichamelijk onderzoek kan de arts soms een verschil opmerken tussen de hartslag die met de stethoscoop aan het hart wordt gehoord en de hartslag die aan de pols wordt gevoeld. Dit wordt polsdeficit genoemd. Het kan ook voorkomen bij mensen met overslagen van het hart (extrasystolen).

ECG

Op het hartfilmpje is te zien dat de boezem zeer vaak geprikkeld wordt, maar dat slechts een aantal van die prikkels leiden tot een hartslag. Dit is kenmerkend voor boezemfibrilleren. Hieronder een afbeelding van een hartfilmpje (ECG) met het kenmerkende beeld van boezemfibrilleren. De afstand tussen de QRS-complexen is onregelmatig en de P-golven ontbreken.

boezemfibrilleren (atriumfibrilleren)
Boezemfibrilleren op het ECG

Omdat boezemfibrilleren niet bij iedereen continu aanwezig is kan de aandoening makkelijk gemist worden op het ECG. Daarom wordt vaak een zogenaamd 24-uurs of 48-uurs ECG gemaakt. Dat gebeurt met een kastje dat de patient bij zich kan dragen en waarmee de activiteit van het hart continu geregistreerd wordt. Een dergelijke meting wordt Holter-registratie genoemd.

Wat is de behandeling?

Bij mensen die voor ’t eerst spontaan boezemfibrilleren krijgen gaat de ritmestoornis vaak binnen 24 uur vanzelf over. Aan deze patiënten worden meestal alleen geneesmiddelen gegeven die het hartritme verlagen, zoals beta-blokkers of calciumantagonisten.

Bij mensen die boezemfibrilleren hebben op basis van een onderliggende aandoening (hoge bloeddruk, aandoening van het hart, schildklierziekte) zal ook de onderliggende ziekte worden behandeld.

Bij aanhoudende klachten zal worden geprobeerd het normale hartritme te herstellen. Dit kan met behulp van geneesmiddelen. In dat geval wordt van chemische cardioversie gesproken. Maar het kan ook met behulp van een elektrisch stroompje dat via een defibrillator wordt toegediend. In dat geval spreken we van elektrische cardioversie.

Om te voorkomen dat er bloedstolsels ontstaan in de boezem van het hart worden vaak bloedverdunners (anticoagulantia) voorgeschreven. Door het ontstaan van stolsels in het hart tegen te gaan probeert men ook te voorkomen dat een bloedpropje vanuit het hart in de hersenen terechtkomt.

Tenslotte is er nog de catheterablatie. Hierbij wordt met een door slangetje dat via een bloedvat in de lies wordt opgeschoven naar het hart een ingreep in het hart gedaan. Hierbij wordt een stukje weefsel dat een rol speelt bij het ontstaan van de afwijking vernietigd.

Welke complicaties kunnen optreden?

Boezemfibrilleren kan leiden tot het ontstaan van stolsels in de boezem van het hart. Als zo’n stolsel los schiet kan het via de bloedbaan naar de hersenen versleept worden en daar een hersenembolie veroorzaken. Dat uit zich als een beroerte. Het kan ook leiden tot het minder efficiënt samentrekken van de hartspier. Hierdoor zal bloed minder krachtig worden rondgepompt door het hart. Wanneer dit serieuze klachten geeft wordt gesproken van hartfalen. Door hartfalen kan de doorbloeding van de kransslagaderen van het hart afnemen. Dat kan leiden tot angina pectoris.

Een zelden voorkomende complicatie is een infarct van de darm. Dit is het afsterven van een stukje darm doordat een bloedpropje vanuit de boezem van het hart via de bloedsomloop vastloopt in de darmslagader. De medische naam hiervoor is ‘mesenteriaalinfarct’.

Synoniemen

atriumfibrilleren, atriumfibrillatie, boezemfibrillatie

Engelse term

atrial fibrillation

ICD-10 code

I48

Verder lezen / Referenties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven